Gods soevereiniteit in de Grondwet

Gods soevereiniteit in de Grondwet

 

Door Peter Boswijk

 

De Uniefundering van de ChristenUnie “erkent Gods heerschappij over het staatkundig leven, dat de overheid door God is gegeven en in Zijn dienst staat.” Hierin wordt Gods soevereiniteit beleden. Het woord soevereiniteit[1] duidt gewoonlijk het hoogste staatsgezag (wetgevend, rechtsprekend en uitvoerend) aan op een grondgebied. Daarnaast kan het ook de bron en de legitimatie van het overheidsgezag aanduiden. In dit nummer spreken wij over de Grondwet, die samen met de ongeschreven staatsrechtelijke regels, het hart van onze staatsinrichting vormt. Deze staat, door het aanstellen van een nieuwe staatscommissie, weer in de aandacht.[2]

 

Het is makkelijker over Gods soevereiniteit te spreken dan te bepalen welke consequenties dit heeft voor de Grondwet. Het idee van de volksoevereiniteit is zo algemeen geaccepteerd dat wij geneigd zijn om haar vruchten als gegeven te beschouwen en te kleden in een ons aangenaam christelijk gewaad. Het is daarom geen overbodige luxe na te gaan wat wij bedoelen met Gods soevereiniteit en welke staatkundige gevolgen deze opvatting heeft (par. 2). Deze positie wordt hier afgezet tegen de volkssoevereiniteit als de andere legitimatie van het overheidsgezag (par. 3).[3] Daarna zal worden ingegaan op twee onderwerpen in de parlementaire geschiedenis waar deze twee legitimaties een rol hebben gespeeld (par. 4). Tenslotte nemen we de balans op (par. 5).

 

1. Gods soevereiniteit: het droit Divin

 

Gods soevereiniteit in de Bijbel

Met het begrip ‘Gods soevereiniteit’ wordt de opvatting aangeduid dat God de bron is van alle gezagsuitoefening op aarde. Zo getuigt de Heilige Schrift: ‘God is Koning over de hele aarde’[4] en ‘de aarde is van de Heere en al wat ze bevat, de wereld en wie er wonen.’[5] In staatsrechtelijke termen: God heeft zowel territoriale als personele soevereiniteit over de hele aarde. Hij is daarin ‘Rechter, Wetgever en Koning.’[6]

Deze soevereiniteit over de menselijke samenleving oefent Hij echter niet direct maar indirect uit.[7] Als Soeverein stelt Hij een orde in de wereld, waarin sommigen hoofdschap hebben en met Zijn gezag zijn bekleed. Op deze wijze bezit Hij alle naties en stelt Hij de koningen van de volken aan om te regeren.[8] Hij zalft ze en werpt ze neer, naar de raad van Zijn wil. Daarom worden zij in de Schrift ook goden genoemd, in wier vergadering God staat.[9] Zij regeren voor Hem als gezalfden van de Heer en staan in Zijn dienst. Het getuigenis van de apostelen van de Heer is eenduidig dat ‘de machten die er zijn, door God zijn ingesteld,’ dat de overheid ‘Gods dienares’ is en wij ons daarom onder ‘de koning als hoogste machthebber’ moeten schikken.[10]

Ons is geopenbaard dat Christus, als mens, de soevereiniteit is opgedragen, die Hij als Koning der koningen in een toekomstig universeel koninkrijk zal uitoefenen, ‘want Hij moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd.’[11] Daarom klinkt nu reeds tot alle aardse gezagsdragers de oproep: ‘Nu dan, koningen, handel verstandig! Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt.’[12] Erken Hem als Soeverein!

 

Het staatsrecht

Deze leer van Gods soevereiniteit is vol betekenis voor het maatschappelijke leven. Als een God van orde heeft Hij een vaste orde gesteld in de maatschappij. Daarin bestaan verschillende ordeningen, die onder hoofdschap (gezagsdragers) verenigd zijn. Dit gezag behoort zich daarom aan Gods wil te onderwerpen. In het staatsrecht is deze leer ook wel aangeduid als het droit divin, het goddelijk recht. De koning heeft als staatshoofd[13] een direct van God afgeleide soevereiniteit en is alleen tegenover God daarvoor verantwoording schuldig. Hij regeert bij de gratie Gods.

Trouwe staatsmannen hebben deze leer willen beschermen tegen bespotting en gelijkstelling aan absolutisme en willekeur.[14] Het droit divin is namelijk niet alleen de legitimatie, maar ook de begrenzing van het gezag. De koning of overheid is niet de enige ordening van God. Het huwelijk en het gezin[15] vormen een nog oudere goddelijke instelling en de gezagsdragers (hoofden) daarvan hebben evenzeer een droit divin.[16]

Het doel van het gezag is de zegen te geven die tot het desbetreffende hoofdschap behoort. De bijzondere zegen die de koning, bij de gratie Gods, geroepen is te bedienen, is het dienen van de publieke gerechtigheid.[17] Dit doet hij door de gemeenschap te beschermen, de orde en gezamenlijk gemaakte wet te handhaven, boosdoeners te straffen, op te treden tegen misbruik van gezag, en zich te ontfermen over degenen die zijn beroofd van hun door God gegeven hoofden, de weduwen en wezen. Hij hoeft daarin niet neutraal te zijn, maar moet het hoofdschap van anderen eren, want uiteindelijk is hij de garantie van eenieders droit divin.

Deze door God gegeven orde is de kern van een christelijke maatschappijvisie. Zonder deze orde valt de samenleving uit elkaar in individuen.[18] Binnen deze orde bestaat gelijkwaardigheid tussen mensen als beelddragers van God, maar ongelijkheid naar hun positie als man of vrouw, meester of knecht, oud of jong, etc. De Grondwet is hier een verbond tussen vorst en volk. De volksvertegenwoordiging vertegenwoordigt en verdedigt de belangen van de burgers.[19]  Zo heeft het invloed bij de koning en vormen zij samen de wetgever. De koning is daarom onafhankelijk van de (vertegenwoordigde) burgers in het uitoefenen van zijn opdracht. Hierdoor ontstaat er dualisme tussen vorst en volk(svertegenwoordiging). Het grootste gevaar in deze orde is elke uitoefening van gezag en elk handelen die niet hun oorsprong en uitoefening vinden in de gegeven orde.

 

2. Volkssoevereiniteit

 

Het maatschappelijk verdrag

Als droit divin betekent dat de bron van het overheidsgezag in Gods ordening ligt, dan ligt bij de volkssoevereiniteit de bron van het overheidsgezag in het volk. Deze weergave is echter niet geheel juist. De volkssoevereiniteit is namelijk causaal verbonden met de positie van de mens als autonoom individu, dat wil zeggen die zichzelf de wet voorschrijft.[20] In deze opvatting is deze autonome mens van nature onbevlekt en moet hij in zijn streven naar zelfontplooiing niet belemmerd worden. Orde, gezag en ongelijkheid worden gezien als iets onnatuurlijks en kwaadaardigs, omdat zij het individu beperken.[21] De enige rechtvaardiging voor beperkingen kan in de mens zelf liggen, die door middel van een maatschappelijke overeenkomst hiermee heeft ingestemd. Op deze manier wordt de volkssoevereiniteitgeboren. De twee politieke loten aan deze stam, liberalisme en socialisme, verschillen alleen in de mate en het doel van de soevereiniteitsoverdracht. In onze dagen staan zij verenigd voor ons in het sociaal-democratisch denken dat de ideologische grondslag is van nagenoeg het gehele politieke landschap.[22]

 

Staatsrecht

Volkssoevereiniteit wordt onmiddellijk gekoppeld aan democratie.[23] Het woord democratie betekent ook ‘het volk regeert.’ Elk gezag moet zijn legitimatie ontlenen aan het zelfbeschikkingsrecht van de autonome mens. Als gevolg daarvan is er alleen het individu en het volk. Het volk en het staatsgezag vallen dan samen. Dit leidt tot een monistische praktijk. Directe democratie past daarom het beste bij volkssoevereiniteit. Men erkent dan ook dat om praktische redenen gekozen wordt voor een representatieve democratie. De kernwaarde van de volkssoevereiniteitis de gelijkheid van de autonome mens. Het doel van het gezag is het garanderen en bevorderen van de zelfontplooiing en emancipatie van de autonome mens. De grens van het gezag is de autonome mens. De grootste gevaren zijn mensen die deze autonomie ontkennen en structuren die dit belemmeren

De gelijkheid van de autonome mens gaat als een bulldozer over de door God gestelde orde heen. Abraham Kuyper definieerde de leer als volgt: “Het ni Dieu ni maître[24] is hier het eerste artikel der belijdenis van het meest volstrekte ongeloof. God in zijn vrijmacht wordt onttroond, en de mens met zijn vrije wil op de troon geplaatst. ’s Mensen wil beschikt. ’s Mensen welbehagen beslist. Alle macht, alle gezag gaat van de mens uit. Zo komt men van de enkele mens op de vele mensen, en in die vele mensen als volk genomen schuilt dan de diepste bron van alle soevereiniteit. (…) Een volkssoevereiniteit alzo, die met Godloochening volkomen gelijk staat.”[25]

 

3. Gods soevereiniteit en volkssoevereiniteit en de Nederlandse Grondwet

 

Wanneer wij de huidige Grondwet overzien zullen wij geen woord vinden over volkssoevereiniteit of droit divin als legitimatie van het overheidsgezag.[26] De begrippen Gods soevereiniteit of volkssoevereiniteit zijn in de parlementaire geschiedenis wel van belang geweest voor een breed scala van onderwerpen, waarvan wij hier de inhoud van een preambule en het dualistische stelsel behandelen.

 

De preambule

Een preambule kan verwijzen naar de geschiedenis, waarden of de grondslag van het overheidsgezag.[27] Nederland kent al heel lang geen preambule.[28] De christelijke fracties hebben regelmatig een preambule willen opnemen waarin God wordt erkend als de grondslag van het overheidsgezag. Het onderwerp kwam expliciet naar voren bij de behandeling van de Grondwetswijziging van 1983. De kleine christelijke partijen (SGP, GPV en RPF) gaven daarin een krachtig pleidooi voor een dergelijke preambule.

De heer van Rossum (SGP) vond dat de Grondwet door het ontbreken van een dergelijke preambule ‘nu geen verweer biedt tegen aanslagen in naam van de volkssouvereiniteit.’ Volgens de heer Leerling (RPF) was het droit divin niet afhankelijk van veranderde meningen van mensen. ‘Je wordt ook in dezen gedwongen een keus te maken. Laten we dan het beste kiezen wat er is: onze wetten afstemmen op die van de Heere God en de volkssoevereiniteit in al haar consequenties afwijzen.’ De heer Schutte (GPV) meende eveneens ‘dat met name het ontbreken van een richtinggevend inleidend artikel kan wijzen in de richting van de volkssoevereiniteit.’

De Regering wees deze verzoeken af. De Minister verwees daarbij naar de maatschappelijke verscheidenheid en stelde dat een preambule van deze soort niet past bij het gelijkheidsbeginsel in artikel 1 van de Grondwet.[29] Volgens hem was het gelijkheidsbeginsel ‘de vlag van de Grondwet.’

Christelijke partijen hoeven ook thans niet te verwachten dat een preambule een verwijzing naar het droit divin zal bevatten. De Minister heeft dit duidelijk aangegeven.[30] De enige wijze waarop Minister ter Horst Gods heilige Naam gebruikte was in misbruik. De kern van de volkssoevereiniteit, het autonome individu, is, in de vorm van artikel 1, de ‘vlag’ en werkelijke preambule van de Grondwet geworden. Dit is de dragende waarde van onze samenleving. De ChristenUnie wil een preambule die uitdrukking geeft aan ‘de historische identiteit en de dragende waarden van de Nederlandse samenleving.’[31] Waarom? De erkenning van Gods soevereiniteit is thans geschiedenis en gelijkheid, zelfbeschikking en volkssoevereiniteit zijn nu dragende waarden. Een dergelijke preambule is een openlijke belijdenis van volkssoevereiniteit.

 

Het dualistische stelsel

Wij hebben gezien dat dualisme tussen koning en volk(svertegenwoordiging) een uitdrukking vormt van het droit divin. De volkssoevereiniteit heeft dit dualistische stelsel ondermijnd, door het uithollen van de positie van de Koning en democratisering.

Regelmatig hebben de christelijke fracties op de bres gestaan voor de positie van de Koning, in het bijzonder bij de Grondwetsherziening van 1983.[32] Het hoofdschap van de Koning werd op allerlei manieren aangetast. Zo verloor hij onder andere het hoofdschap over de regering, de uitvoerende macht, het opperbestuur over de buitenlandse betrekkingen, het benoemingsrecht van de voorzitters van de kamers en ook de rechtspraak hoefde niet meer in zijn naam te geschieden. De heer Schutte kon daarom het verbond tussen vorst en volk niet meer in de Grondwet terugvinden. De RPF-fractie twijfelde of de Grondwet zo voldoende waarborg bevatte tegen een ondergraving van het dualistisch staatsbestel vanuit de volkssoevereiniteit. De regering achtte de Grondwet alleen dualistisch van opzet, en monistisch in praktijk. Dit vond, volgens de Minister, zijn grondslag in de volkssoevereiniteit, die louter staatsrechtelijk op democratie neerkwam. Op deze volkssoevereiniteit was het Nederlandse parlementaire stelsel gebouwd. Het volk, en geen andere macht, moest uiteindelijk zijn eigen bestemming bepalen.

Daartegenover zien wij democratisering. Naast de rol van het parlement en regeerakkoorden, de gekozen burgemeester, de gekozen minister-president, is dit vooral zichtbaar bij het referendum als directe democratie. Hier hebben de christelijke fracties zich echter niet geheel eenduidig geuit. Een voorbeeld is het debat over het referendum in 1993. Daarin keerde De RPF en de SGP zich tegen het referendum, omdat dit een uitdrukking zou vormen van volkssoevereiniteit, terwijl de GPV zich een gematigd voorstander toonde. De heer Leerling en de heer Schutte hebben hier ook in het debat in de Kamer over gediscussieerd.[33] De heer Schutte achtte het een toelaatbare vorm van volksinvloed wanneer de wetgever alleen wordt teruggeroepen door een volksuitspraak omdat het volk dan zelf geen wet maakt.[34] De heer Leerling achtte elk referendum een uitdrukking van volkssoevereiniteit, omdat het volk dan uiteindelijk de beslissende stem heeft.

Buiten de vraag of een correctief referendum zou passen binnen het droit divin, is een bindende uitspraak over de wetgever (regering en Staten-Generaal) een oordeel over het onafhankelijke staatsgezag en niet alleen over de activiteit van de volksvertegenwoordiging. Het doorbreekt dus de dualiteit. Hieraan is onvoldoende aandacht besteed. Daarnaast moet worden erkend dat de achtergrond van het invoeren van een referendum thans gebaseerd is op volkssoevereiniteit.

 

4. Balans

Hierboven is een beeld geschetst van de wijze waarop Gods soevereiniteit en volkssoevereiniteit, als tegenovergestelde ideeën, doorwerken in het staatsbestel. Van het droit divin staan er alleen nog enkele muren, zoals de monarchie, bij de gratie Gods, en het duale stelsel. Maar het huis is vervuld met de geest en praktijk van de volkssoevereiniteit. Het gelijkheidsbeginsel vormt de erkenning ervan door de autonome mens centraal te stellen. Het is een samenspanning tegen de Heer en Zijn Gezalfde.

Gods soevereiniteit, zoals hier uitgewerkt,blijft echter een tijdloze waarheid. De huidige staat van de samenleving verandert daar niets aan. Thans is geen nieuw onderzoek of herformulering nodig, maar standvastige volharding in het volkomen geloven en nauwgezet leven van het droit divin en in het getuigen tegen de leugen van de autonome mens. Deze waarheid is ons door God toevertrouwd. Onze voorvaderen hebben haar verdedigd. Wij moeten nu over haar waken.

 

Mr. Peter Boswijk is als promovendus verbonden aan de Afdeling Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit Utrecht.

 

Samenvatting:

-         Gods soevereiniteit impliceert legitimatie en begrenzing van gezag.

-         Onze Grondwet spreekt  niet over droit divin of volkssoevereiniteit

-         Volkssoevereiniteit heeft het dualisme tussen overheid en burger ondermijnd.

 



[1] Het woord soevereiniteit komt van het Franse souverain, hetgeen afgeleid wordt van het Latijnse superanus of suprema potestas. In deze zin wordt het ook gebruikt door de apostel Petrus in 1Petr. 2:13.

[2] Kamerstukken II, 2007-2008, 31570, nr. 1 en 2. Daarnaast is er op dit moment ook een voorstel voor het invoeren van het correctief referendum door middel van een Grondwetswijziging Zie Kamerstukken II, 30174.

[3] Daarbij is dankbaar gebruik gemaakt van www.statengeneraaldigitaal.nl. Daarbij is alleen gekeken naar de documenten vanaf 1961.

[4] Ps. 47:8. Deze en andere tekstverwijzingen zijn genomen uit de Herziene Statenvertaling.

[5] Ps. 24:1, Ex 19:5; Ps. 50:12. Ook de apostel Paulus citeert de tekst instemmend in 1Kor 10:26.

[6] Jes. 33:22.

[7] Spr. 8:15. Alleen over Israël was Hij voor korte tijd direct Soeverein, als ‘Koning in Jesjurun’ Deut. 33:5.

[8] Ps. 82:8; Ps. 47:9; Dan 2:37; Ezra 1:3.

[9] Ps. 82:1.

[10] Rom. 13:1,4; 1Petr. 2:13.

[11] Opb. 19:16;1Kor. 15:25. ‘God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen (Luk. 1:32,33). Zie ook Ps. 2:6; Mat. 28:18; Ps. 72; Jes. 37:16; Dan. 7; Ps. 47:10.

[12] Ps. 2.

[13] Dit staatshoofd omvat alle gezagsuitoefening door de overheid. In het verdere verloop versta ik onder het begrip koning dus ook overheidsgezag.

[14] Zie in het bijzonder G. Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie (1849), Barneveld: Nederlands Dagblad 2008, pp. 62-68.

[15] Het individu heeft eveneens verantwoordelijkheid over zichzelf, maar omdat het niet gaat om een drager van gezag over anderen wordt het hier niet specifiek vermeld als drager van hoofdschap.

[16] Zie hierover A. Rouvoet, Reformatorische staatsvisie: de RPF en het ambt van de overheid, Nunspeet: Marnix van St. Aldegonde stichting 1992.

[17] Zie over dit begrip: A. Rouvout, Ibid., pp. 81-104

[18] Zie uitvoerig G. Groen van Prinsterer, Ibid., pp. 190-191.

[19] Functies als het controleren en beperken van de macht en het kenbaar geven van belangen, etc.: E. van Dijk, Ingekaderde en dienstbare macht, Denkwijzer, 2004, nr. 4, pp. 8-11.

[20] E. van Dijk, Verlichting en christelijke politiek, Kunst en wetenschap, 12e jaargang nr. 4, winter 2003/2004, pp.13-14.

[21] Zie uitvoerig over dit mensbeeld in het verlichtingsdenken en het anti-revolutionair (conservatief) denken A. Kinneging, Geografie van goed en kwaad, Utrecht: Spectrum 2005,p. 461 e.v.

[22] Grondlegger van dit denken is vooral het maatschappelijke contract van John Rawls in zijn A Theory of Justice.

[23] Zie alzo Minister van Thijn Handelingen 2de Kamer, 11 november 1981, en in Kamerstukken II, 1981-1982, 1983.

[24] Geen God, geen meester.

[25] A. Kuyper, Het Calvinisme, J.H. Kok: Kampen 1959, p. 70.

[26] Zo ook de Raad van State, zie Kamerstukken II, 2007-2008, 31570, nr. 3, p. 5.

[27] Zie ook de recente studie van P.B. Cliteur en W. Voermans, Preambules, Deventer: Kluwer 2009, bijlage bij 31570, nr. 10.

[28] Zie voor een korte beschrijving van de geschiedenis van de preambule het nader rapport van Raad van State, Kamerstukken II, 2007-2008, 31570, nr. 3, pp. 13-16.

[29] Handelingen Tweede Kamer, 11 november 1981, p. 282.

[30] Kamerstukken II, 2008-2009, 31570, nr. 6, p. 38. De enige wijze waarop Minister ter Horst Gods heilige Naam gebruikte was in misbruik. ‘Ik vroeg mij toen af hoe je in ***naam (!) een dermate geladen discussie kunt voeren over een preambule.’ Kamerstukken II, 2008-2009, 31570, nr. 9, p. 17.

[31]Zie het partijprogram. De Commissie Burger en Politiek heeft wel gepleit voor Gods soevereiniteit in een preambule, Burger en politiek Een kwestie van vertrouwen, Amersfoort 2006, p. 26.

[32] Handelingen 2de Kamer, 10 november 1981.

[33] Handelingen Tweede Kamer, 1 december 1993, p. 2431.

[34] Handelingen Tweede Kamer, 1 december 1993, p. 2403.