Plastic soep

Bijna goddelijk

 

Door Herman Sietsma, hoofdredacteur Denkwijzer

 

Midden in de Stille Oceaan drijft een enorme afvalberg van plastic, met een oppervlakte van misschien wel tweemaal de Verenigde Staten. De berg bestaat uit plastic flessen, afvalzakken,  kunststof visgerei en wat niet al. Deze drijvende vuilnisbelt werd een aantal jaren geleden ‘ontdekt’  maar krijgt geleidelijk meer maatschappelijke en politieke aandacht, in Nederland onder andere door Greenpeace en het recent verschenen boek Plastic soep van Jesse Goossens.

 

Plastic tijdbom

Deze aandacht is niet zonder reden, want het plastic breekt heel langzaam af en kleine deeltjes komen terecht in zeedieren; onderzoek bij zeevogels heeft aangetoond dat ze bijna allemaal plastic in hun maag hebben. Miljoenen zeedieren sterven; in delen van de oceaan is meer plastic dan plankton te vinden. Ook bevat het afval allerlei schadelijke stoffen zoals weekmakers en resten van bestrijdingsmiddelen. Hier ligt het begin van een crisis in de voedselketen.

Er gebeurt weinig om het probleem aan te pakken. Technisch is het gecompliceerd, je zou het zeewater moeten gaan zeven en zelfs dan zijn de kleinste deeltjes waarschijnlijk niet af te vangen. Maar zoals vaak is het vooral ook een financieel en politiek probleem: wie moet dit betalen? De EU verwijst vooral naar de landen die aan de oceaan grenzen. De VN-milieuorganisatie UNEP heeft een onderzoeksschip gestuurd. Minister Cramer heeft gezegd dat ze veel aandacht wil geven aan preventie van het dumpen van dit plastic afval. Dit alles is correct en voorspelbaar, maar daarmee is er nog geen oplossing.

 

Techniek als oplossing?

Onlangs hoorde ik op de radio een trotse wetenschapper spreken over de stand van het DNA-onderzoek en de manier waarop de mens in staat is nieuwe levensvormen te componeren. Deze kennis is goed bruikbaar bij het terugdringen van ziektes, maar haar voldoening over de wetenschappelijke prestatie was overheersend. Ook op andere terreinen zien we topprestaties; zo is er een groot geloof in de techniek als oplossing voor de ecologische crisis. 

Maar hoe logisch is het dat we aan de DNA-code durven te komen als we tegelijkertijd het leven in de oceaan vernietigen? Hoe lang kunnen we doorgaan met ruimtevaartprogramma’s als we de gevolgen niet overzien? De meest ongerepte gebieden, waar zogezegd de hand van de Schepper nog het meeste zichtbaar is - de ruimte, Antarctica, de oceanen imalaya,- zijn inmiddels herkenbaar aan de sporen van onze ‘beschaving’; ruimteschroot, afval en plastic, dat in de keten van de toekomst is gebracht.

 

Bijna is niet helemaal

Psalm 8 zegt niet zonder reden dat de mens bijna goddelijk gemaakt is. Maar bijna betekent hier niet 99%; er is en blijft een blijft een radicaal verschil tussen Schepper en schepsel.  In wetenschappelijke en technische ontwikkeling staat namelijk veelal meer de mens centraal dan de Schepper. In combinatie met het gegeven dat de mens bijna goddelijk is leidt dat tot een even riskante als kansrijke propositie. Politiek gesproken moet deze leiden tot een kritische houding tegenover het sleutelen aan de schepping en meer in het algemeen tegenover wetenschappelijke en technische ontwikkeling die niet genormeerd is door haar gerichtheid op de Schepper. En daarbij hoort vanzelfsprekend een uiterste inspanning om de vernietigende kracht van  ‘uitvindingen’ uit het verleden op te heffen. Als dat lukt zou er iets zichtbaar worden van het bijna goddelijke.