Crisis en cultuur

Crisis en cultuur

 

Door Peter Ester

 

Zoveel is wel duidelijk: de financiële crisis grijpt veel dieper in dan de meeste waarnemers voor mogelijk hielden. En bovendien zal de economische malaise nog geruime tijd aanhouden. Het herstel zal lang en traag zijn. Langer en trager dan veel Nederlanders vermoeden. De meest recente cijfers van het Centraal Planbureau stemmen bepaald niet vrolijk. De economie krimpt met bijna 5% dit jaar, de productie loopt beduidend terug, de werkloosheid loopt op van 5,5% in 2009 naar bijna 10% volgend jaar en het begrotingstekort stijgt snel (tot meer dan 6% BBP in 2010). Wat de doen?

 

Verschillende politieke leiders hebben zich in de voorbije maanden uitgelaten over oorzaken van en oplossingen voor de crisis. Premier Balkenende stelt dat “niet marktfalen maar menselijk falen” de kern van de huidige crisis is. Hij pleit voor een nieuw ‘Rijndeltamodel’ waarin verantwoorde marktwerking, economische dynamiek en gezamenlijke verantwoordelijkheid centraal staan. Vicepremier Bos erkent dat “we allemaal schuld hebben” en VVD-leider Rutte wenst noch de staat noch de mens de schuld in de schoenen te schuiven, maar wil de markt en de staat aan een eigen soort tucht onderwerpen. SP-fractievoorzitter Kant betrekt de stelling dat de crisis het gevolg is van te ver doorgeschoten neoliberale politiek en doorgeslagen marktwerking.

 

Fundamentele cultuurkritiek

Deze reacties bevatten veel waars maar gaan uiteindelijk niet diep en ver genoeg. De crisis heeft een belangrijke culturele worteling: ongebreideld hedonisme, geperverteerde consumptiedrang, gecultiveerd narcisme en uitgeholde publieke betrokkenheid. De financiële crisis gedijt in een cultuur waarin eigenbelang en individualisme domineren, zelfverrijking niet suspect maar vanzelfsprekend is en het stellen van grenzen voor watjes is. Moraal, markt en economie zijn ontkoppeld.

Juist op dit punt kan de Christenunie het debat aanscherpen en een eigen geluid laten horen. We blijven niet steken in een au fond makkelijk soort micromoralisme – hoe belangrijk ook - maar duiden de crisis mede in een context van fundamentele cultuurkritiek. Juist hier stoten we door tot de kern; juist hier kunnen we bogen op een rijk christelijk gedachtegoed. Moralisme en cultuurkritiek gaan bij ons hand in hand. Het recente prachtboek Moreel kapitaal van ChristenUnie-senator en hoogleraar Roel Kuiper is daarvan een treffend voorbeeld.

 

Gewetenloos kapitalisme

Wat ook duidelijk is, is dat de crisis het failliet toont van een ergerlijk soort ‘wild west’ kapitalisme waarin de financiële ‘masters of the universe’ ongecontroleerd hun duistere bling-bling transacties kunnen verrichten. Flitskapitaal, weg voor dat je het weet (in de dubbele betekenis van het woord). Banken, vanouds hecht ingebed in de lokale gemeenschap, schamen  zich er niet voor via uiterst dubieuze  ‘subprime mortgages’ honderdduizenden huiseigenaars in het verderf te storten. Moraal, markt en economie zijn ontkoppeld. Dit letterlijk gewetenloze kapitalisme kan niet meer worden gedoogd. Het onderliggende holle, botte en meedogenloze ‘liberalisme’ heeft zijn langste tijd gehad en stuit op groeiende weerzin.

 

Onbeheersbare risico’s en valse profeten

Onze samenleving is een “risk society” (Beck) geworden: in een postindustriële maatschappij worden we in toenemende mate geconfronteerd met grote, niet te voorspellen en moeilijk individueel te beïnvloeden of af te wentelen risico’s die zich vaak op mondiaal niveau voltrekken. De financiële crisis is daarvan een sprekend voorbeeld. Als burger kun je je hier nauwelijks tegen wapenen. Onbeheersbaarheid is het sleutelwoord. De wereld is broos en fragiel. Voor velen leidt dit tot angst, onzekerheid en ontwijkgedrag. Het leidt tot de opkomst van nieuwe en steeds wisselende ‘valse profeten’ die in stoerheid over elkaar heen buitelen en ongekend eenvoudige maar wel aansprekende ‘oplossingen’ bieden. Liefst verpakt in pakkende one-liners. Denk aan Wilders en – hoewel al weer naar de periferie verdreven - Verdonk. En deze profeten, het moet gezegd, mogen op brede steun rekenen. Mensen kunnen moeilijk met fundamentele onzekerheid overweg en dit verklaart mede het succes van partijen die snelle en drastische oplossingen bieden, hoewel het realiteitsgehalte vaak ver te zoeken is. Maar het is wel de politieke werkelijkheid van alledag.

 

Minima moralia

De risicosamenleving leidt tot een nieuw perspectief op de overheid: nationale en vooral supranationale overheden, moeten gezaghebbend optreden om veiligheid te garanderen en de draagbaarheid van risico’s te organiseren. De financiële crisis en zeker ook het klimaatprobleem en het armoedevraagstuk laten zien dat een fors bestuurlijk schaalniveau vereist is om dit soort risico’s aan te vatten. Hierin schuilt een grote paradox: in een risicosamenleving staat de overheid onder permanente kritiek vanwege steeds nieuwe risico’s die zich aandienen, tegelijk groeit het besef dat de overheid de partij bij uitstek is die deze risico’s moet adresseren. Het klassieke liberalisme kan hiermee niet goed uit de voeten en zoekt naar een nieuwe profilering en naar een nieuwe conceptualisering van de rol van de overheid.

De financiële crisis roept om een nieuwe doordenking van de verhouding overheid, markt en burger; de krijtlijnen moeten opnieuw getekend worden. De balans is nu zoek geraakt. De markt, in naam gecontroleerd door overheid en politiek, dicteert zijn eigen rationaliteit en onttrekt zich aan een aantal fundamentele minima moralia. Als de crisis iets duidelijk maakt is dat het heil – mochten we dat al denken - niet van de markt komt en dat het zelfregulerend vermogen ernstig te kort schiet. De onzichtbare hand van de markt was in dit opzicht wel erg onzichtbaar.

 

Nieuwe rol overheid

De crisis leidt ook tot een herdefiniëring van de rol van de overheid. Niet in de zin van de overheid als allesweter en alleskunner, daar moeten we zeker niet naar terug. Maar wel naar een overheid die regie neemt, goed bestuur voert, die belangen afweegt, scherprechter en marktmeester is, verantwoordelijkheid afdwingt, restricties stelt en over dit alles sterk communiceert. Mijn gevoel voor maatschappelijke duiding zegt dat de tijd rijp is voor een dergelijke heroriëntatie op de rol van de overheid. Het huidige kabinet realiseert zich dat gelukkig terdege. We moeten wel doorpakken. Er liggen stevige dossiers, ook buiten de financiële crisis. Ik noem alleen al de AOW-kwestie.

We willen een overheid die Nederland bij elkaar houdt, die verantwoordelijkheid neemt en vraagt en mensen laat delen in het grotere verhaal. Uiteindelijk wil niemand leven en wonen in een atomaire staat, zonder gedeelde identiteit en betrokkenheid. De herdefiniëring van de driehoek overheid, markt, burger vraagt ook om bezinning op de rol van de laatste. Consumentisme, hedonisme en het dictaat van het individuele belang zijn wel zeer losgeweekt van de res publica, de publieke zaak. Veel burgers hebben bij hun volle verstand hun spaarcentjes naar Icesave gebracht en zich gek laten maken door financiële instellingen die hen voorspiegelden dat de bomen tot in de hemel groeien. Ook de burger, het moet gezegd, heeft boter op zijn hoofd.

 

Van ik naar wij

Kortom, de verhouding tussen overheid, markt en burger is aan herijking toe. Moraal, markt en economie moeten weer hecht op elkaar betrokken worden. Er is dringend behoefte aan loyaliteit, verbondenheid en verantwoordelijkheid. Of zoals André Rouvoet het in zijn Groen van Prinsterer-lezing eerder dit jaar formuleerde: “dat vraagt om een beweging van ‘ik’ naar ‘wij’, om een maatschappelijk ethos waardoor mensen zich niet louter met het eigen private geluk bezig houden, maar ook met dat van een ander. De samenleving (…) kan niet floreren zonder zo’n ethos”. De vraag is natuurlijk hoe we een dergelijk ethos kunnen activeren en hoe zich dat verhoudt tot de financiële crisis die – vrij naar Karl Marx - als een spook door de wereld waart. Enige reflectie leert, dat wij als ChristenUnie vanuit onze christelijk traditie hier een zeer zinnige en eigen boodschap voor het voetlicht kunnen brengen.

 

Calvijn en de crisis

Dit jaar vieren we dat het 500 jaar geleden is dat de reformator Johannes Calvijn geboren is. Een man die als geen ander het protestantse gedachtegoed heeft gekleurd; we hebben het zelfs naar hem vernoemd. Dat geldt zeker ook voor zijn denkbeelden over kapitalisme en economie en de rol van lenen en rente in de handel. Ook nu nog zijn we door en door schatplichtig aan deze grootse zestiende-eeuwse kerkvader. Ik wil ervoor pleiten, in navolging van mijn Tilburgse collega Johan Graafland, om onze calvinistische traditie volop in stelling te brengen als het gaat om het doordenken van de financiële crisis. We zijn gepokt en gemazeld in deze traditie en veel van de denkbeelden en leefregels zijn nog springlevend en hoogst actueel. Dat geldt voor de overheid, de markt en de burger.

Calvijn stond zeker niet afwijzend tegenover het kapitalisme van zijn tijd, maar keerde zich wel tegen een ongebreidelde vrije markt. De staat was in zijn ogen de hoedster van de armen en gebrekkigen. Exorbitante zelfverrijking was in zijn visie een gruwel. Hebzucht staat voor Calvijn gelijk aan alcoholverslaving en roverij. Beheerste consumptie en het genieten van het goede der aarde wees hij zeker niet af. Maar soberheid, matigheid en spaarzaamheid moeten wel de boventoon voeren. Arbeid is voor alles een roeping, het benutten en ontplooien van talenten: de verheerlijking van God en dienstbetoon aan de naaste. Calvijn was niet tegen het heffen van rente op het uitlenen van geld, maar verbond er wel strikte eisen aan. Daarin was hij voor zijn tijd zeer vooruitstrevend. De bancaire wereld kan nog veel leren van Calvijn als het gaat om verantwoord ondernemen, plichtsbesef jegens de nood van armen en het principe van wederkerigheid (Lucas 6: 31). Het toepassen van deze morele leefregels en principes staat haaks op het gokken met spaartegoeden van medemensen en extreem risicovolle beleggingen. Bankieren moet weer een rustig vak worden, waarin rendement, degelijkheid en verantwoordelijkheid samen optrekken. Banken moeten moraal en bankieren  weer op elkaar betrekken.

 

Nieuwe balans en andere cultuur

Het is goed ons te laven aan deze traditie en de onderliggende waarden en normen te vertalen naar de huidige tijd. Op deze wijze kan de ChristenUnie een sterk eigen geluid laten horen – koppeling van moraal, markt en economie – zonder in de hoek van wereldvreemde betweters te worden geduwd. Het is eigenlijk een zeer modern en ook zeer pragmatisch verhaal. Het is nadrukkelijk geënt op onze traditie en het verschaft ons geloofwaardigheid en herkenbaarheid. Het antwoord op de kredietcrisis - zeker - is een nieuwe balans tussen overheid, markt en burger waar heldere grenzen worden gesteld en negatieve gedoogpraktijken worden ingedamd. Maar richtinggevend daarbij is een cultuur die zich wel voelt bij spaarzaamheid, ingetogenheid, zelfrestricties, duurzaamheid, dienstbetoon, verbondenheid en betrouwbaarheid. Dit zijn de kernwaarden die het cement vormen tussen moraal, markt en economie. Het sluit mensen in en niet uit. Nederland is er hard aan toe. We leven niet op de pof maar op perspectief. Saai en ouderwets? No way! Het is een zeer realistische boodschap en wat mij betreft ook zeer wervend. Het schraagt sociaal vertrouwen, cohesie en duurzaamheid. Een sterk verhaal kortom.

 

 

Een nieuwe verloren generatie?

Tot slot nog een punt van zorg: jongeren en de crisis. Jongeren zijn de eersten die het slachtoffer worden van een economische crisis. Dat was in de economisch magere jaren tachtig het geval en dat is nu zo. Probleem is dat de huidige generatie jongeren geen vaardigheden heeft hoeven opbouwen om zich te kunnen wapenen tegen economische neergang. Hun menselijk kapitaal, opgebouwd in goede economische tijden, is nog nooit beproefd in slechte economische tijden. Ze hebben nooit de ritmiek van economische voor- en tegenspoed aan den lijve ervaren. De vraag is dan ook hoe crisisbestendig ze zijn. Rond deze tijd komen er zo’n 150.000 schoolverlaters op de arbeidsmarkt. Banen liggen niet voor het oprapen. De laatste cijfers van het CBS (eind augustus 2009) laten een zorgwekkende ontwikkeling van de jeugdwerkloosheid zien. Zo’n 12% van de jongeren tussen de 15 en 25 jaar is werkloos; onder jongeren zonder startkwalificatie is dit 15%. Naarmate de crisis langer duurt, doemt levensgroot het gevaar van een nieuwe ‘verloren generatie’ op. Een generatie die in wat de bloei van hun leven zou moeten zijn, het economisch tij fors tegen heeft en niet aan de bak komt. We weten dat het lang kan duren voordat een generatie een dergelijke slechte start heeft weggewerkt. Dit soort littekens blijken generaties nog lang te achtervolgen in hun levensloop. Gelukkig wordt dit probleem door het kabinet herkend en erkend. Vice-premier André Rouvoet heeft dit probleem scherp op zijn netvlies en boekte samen met Arie Slob ook op dit punt tastbare resultaten rond het Crisisakkoord. We moeten alles op alles zetten om een duurzaam en sociaal Nederland voor de volgende generatie achter te laten. De solidariteit tussen generaties is de beste graadmeter van een verantwoordelijke en bestendige samenleving.

 

Peter Ester is hoogleraar Arbeid, Cultuur & Beleid aan de Universiteit Utrecht en Kroonlid van de SER.

 

Samenvatting

-          De crisis is veroorzaakt doordat moraal, markt en economie zijn ontkoppeld.

-          Er is een nieuwe balans tussen overheid, markt en burger nodig.

-          Richtinggevend voor de benodigde cultuuromslag zijn waarden die we al bij Calvijn kunnen vinden.