Moreel kapitaal

Moreel kapitaal

 

Moreel kapitaal. De verbindingskracht van de samenleving

Roel Kuiper

Buijten &Schipperheijn, Amsterdam

2009

 

Door Tim Vreugdenhil

 

Dit boek komt op een goed moment. Terecht zegt Kuiper dat het crisisgevoel heden ten dage weliswaar groot is, maar dat de morele dimensie ervan vaak buiten beeld blijft. Dat heeft veel te maken met de sterke invloed die het liberalisme op onze samenleving uitoefent. Het publieke domein heeft in het liberale denken als grondvorm het contract en niet een of andere voorgegeven orde waar mensen aan beantwoorden.

 

Dat wil niet zeggen dat er in het liberalisme geen moraal is (ook in het contractdenken zijn er rechten en plichten en een liberaal als Frits Bolkestein zocht vijftien jaar geleden al naar een ‘bezielend verband’), maar de fundering ervan is bepaald niet eenvoudig. Daarnaast is er dan nog het private domein: datgene wat mensen ‘achter de voordeur’ doen. Het wordt steeds duidelijker dat het private en het publieke niet in strikte zin gescheiden kunnen worden. De overheid bemoeit zich bijvoorbeeld weer meer met het gezin en (bij wijze van voorbeeld) het Amsterdamse college ziet mogelijkheden voor samenwerking tussen overheid en religieuze groeperingen. Je moet wel reactionair liberaal zijn om dat principieel af te keuren. Maar hoe leg je precies de verbinding tussen publiek en privaat? Daarover heeft Kuiper een visie die hij in zijn boek ontvouwt: de verbindingskracht van de samenleving wordt sterker als er meer gebruik gemaakt wordt van het aanwezige ‘moreel kapitaal’.

 

De hamer hanteren

In het eerste deel van zijn boek bespreekt de schrijver hoe verbinding een probleem geworden is in de moderne samenleving. Hij haalt talrijke auteurs aan en vat helder samen. Ulrich Beck over de risicosamenleving, Samuel Huntington over de botsing der beschavingen, Martin Heidegger over moderne techniek, Anthony Giddens over globalisering. Het laat iets zien van de colleges die Kuiper in het dagelijks leven aan studenten op diverse plekken geeft. Te midden van al die bronnen probeert hij een eigen lijn te trekken waarbij ‘relaties’ een sleutelwoord is. Het is niet heel gemakkelijk om die eigen benadering in het oog te houden.

Mijns inziens ontkomt de schrijver in het eerste deel niet helemaal aan een eenzijdig negatieve weergave van de moderniteit. De meest invloedrijke moderniteitscriticus van dit moment, de Canadese denker Charles Taylor, maakt steeds duidelijk dat de ‘malaise van de moderniteit’ ook een positieve keerzijde heeft. De ‘utopische projecties’ waar Kuiper terecht op wijst hebben bijvoorbeeld ook voor allerlei zeer te waarderen gevolgen gezorgd (vooruitgang). Veel van de hedendaagse verworvenheden waren voor onze voorouders een absolute utopie. En bovendien: verbinding kan ook zomaar beknellend worden. Dat was het in het verleden soms ook. Het loslaten van allerlei banden is lang niet alleen maar slecht. Daarover lezen we weinig. Komt het Kuiper wellicht goed uit om in het eerste deel ‘de hamer te kunnen hanteren’ (zijn eigen woorden) om des te meer noodzaak te claimen voor de vorming van moreel kapitaal?

 

Contract of verbond

Een samenleving (society) ontstaat altijd in een ingewikkeld samenspel van afzonderlijke terreinen. Kuiper wil uit de buurt blijven van gangbare contracttheorieën (‘iedereen heeft er baat bij als we samen…’). De samenleving kent volgens hem een verbondsmatige structuur. Is een verbond niet ook een soort contract? Nee, zegt Kuiper met een (sterk) beroep op nota bene Thomas Hobbes. Volgens Hobbes is het kenmerkend voor een verbond dat er altijd een derde is: God of iets wat daarop lijkt (bijvoorbeeld de staat). Waar geen vertrouwen is, sluiten mensen contracten. Is dat er wel, dan is er sprake van een verbond. Kuiper signaleert dat al bij Hobbes zelf dit niet heel goed uit elkaar te houden is: contract en verbond liggen in elkaars verlengde.

Met een beroep op de calvinistische staatsrechtgeleerde Althusius ziet hij het meest in de verbondsbenadering waarbij er inderdaad een derde is, namelijk God – ook wel het ‘transcendente perspectief’ genoemd. Kuiper gaat niet in op bezwaren tegen een dergelijk perspectief. De vraag ligt mijns inziens voor de hand waarom zoveel mensen aan dat transcendente perspectief geen enkele behoefte hebben. Naast Althusius vindt de schrijver inspiratie bij Kuyper en Dooyeweerd in zijn zoektocht naar moreel kapitaal: Daaronder verstaat hij het vermogen om op een zorgende manier bij de ander en bij de wereld te zijn. Ook hier duikt het ‘transcendente perspectief’ af en toe op. Om dit vertrouwen op te kunnen brengen, moeten we immers eerst zelf vertrouwen hebben in d(D)egene die voor ons zorgt. Daar ziet Kuiper kapitaal in, daar valt maatschappelijke winst mee te maken.

 

Verbindingskracht?

In het tweede deel van het boek volgt een uitwerking hoe moreel kapitaal wordt gevormd en in het derde deel moet duidelijk worden hoe moreel kapitaal bijdraagt aan de maatschappelijke praktijk. Concrete verbinding dus. Nu is verbondenheid een woord dat in deze tijd op ieders lippen ligt. Het is de verdienste van Kuiper dat de term bij hem inhoudelijk gevuld is: hij vindt in de christelijke traditie allerlei aspecten van verbinding en brengt die goed in beeld. Wel meen ik dat zijn probleembewustzijn over het geheel genomen niet diep genoeg gaat. In hoofdstuk 10 bijvoorbeeld zegt hij mooie dingen over de samenleving als verbond en de kracht van beloften die mensen elkaar kunnen doen (ideeën die niet alleen uit de bijbelse traditie komen, maar ook worden uitgedragen door een modern denker als Habermas). Hij is niet naïef en meldt dat er sterke tegenkrachten aan het werk zijn, maar hij meent op dit punt te kunnen volstaan met een oproep om het toch echt te proberen. Dat mag misschien over de hoop op verbinding gaan, verbindingskracht is wat anders. Hier had scherper geanalyseerd moeten worden. Waarom is voor zoveel tijdgenoten de christelijk-sociale denkwijze wel het laatste dat ze willen? Kuiper is ook tamelijk optimistisch en vindt een denker als MacIntyre (die stelt dat de Westerse cultuur bezig is om net zo te verdwijnen als ooit het Romeinse rijk) te somber: er is nog genoeg goede wil in de samenleving om het met elkaar te doen en daar moeten we het van hebben. Maar als dat nu eens minder het geval is dan Kuiper denkt?

 

Mijn team

Het bovenstaande zat me dwars tijdens het lezen. Ik heb hier een boek dat naar de strekking precies datgene betoogt waar ik als christen in geloof en wat ik als predikant probeer over te brengen. Maar echt warm word ik er niet van. Hoe komt dat? Ik meen een parallel te zien in hoe het christelijk-sociale politici als Balkenende en Rouvoet niet goed lukt om hun maatschappijvisie (die zij beter op orde hebben dan hun socialistische en liberale tegenvoeters) goed uit te venten. Het is net alsof ik op de tribune zit: Balkenende, Rouvoet en Kuiper zijn spelers van ‘mijn’ team op het maatschappelijke veld. Ik heb het volste vertrouwen in de voorbereiding, maar het komt er in het heetst van de strijd niet echt uit. Af en toe kon ik bij het lezen van Kuiper een lichte ergernis niet onderdrukken: veel bijbelse noties zijn bij hem evident. Maar wat is dan de reden dat Nederland, ook onder een christelijke regering, daar zo weinig van moet hebben? Het hoofdstuk over het gezin bijvoorbeeld bevat veel zinnen met een hoog ‘troonrede-gehalte’: van pure waarheid niet zo heel erg krachtig meer, soms zelfs ronduit saai.

 

Jezus centraal

Dat Kuiper een belijdend christen is, steekt hij in het boek niet onder stoelen of banken. Tegelijk is hij spaarzaam met verwijzingen naar God (vaker zoals boven geciteerd ‘het transcendente perspectief’ genoemd) en de cruciale betekenis van Jezus blijft volstrekt buiten beeld. De voor mij meest inspirerende voorbeelden van eigentijds christelijk sociaal denken (ik denk onder anderen aan de Engelse ethicus Oliver O’Donovan en – trouwens ook door Kuiper aangehaalde - Miroslav Volf) kennen een duidelijke christologische inzet. De schepping, hoe belangrijk ook, blijft een multi-interpretabel kader tenzij Jezus de kwalificerende factor is. De betekenis van het leven, de dood en de opstanding van Jezus is juist ook voor de ordeningen van gezin, huwelijk, overheid van groot belang (het Nieuwe Testament en de kerkvaders bieden tal van voorbeelden). Daar zit de revolutie, het vuurwerk, de zindering. Daar had in dit boek veel meer aandacht voor moeten zijn en daar had een noodzakelijke correctie aangebracht moeten worden op (ook) Dooyeweerd en Kuyper.

 

Optimisme

Er zit tenslotte een onmiskenbaar christelijk cultuuroptimisme in dit boek, iets dat ik niet goed kan verbinden met de plaats die de zonde inneemt in de bijbelse en calvinistische benadering. De wijze waarop Kuiper spreekt over de instituties van ‘huwelijk’ en ‘kerk’ doet onvoldoende recht aan de werkelijkheid van dit moment. Naast het huwelijk bestaan andere duurzame relaties en de plaats van de kerk als instituut is ernstig gemarginaliseerd. Je mag dat natuurlijk betreuren (al zegt Kuiper dat nergens expliciet), maar je zult beter moeten betogen waarom deze ordeningen zo belangrijk zijn voor de vorming van moreel kapitaal.

Kuiper meent dat er op zichzelf genoeg aan ethische bezinning wordt gedaan, maar dat het schort aan concreetheid. Zelf wil de auteur dat anders doen: het moet over alledaagse ervaringen van mensen gaan, het moet ethiek zijn die mensen helpt. Kuiper zegt het tegen het einde op diverse plekken en lijkt zo een onbestemd gevoel te hebben dat dit misschien toch niet zo is gelukt als hij zelf had gehoopt.