Ja en nee tegen het NEV

Ja en nee tegen het NEV

 

Pieter Jongeling en de politieke samenwerking met net iets andersdenkenden

 

Door Herman Veenhof

 

Het dossier waarin Pieter Jongeling (lid van de Tweede Kamer voor het Gereformeerd Politiek Verbond van 1963 tot 1977) het meest opschoof, denken zijn politieke nabestaanden, was dat van ‘politieke samenwerking’. Daarbij ging het om aanverwante christelijke groeperingen, het NEV, de RPF en de SGP. Maar veranderde Jongeling wel echt van mening?

 

Als partijleider moest hij zich op de vlakte houden, om alle kikkers in de kruiwagen van het GPV te houden. Na zijn politieke pensioen uitte hij zich vrijer. Maar de belijdenis en de kerk bleven voor hem ook in de partij centraal staan. Jongeling ging het letterlijk aan zijn hart. Hij wilde zijn vrijgemaakte broeders behouden, maar zijn christelijke sympathisanten niet kwijt. In een vrijgemaakte cultuur van ‘alles of niets’ ging dat echter niet. De niet-vrijgemaakten drongen niet door tot het bestuur of de kandidatenlijsten van het GPV. Ze bleven ‘waterputters en houthakkers’.[1] En waar gehakt wordt, vallen spaanders.

 

Tussen rekkelijk en radicaal

Op 22 januari 1966 werd in het Amersfoortse hotel Monopole het Nationaal Evangelisch Verband (NEV) opgericht. Het NEV was een bundeling van mensen die het GPV wilde steunen, maar geen lid konden worden omdat ze niet vrijgemaakt gereformeerd waren. Het NEV werd op touw gezet door Johan Mekkes en de Leeuwarder accountant P. Siebesma, in overleg met het latere GPV-Kamerlid Bart Verbrugh.[2]

Hoewel het NEV getalsmatig niet veel voorstelde, wekte ze de indruk stemmen te kunnen weghalen bij de ARP, waar veel verontruste kiezers vonden dat de partij te links werd, de overheid een te grote rol gaf en ten onrechte overstag was gegaan in de kwestie Nieuw Guinea.[3]

Een groepering als het NEV leek een zegen in politiek en electoraal opzicht; zo kon de kerkkwestie worden omzeild. Maar het NEV bleek juist kerkelijk gezien problemen te geven. In 1970 werd de interne strijd door een aantal brochures publiek en acuut. In 1972 kwam de zaak tot een uitbarsting, brak het NEV met het GPV en andersom. Het GPV raakte door de verwikkelingen in een crisis en de NEV’ers zochten met de Gespreksgroep AR-Gezinden, het deels uit Arjos losgeweekte Reformatorisch Politiek Jongeren Contact en andere rechtse en evangelische elementen een nieuw politiek onderkomen; dat werd de begin 1975 opgerichte Reformatorische Politieke Federatie (RPF). Pas een kwart eeuw later zouden RPF en GPV samengaan in ChristenUnie.

 

‘Jongeling wilde verder gaan’

Als politiek leider van het GPV zat Jongeling enorm met de kwestie rondom de NEV en meer in het algemeen met politieke samenwerking. Dat kwam vooral neer op het wel of niet aangaan van ‘lijstineenschuiving’ met NEV en ‘lijstverbinding’ met SGP en later RPF.

Met opzet nam Jongeling in de materie nooit radicale standpunten in. Hij was tegen het kerkelijk ’sluiten’ van het GPV, verwelkomde elke stem van buiten de kerkelijke broederschap, maar was meer dan Verbrugh beducht voor zijn achterban; hij wist hoe GPV-bestuurder Van der Jagt, maar vooral de vanaf 1968 brochures schrijvende predikanten als Joh. Francke en Piet van Gurp dachten over samenwerking; die beschouwden ze als breekijzer naar het ‘opengooien’ van de partij.[4]

Er zijn echter twee aanwijzingen dat Jongeling politiek en in zijn hart ruimer dacht dan hij als partijleider publiek kon uiten: ten eerste zeggen mensen die hem kenden unisono dat ‘Jongeling wel verder wilde gaan’, maar dat uit tactische motieven niet deed: liever wat kleiner als eenheidspartij dan een onzekere winst met een scheuring als dreigend gevaar. Van Haeften, Van Middelkoop en zoon Herman Jongeling staan achter die opvatting. Een tweede clue is zijn ‘opschuiven’ inzake ‘politieke samenwerking’. Die is te volgen langs twee lijnen: zijn opstelling binnen de partij ten opzichte van het NEV en de artikelen die hij – spaarzaam – over de kwestie schreef in het Nederlands Dagblad.

Jongeling hield zich op de vlakte, maar steunde de Uitgebreide Centrale Richtlijnencommissie (UCRLC) van zijn partij. Die produceerde – met Jongeling als co-auteur – in juni 1970 het rapport Zelfstandigheid en samenwerking in de politiek. De essentie was dat er onderscheid werd gemaakt tussen burgerlijke, politieke samenwerking en kerkelijk samenleven. De NEV hoorde bij de eerste categorie, dus dat mocht.[5]

 

‘Geen steek beter dan anderen!’

Jongeling moest kool en geit sparen, blijkt uit zijn correspondentie. Hij krijgt brieven van GPV-radicalen die hij moet appaiseren en van NEV’ers die meer willen; die moet hij tevreden stellen zonder ze het gevoel te geven dat ze met een kluitje in het riet worden gestuurd. Opmerkelijk is dat Jongeling bij al zijn ‘kerkbesef’ nooit een absoluut isgelijkteken plaatste tussen het GPV en de gereformeerd vrijgemaakte kerk. De deur stond via de plaatselijke kiesvereniging immers altijd op een piepklein kiertje.

In dat late voorjaar van 1971, als duidelijk wordt dat het vraagstuk van politieke samenwerking kerkelijk zal worden, wordt Jongeling geïnterviewd door Rik Valkenburg, voor zijn boek dat in november uitkomt. Jongeling klemt zich vast aan het formele standpunt: wel samenwerking, maar geen invloed van het NEV in het GPV. Toch zet hij de deur ook open. Duidelijk is hij niet, kennelijk is de zaak in beweging, in zijn hart en in de partij.

“Wij zijn geen steek beter dan anderen. Wij zijn geen elitepartij! We willen wel samenwerking met anderen die zeggen: die politiek is de goede lijn. Zo werken we samen met het Nationaal Evangelisch Verband. Zij vormen een geheel zelfstandige organisatie. Zij kunnen zich apart op gaan stellen of naast ons gaan staan. Kiezen ze voor het laatste, dan kunnen we met hen gaan praten over hun vertegenwoordiging. Evenwel, de zekerheid moet er zijn, dat de partij niet geïnfiltreerd wordt!”[6]

Jongeling bemoeit zich bewust maar zijdelings met de samenwerkingsdiscussie. Hij houdt lang vol, nog in een brief op 19 januari 1972, dat ‘de verstandhouding tussen beide organisaties bijzonder goed is’. Er is geen sprake van dat ‘wij onze niet tot het GPV behorende kiezers zouden willen afstoten’.

Het baat niet, op 4 maart 1972 serveert de jaarvergadering van het GPV de opstandige ‘houthakkers en waterputters’ af. Er komt geen lijstineenschuiving en lijstverbinding wordt op de lange baan geschoven. Precies in die week verschijnt een nieuwe brochure van ds. Francke, Het Gereformeerd Politiek Verbond in de crisis.[7] Op 7 maart 1972 stapt hij samen met ds. Van Gurp uit de partij. Trouw gooit er een snerend verhaal overheen en zo wordt de crisis acuut.

GPV’er Van der Jagt wil direct kappen met het NEV, Verbrugh vindt het uittreden der predikanten geen punt. Het NEV zelf versnelt het uiteendrijven van de twee politieke bloedgroepen door tijdens een jaarvergadering op 29 april de samenwerkingswens uit te breiden naar de SGP en individuele leden van de ARP en CHU (het ‘voorstel-Dronten’).[8]

Daarmee valt ook voor gematigde GPV’ers – waaronder Jongeling – de deur dicht. De partijgelederen sluiten zich en accepteren het isolement en het afzien van groei door niet-vrijgemaakte aanwas. Verbrugh kiest daarna eieren voor zijn geld en op 6 mei 1972 breekt het GPV formeel met de NEV, door op grond van de nieuwe koers van die club de samenwerking te beëindigen.[9]

 

Verkering met twee meisjes

Van beide kanten verharden zich daarna de standpunten. Na de breuk tussen GPV en NEV in maart en mei 1972 beginnen de kerkelijke mechanismen pas echt te draaien. Kiesverenigingen die bestonden uit mensen die ‘buiten verband’ waren geraakt, werden geroyeerd, zoals Wezep en Voorthuizen, nota bene tijdens het zilveren jubileum van de partij, in De Doelen op 30 maart 1973.

Voor de christelijke media was dat prijsschieten. Naast Trouw leverde nu ook het Reformatorisch Dagblad zure commentaren over zichzelf in de voet schietende vrijgemaakte radicalen; in het Nederlands Dagblad laaide de discussie alleen op tegen de tijd dat er vergaderingen waren.

Het Friesch Dagblad ziet een tegenstelling tussen het royement in Rotterdam en het citaat dat de krant op 23 november 1972 optekende vanuit een ‘bomvolle’ Noorderkerk in Leeuwarden. Daar zou Jongeling hebben gezegd dat de plaatselijke kiesvereniging beslist of iemand lid kan worden van het GPV. Er is geen absoluut kerkelijk criterium, maar ‘er moet wel voldoende gereformeerde overeenstemming zijn. Een open partij zou betekenen dat we overstroomd worden en dat is gevaarlijk’.[10] Kortom, de Jongeling op verkiezingscampagne ziet het ruimer dan zijn eigen partij.

Jongeling schrijft – een actie die hij zelden onderneemt – een ingezonden, waarin hij rept van de autonomie van de plaatselijke kiesvereniging, maar het royement verdedigt, omdat er in de kiesverenigingen ‘geen vertrouwen meer bestond dat er basis voor samenwerking was’. Niet het kerklidmaatschap van individuen, maar het loslaten van de belijdenis door de hele club was de reden. Daarom is hij niet ‘oneerlijk geweest’.[11]

Jongeling ontkent bij wederhoor dat het ethisch conflict van de jaren veertig is herleefd. Maar hij wil vasthouden aan de ‘Schrift en de Belijdenis der Kerk’. “We willen een strakke regel en zullen dan geval voor geval bekijken.” Hij hekelt de contacten van het NEV met ARP en SGP. ,,Je mag toch niet met twee meisjes tegelijk verloofd zijn? In feite heeft het NEV het bondgenootschap opgezegd.’’[12]

 

In het isolement…

Jongeling was bezig met zijn laatste termijn in de Kamer toen zijn partij zich steeds dieper in het isolement begaf. Gedurende de periode 1972-1981 verkeerde het GPV – niet eens roepende – in de politieke woestijn. Jongeling hield zich afzijdig van de samenwerkingsdiscussie. Hij had er geen tijd voor en ook geen zin meer in. Bovendien werden zijn woorden als boegbeeld op een goudschaaltje gewogen.

De toon van Jongeling over politieke samenwerking met iets andersdenkenden wordt na zijn politiek afscheid in 1977 milder. Dat is enerzijds te danken aan zijn ervaringen in de Kamer, anderzijds aan de omslag in het GPV, waar de kerkelijk centralisten het al meer verloren van de praktische, beter geschoolde politici, die op lokaal en provinciaal vlak al ruime ervaring hadden met lijstverbinding en lijstineenschuiving.

“Het aanvaarden van leden is een zaak van de kiesverenigingen. Het is beslist niet zo dat iemand die niet vrijgemaakt is geen lid kan worden. Iemand die christelijk-gereformeerd is en dicht bij ons staat kan echt wel aanvaard worden. Ik ken gevallen van synodaal-gereformeerden die lid zijn en zelfs een baptist die in zijn eentje in een dorp de hele verkiezingscampagne voor ons deed. Maar ik geef toe: dat blijven uitzonderingen.”[13]

 

De ommekeer van 1981

‘Politieke samenwerking’ dreigde een kwestie te worden die binnen het GPV als eeuwige splijtzwam zou fungeren. Daarom schreef de Kamper hoogleraar Trimp in augustus 1979 het artikel ‘Een Gereformeerd, maar ook een Politiek Verbond’ in De Reformatie. Hij brak een lans voor samenwerking en stelde nog eens dat een partij iets anders is dan een kerk, hoezeer ook voor beiden een confessionele grondslag gold.

Zijn inzet hielp niets, de aanloop naar de verkiezingen van 1981 leidde tot hernieuwd gekissebis met de RPF. Op 26 mei kwamen Meindert Leerling en Aad Wagenaar met zijn tweeën in de Tweede Kamer, voor de RPF. Het GPV keek op zijn neus. De verkiezingsuitslag bewerkte een ommekeer, waarbij de kerkelijke hardliners het onderspit dolven.

Op 27 juni 1981 verscheen er in het Nederlands Dagblad een paginagrote ‘Verklaring’ met 77 handtekeningen van bekende vrijgemaakten; de kar werd getrokken door Douma. In een bijna cynisch betoog stelde hij dat als men zo doorging het GPV zou beroven van parlementaire vertegenwoordiging. Douma c.s. hadden hun stem nog wel aan het GPV gegeven, maar ‘zonder enig enthousiasme’.[14]

Op een zeer druk bezochte vergadering van het GPV werd met 101 tegen 99 stemmen, de minimale meerderheid, het ‘voorstel-Barneveld’ (een motie van een kiesvereniging) aanvaard: bij voorkeur zelfstandig deelnemen aan verkiezingen, maar als het niet anders kan met lijstverbinding, zij het ‘voorzichtig en zorgvuldig’.

Jongeling bemoeit zich niet met de discussie over samenwerking in zijn partij, die nu gaat over de RPF en de SGP. Als in september 1981 de kogel door de kerk is, is hij enerzijds opgelucht, maar slaat hij ook piketpaaltjes; de belijdenis moet wel serieus worden blijven genomen in het GPV.

Dat blijkt uit gesprekken met de ND-journalisten Henk Hoksbergen en Peter Bergwerff, in 1981 en 1983. Hij schaamt zich – misschien wel met terugwerkende kracht – een beetje voor de toon van de hoogkerkelijken binnen zijn partij. “Ik heb wel met veel zorg de discussie over de zaak van de lijstineenschuiving gevolgd. Ik heb mij soms ook wel eens een beetje geschaamd over de manier waarop sommigen per ingezonden stuk in de krant met elkaar omgingen. Men mag niet mensen bij voorbaat in een verdachte hoek zetten, zoals in sommige ingezonden stukken gebeurde.”[15]

 

Invloed uitoefenen als doel

Een dik jaar later is samenwerking aan de gang en blijkt het GPV niet te exploderen. Jongeling kiest voor technisch pragmatisme, maar wel op basis van voortgeschreden inzicht. “Sommigen zeggen: dan moeten we maar liever klein blijven. Daar ben ik het niet mee eens. Het gaat er niet om een grote partij te worden of juist om klein te blijven. Het gaat erom dat je probeert invloed uit te oefenen op het waarachtige landsbelang. Je kunt niet bij voorbaat zeggen: de Here wil niet dat dit gebeurt. Ik zeg niet dat dit technische middel nooit mag worden toegepast. Ter wille van de zaak kun je wel een eindje met elkaar mee gaan. We kunnen elkaar samen bij een brand emmers water aanreiken.”[16]

 

 

Kader

Piet Jongeling (1909-1985) was van 1948 tot 1974 hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad (vroeger het Gereformeerd Gezinsblad) en zat van 1963 tot 1977 in de Tweede Kamer voor het GPV. Veel bekender werd hij onder het pseudoniem Piet Prins, als auteur van ruim zestig jeugdboeken. Zijn schepping Snuf de hond werd verfilmd in het jaar dat vooraf ging aan zijn honderdste geboortedag, op 31 maart 2009. Ter gelegenheid daarvan verscheen een biografie:

Zonder twijfel. Piet Jongeling (1909-1985). Journalist, politicus en Prins

Herman Veenhof (De Vuurbaak, Barneveld) 2009. 432 blz., €24,90.

Herman Veenhof is historicus en als journalist werkzaam bij het Nederlands Dagblad.



[1] Verbrugh, A.J. Jong zijn en Oud worden. Scheppende leiding in een periode vanaf ca. 1920. (Amsterdam 2002), 199

[2] J.P.A. Mekkes (1898-1987) was officier bij de landmacht, werkte voor inlichtingendiensten en was hoogleraar Calvinistische wijsbegeerte (nu: Reformatorische wijsbegeerte) aan de Rijksuniversiteit Leiden en de Hogere Economische School in Rotterdam.

[3] Het NEV zou nooit meer dan driehonderd leden krijgen en het aantal abonnementen op het maandblad Staat en Evangelie stokte bij 701.

[4] “Zij voerden de stroming aan die ‘het politieke leven van het GPV geheel tot de eigen kerkelijke gelederen wilde beperken”. Siebesma werd tijdens een GPV-vergadering in Leeuwarden op de schouder getikt: ”Ik heb u gemist, zondag”. Verbrugh, 210

[5] De tegenstand tegen het aangaan van hechtere banden met het NEV nam toe met het optreden van de staatsrechtdeskundige F. Th. Kalberg en de brochure van Van Gurp: Het GPV op de tweesprong. Samenwerking of broederschap?. Die stelde in september 1970 dat in het Koninkrijk Gods de macht van het getal niet moest worden gezocht. Jongelings schoonzoon Jurn de Vries (actief bij GPV en ND) antwoordde dat zoiets in het Koninkrijk der Nederlanden toch wel degelijk het geval was.

[6] Valkenburg, R., Jongeling ten voeten uit (Wageningen 1971), 104 en 158

[7] De brochure was geweigerd door De Reformatie. Prof. J. Kamphuis was een heel klein beetje voor politieke samenwerking. Verbrugh, 222

[8] Mekkes noemde dat voorstel de ‘Zuiderzee-revolutie’. Siebesma trad af en Verbrugh noemde het staande de vergadering als gast een ‘noodlottig besluit’. Siebesma had nooit kritiek geuit op het kerkelijk lidmaatschapscriterium van het GPV. ,,Bij openstelling zou het hele GPV ineenstorten.’’ Leeuwarder Courant, 11 mei 1970

[9] Jagt, J. van der, H. Timmermans en A.J. Verbrugh (red.), Gedenkboek GPV 1948-1988 (Amersfoort 1988), 111-113

[10] Friesch Dagblad, 3 april 1973

[11] Jongeling aan redactie FD, 7 april 1973

[12] Trouw, 31 maart 1973

[13] Trouw, 4 juni 1977

[14] “Men kan zich afvragen wat zij de volgende keer gaan doen… Wie zou menen dat de ene zetel die wij behielden toch wel vrij stevig staat, omdat wij met vereende krachten uit eigen kring de kiesdeler ook bij een volgende gelegenheid moeten kunnen halen, kan zich licht vergissen.”

[15] Nederlands Dagblad, 30 september 1981

[16] Bergwerff P.A., en Tj.S. de Vries, Geroepen en gegaan. In gesprek met P. Jongeling (Groningen 1983), 79-85