Wat is christelijk-sociaal?

Wat is christelijk-sociaal?

 

Interview met senator Roel Kuiper over nieuwe sociale kwesties

 

Door Geert Jan Spijker

 

Nederland is in de ban van crises. Hoe moet de ChristenUnie daarop reageren? Senator Roel Kuiper zet de problematiek in een breder kader en belicht die vanuit christelijk-sociaal perspectief. Hij gaat in op burgerschap en verbanden. Hij wijst op het belang van het gezin, waar ‘moreel kapitaal’, de titel van zijn nieuwe boek, wordt gevormd. Ook heeft hij tips voor lokale bestuurders. “We moeten ons focussen op het terugbrengen van zeggenschap in de leefomgevingen van mensen zelf.”

 

Je hebt dit jaar een paar keer gesproken over christelijk-sociale politiek in verband met de huidige crisis. Onder meer tijdens het bestuurderscongres van de ChristenUnie in maart. Wat was je boodschap daar?

De huidige crisis wordt wel een ‘wake-up-call’ genoemd. We weten dat er nieuwe wegen moeten worden ingeslagen. De ene crisis buitelt over de andere heen. Ik was gevraagd door de BestuurdersVereniging het christelijk-sociale denken te taxeren met het oog op de tijd waarin wij leven. Mijn boodschap was dat christelijk-sociale politiek juist nu werk moet maken van de samenleving. De samenleving is namelijk aan zet, na een fase waarin we overspannen verwachtingen hebben gehad van overheid en markt. Naar een verzorgingsstaat keren we niet terug, we zullen weer moeten gaan staan voor de sociale en maatschappelijke verantwoordelijkheden die we als burgers hebben. Wij staan als ChristenUnie goed voorgesorteerd om een wezenlijke bijdrage te leveren aan de tijd waarin we leven. Wij zijn niet de verkondigers geweest van een neoliberaal verhaal over de markt, maar hebben altijd benadrukt wat nu actueel wordt.   

 

In welke richting moet christelijk-sociaal denken verder worden ontwikkeld?

Toen de christelijk-sociale beweging aan het eind van de negentiende eeuw opkwam – in een tijd van economische crisis, snelle urbanisering, werkloosheid en verpaupering – waren er drie accenten. In de eerste plaats ging het om de kwaliteit van arbeid: de beschikbaarheid van goede arbeid en de bescherming van de werknemer. Dit was gericht tegenover de uitbuiting en onderbetaling van mensen in het arbeidsproces. In de tweede plaats ging het om het lot van kwetsbare groepen buiten het arbeidsproces: mensen die werkloos waren geworden of getroffen door ziekte of een handicap. In een massa-samenleving, waarin steunverbanden als kerk en familie wegvielen, moet er aandacht zijn voor mensen die buiten hun schuld om extra kwetsbaar zijn geworden. In de derde plaats ging het om een zodanige inrichting van de samenleving dat er mensen in hun levensonderhoud kunnen voorzien en er rechtvaardige verhoudingen bestaan. Abraham Kuyper sprak destijds van de noodzaak van een ‘architectonische kritiek’ op de samenleving. Op alle drie de fronten worden christenen geroepen en ligt er een duidelijke bijbelse opdracht.

Vandaag ligt het front niet primair bij de kwaliteit van arbeid of het loonniveau, het front ligt wel bij kwetsbare groepen en vooral bij de inrichting van de samenleving. De crises van dit moment confronteren ons met de vraag of we de juiste keuzes maken bij de inrichting van onze samenleving  en of onze samenleving sterk genoeg is om de nieuwe sociale kwesties van vandaag op te vangen.

 

Wat zijn dan nieuwe sociale kwesties?

De nieuwe sociale kwesties van vandaag hebben te maken met de verwaarlozing van de samenleving als omgeving waarin we verantwoordelijkheid dragen voor elkaar. De nieuwe sociale kwesties hebben te maken met kwetsbaar geworden individuen in een wereld waarin sociale en morele kaders zijn weggevallen. Als mensen in een dergelijke wereld werkloos worden of hun welvaartszekerheid verliezen, gebeuren er plotseling rare dingen. De wanhoopsdaad van Karst T. was een bijzonder geval, en toch, er lopen in onze samenleving veel mensen rond met dezelfde soort van eenzaamheid en hulpeloosheid. Wij hebben in een wereld van individualisering en globalisering de normale steunsystemen op afstand gezet. Veel verbanden zijn verzwakt. Het wordt tijd dat we welbewust aan onze gemeenschappen gaan bouwen. Dat is de actualiteit van christelijk-sociale politiek.

Overigens heb ik ook gezegd dat het christelijk-sociale niet de hele boodschap is van de ChristenUnie. Wij werken ook aan zaken als landbouw, milieu, onderwijs en de rechtsstaat. Het christelijk-sociale is geen container, maar een invalshoek, zij het een heel belangrijke.

 

Het christelijk-sociale gaat nu dus over een kwetsbaar geworden samenleving.

Zo zou je het kunnen zeggen, maar dat is nog te algemeen. We moeten analyseren waaruit die kwetsbaarheid bestaat. Ik wees al even op de effecten van doorgeslagen individualisering en doorgeslagen marktdenken, maar de spits moet liggen bij het steeds opnieuw activeren van onze verantwoordelijkheid voor elkaar met het oog op maatschappelijke harmonie, welvaart, hulp en zorg. Voor ons christenen zijn bijbelse beelden over een lichaam dat zichzelf opbouwt door de liefde leidend hierbij.

 

Je hebt in dit verband de naam van Johannes Althusius genoemd. Wie was hij en wat kunnen we van hem leren?

Ik heb een definitie van politiek aan hem ontleend. Johannes Althusius was begin zeventiende eeuw bestuurder van de stad Emden en calvinistisch staatsrechtgeleerde. In dit jaar van Calvijn-herdenken mogen we hem wel met ere noemen. Hij is degene geweest die het calvinisme systematisch en praktisch heeft doordacht met het oog op de politiek. De toepassing van de Tien Geboden in het publieke leven vinden we bij hem, maar ook een sterke nadruk op de vrijheden van burgers in hun verbanden. Althusius definieert politiek als de ‘kunst van het samenbrengen van mensen’ met als doel het ‘vestigen en onderhouden van een sociaal leven’. Dat sociale leven is volgens Althusius iets wat God heeft gewild en wat aansluit bij onze sociale natuur. Op deze manier helpen we elkaar en bouwen we iets op. Een mens die alleen aan zichzelf is overgelaten verkwijnt en komt tot niets. Daarvoor is hij te kwetsbaar. In gemeenschappen wordt de mens de remedie geboden om zijn eigen kwetsbaarheid en tekorten om te zetten in een sociaal leven, waarin hij zich gelukkig kan voelen, en zijn gaven kan inzetten, zodat een samenleving tot bloei komt. Ik denk dat dit nog altijd de kern vormt van christelijke politiek en een belangrijke inzet en motivatie is van de ChristenUnie.

 

Het accent ligt dan wel vooral bij de samenleving en niet zozeer bij de overheid. Heeft christelijke politiek zich niet vaak juist ook op de rol van de overheid gericht?

Het is inderdaad zo dat Althusius een sterke nadruk legt op de samenleving en de burgers die elkaars partners zijn. Maar dat accent is volkomen terecht. Het latere christelijk-sociale denken heeft later steeds een sterk accent gelegd op individuele en maatschappelijke verantwoordelijkheden. Althusius had natuurlijk evenals Calvijn een grote waardering voor de overheid. De overheid is er om de ongebondenheid van de mensen te bedwingen en de samenleving in goede banen te leiden, maar het zijn de burgers die hun gemeenschappen inrichten en daardoor de samenleving opbouwen. Juist in een tijd van crisis ontdekken we hoe belangrijk het is als mensen elkaar kunnen bijstaan vanwege de kwetsbaarheid van ons bestaan. Het huidige regeerakkoord drukt dat uit door oog te hebben voor duurzame verbindingen tussen mensen - denk aan gezinsbeleid – en spreekt van een overheid als ‘bondgenoot’ van de samenleving.

 

Dat klinkt als een belofte, maar wat betekent dit nu voor bijvoorbeeld de lokale politiek, waar die gemeenschappen vorm moeten krijgen?

Het is inderdaad waar dat in mijn visie de samenleving van onderop wordt opgebouwd. Gemeenschappen waarin mensen naar elkaar omzien zijn per definitie lokaal, geworteld in bepaalde omgevingen waarin mensen elkaar ontmoeten. Dat kan overigens ook een school- of bedrijfsomgeving zijn, maar uiteraard ook buurt, dorp of stad.

We hebben dat eigenlijk ook al uitgedrukt in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). Daarin wordt uitgegaan van de vanzelfsprekendheid dat mensen elkaar ondersteuning bieden in hun primaire leefomgeving. De Wmo is ook aanjager van het opzetten van informele zorgsystemen, het verder mobiliseren van vrijwilligers in de samenleving.

 

Ja, maar met de Wmo zitten we wel helemaal in de welzijnshoek.

Ik noem de Wmo, omdat ik deze wet exemplarisch vind voor wat er lokaal zou moeten gebeuren. Het bouwen van gemeenschappen van onderop beperkt zich niet tot het domein van welzijn. Actief burgerschap bestrijkt al een veel breder terrein, ook bijvoorbeeld het zorg dragen voor veiligheid via buurtvaders of het gezamenlijk beheer van de publieke ruimte. Maar ik zou nog verder willen gaan. Je ziet nu al dat er eerste tekenen zijn van een verdere ontwikkeling van lokale gemeenschappen. Op het gebied van mobiliteit, economie, voedselvoorziening en energie ontstaan er meer en meer lokale initiatieven. Tegenover de risico’s van een te open marktmodel en de onzekerheid van een globaliserende wereld organiseren mensen dat wat ze nodig hebben welbewust dichter bij huis. Een mooi voorbeeld is energie. Om minder afhankelijk te zijn van fossiele brandstof die van ver moet komen, wordt er meer en meer gezocht naar vormen van energie-opwekking – via zon, wind en water – dicht bij huis.

 

En dat werkt gemeenschapsversterkend?

De basis hier is dat mensen bepaalde waarden meer en meer zelf vorm willen geven. Op het gebied van milieu zie je dat heel sterk. Mensen willen niet langer wachten op een wereldmarkt om de goede dingen te doen, ze willen het zelf gaan doen. Wanneer de lokale politiek een ‘partner’ is van de samenleving kan ze hier ook goede steun aan geven. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de ‘transition towns’ die hier en daar als pilot van de grond komen. De inzet van ‘transition towns’ is een kritische weging van energiegebruik en een overgang naar meer duurzame energiesystemen in de lokale setting. Rondom dergelijke projecten waarin mensen op een nieuwe manier verantwoordelijkheid nemen voor hun directe leefomgeving ontstaat altijd nieuwe gemeenschappelijkheid. Hier hoort overigens wel zeggenschap bij. Die slag moeten we wel verder maken.

 

Hoezo?

Burgers kunnen zich erg machteloos voelen, omdat ze geen zeggenschap meer hebben over de dingen die hen zelf aangaan. Daar ligt een van de oorzaken van de ‘korte lontjes’. We moeten ons sterker focussen op het terugbrengen van zeggenschap in de leefomgevingen van mensen zelf. Ik zou het heel belangrijk vinden als wij als ChristenUnie dat tot thema zouden verheffen bij de komende gemeenteraadsverkiezingen. Neem burgers serieus, maak nieuwe lokale ontwikkelingen mogelijk, stimuleer maatschappelijk ondernemerschap. De Wmo heeft geleerd dat veel mensen zich willen inzetten voor hun eigen leefomgeving. Geef ze de ruimte. Mensen moeten het gevoel hebben dat hun oplossingen en antwoorden er toe doen. Dat is nou de echte ‘participatie’.

 

In het onlangs verschenen boek Moreel kapitaal behandel je deze thematiek ook.

Inderdaad. In Moreel Kapitaal  ben ik geëindigd met een pleidooi voor kleinschaligheid, omdat ik geloof dat hier een uitdaging voor onze tijd ligt. In een globaliserende wereld waarin de mens en de menselijke factor gemakkelijk verloren kunnen gaan, is de directe zorg voor elkaar en een concrete leefomgeving van het allergrootste belang.

Overigens moeten we het christelijk-sociale daartoe niet beperken. Er is ook de noodzaak van gezinsbeleid, van een bescherming van publieke goederen, een betere ordening van onze economie.

 

In je boek ga je ook uitgebreid in op het gezin. Waarom is het gezin zo belangrijk voor de samenleving?

Het gezin is belangrijk, omdat daar het morele kapitaal van een samenleving wordt gevormd. Daarmee bedoel ik de bereidheid je in te zetten voor een ander en wellicht te zorgen voor een ander. Een gezin bestaat niet alleen voor zichzelf, als het goed is worden kinderen opgevoed met het oog op hun functioneren in de samenleving. Daar zit altijd een stevige morele component aan. Vormen van solidariteit en maatschappelijk altruïsme wortelen, als het goed is, in de liefde en aandacht die gezinsleden voor elkaar hebben. Niet voor niets geldt ‘broederschap’ als een oerbeeld van maatschappelijke solidariteit. De bereidheid er voor de ander te zijn wordt geleerd in het gezinsverband. De tijd dat er besmuikt werd gedaan over gezinnen is wel voorbij. We zien met elkaar hoe kwetsbaar gezinnen zijn en wat de consequenties daarvan zijn voor de samenleving.

 

Wat vind je van het gezinsbeleid tot nu toe?

Allereerst: dat er zo’n enorme beweging is gekomen in het denken over het belang van gezinnen voor de samenleving is al een enorme winst. Die zou er niet zijn als we niet hadden gehamerd op nieuw beleid vanuit een apart ministerie. Tegelijkertijd vind ik dat er nog heel veel is te doen. Er zijn belangrijke aanzetten als het gaat om het samenbrengen van de budgetten ter ondersteuning van de opvoeding van kinderen, maar daarin moeten verdere stappen worden gezet. Er is een belangrijke gezinsnota en tegelijkertijd zie je dat rond arbeid en zorg nog grote knelpunten bestaan. Bij een volgende kabinetsformatie moet er voortgebouwd worden op wat nu is neergelegd, maar dan met sterkere verbindingen met Sociale Zaken en Onderwijs.  

 

Wil je tot slot nog wat kwijt?

Ik hoop dat we de unieke positie die we op dit moment hebben, benutten voor verdere groei van de ChristenUnie en ook voor de groei van de ChristenUnie als partij. De christelijk-sociale boodschap, zoals ik die zojuist heb vertolkt, spreekt niet alleen over actief burgerschap en gemeenschapsvorming, maar vraagt ook om mensen die dat zelf uitdragen en doen. Mensen die op het lokale vlak de verbindingen tot stand brengen, schakelen met kerken, maatschappelijke organisaties, wijk- en buurtteams. Er zijn veel nieuwe initiatieven – denk bijvoorbeeld aan Present -, maar de ChristenUnie zou de politieke kant van dit lokale burgerschap moeten behartigen. Daar liggen kansen om te groeien als basispartij. 

           

 

KADER

Prof.dr. Roel Kuiper is bijzonder hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit, directeur van het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken aan de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle en lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie.