Waak voor nonpublic redeneren in winkeltijdendebat

Waak voor nonpublic redeneren in winkeltijdendebat 

Door Guido Terpstra

Op initiatief van de ChristenUnie willen Regering en Staten-Generaal de Winkeltijdenwet aanpassen. Insteek van de discussie is het tegengaan van misbruik van het ´toeristisch regime´. De fundamentele discussie luidt: heeft Nederland (nog) behoefte aan de hoofdregel van de Winkeltijdenwet, die stelt dat winkels op zondag gesloten dienen te zijn? In zijn artikel ´Nonpublic reasons en de koopzondag’[1]verwoordtMark Reijman twee fundamentele verwijten: de ChristenUnie zou (a) haar godsdienst aan anderen wil opdringen, en (b) haar ware motieven verbergen door verhullend te argumenteren. Dit laatste zou gebeuren door algemeen geaccepteerde argumenten zoals werknemersbelangen en winkeldiversiteit te gebruiken, terwijl ze ‘doorslaggevende’ of ‘eigenlijke’ beweegredenen verzwijgt; dit leidt tot het verwijt van slinksheid en onoprechtheid. Ik betoog in dit artikel tegen de achtergrond van het winkeltijdendebat dat achter beide verwijten een misvatting aangaande de aard van een christelijke ethiek schuilgaat. Dat vaststellende zal ik ook nagaan in hoeverre de ChristenUnie mogelijk zelf bijdraagt aan deze verkeerde perceptie door de buitenwacht, en waarom we dit moeten voorkomen.

 

Public of nonpublic argumenteren?

Mark Reijman gaat in zijn artikel in op een discussie afgelopen zomer naar aanleiding van het gebruik van public dan wel non-public argumentatie door de ChristenUnie in het embryodebat. Anders dan Herman Philipse[2] vindt liberaal Reijman dat ook religieus gefundeerde argumentatie in het publieke debat toegelaten moet worden. Voor alles dient de ChristenUnie verhullend argumenteren te voorkomen, want dit wekt wantrouwen en dat frustreert het doel van public reason: het bereiken van compromissen tussen partijen met verschillende referentiekaders.[3] Reijmans positie lijkt aantrekkelijk en komt zelfs tegemoet aan het pleidooi van Geert Jan Spijker[4]. Veel ChristenUnie-politici zullen wellicht uit de praktijk ook het getoonde ‘respect’ voor ‘onze zinbronnen’ herkennen. De ChristenUnie moet zich echter goed afvragen waarvoor haar debatpartners dan precies respect tonen. Wie goed leest, ziet dat Reijman de ‘zinbronnen van de ChristenUnie’ toestaat, maar ze niettemin onzinnige argumenten vindt.  Het ´respect´ komt me dan voor als dank voor de bevestiging dat onze argumentatie alleen voor onszelf relevant is.

 

Winkeltijdenwet en ‘the public good’

Reijman gaat er vanuit dat het ‘gebod tot zondagsrust’ het eigenlijke motief van de ChristenUnie is; overige argumentatie, zoals het belang van werknemers en ‘kleine’ zelfstandige winkeliers zou verhullend en onoprecht zijn. Ik herken deze taxatie uit de debatten die ik als raadslid in Leiden over de zondagsopenstelling heb gevoerd. Ik vind echter dat de ChristenUnie van deze beeldvorming krachtig afstand moet nemen. We moeten af van iedere suggestie dat sluiting van winkels één dag in de week een vorm van eigenbelang van christenen is, omdat zij deze dag zo ongestoord mogelijk willen doorbrengen. Als dit het belangrijkste of eigenlijke motief zou zijn, is het verwijt van ‘onze normen opleggen’ terecht.[5]

Ik baseer winkelsluiting op zondag echter op het algemeen belang, the public good.[6] En niet strategisch, maar principieel. De (christelijke) wil opleggen aan anderen is geen doel van christelijke politiek. God wil het hart van mensen, maar harten van mensen zijn nooit via dwang te verkrijgen. Pogingen daartoe werken zelfs averechts. Als christen wil ik meebouwen aan een koninkrijk dat niet van deze aarde is. Dit kan door op aarde het beste voor de schepping en medemens te zoeken. Dáárin ligt de legitimatie van het gebruik van politiek door christenen.[7]

Reijman en Philipse taxeren de veronderstelde beweegredenen van de ChristenUnie per definitie als nonpublic, want christelijk. De misvatting hierachter is mijns inziens dat zij christelijke ethiek als een divine commandment theory zien[8]: een ethiek waarin goed en kwaad ten diepste afhangen van wat door goddelijke openbaring als zodanig (in de bijbel of wellicht via een directe openbaring) is verklaard. Maar als het goede in essentie goed is omdat God het zegt, lijkt de logische gevolgtrekking dat een bepaalde daad dat op zichzelf genomen niet is.[9] Christelijke ethiek overbrugt deze tegenstelling echter door God als schepper en oorsprong van deze wereld te zien. Gods bedoeling is ook uit ‘de natuur’ kenbaar. Wat ethisch ‘juist’ is, is dat ook zonder dat God het zegt.

Als men de indruk heeft dat onze politiek op een non-publieke divine commandment theorie gestoeld is, dan doen we zelf iets fout. We behalen in het debat geen resultaat omdat onze debatpartners onze bron niet erkennen. We laten niet zien dat het ons om het welzijn van de naaste gaat. En we dragen hiermee bij aan een scheef en onvolmaakt beeld van het Evangelie.

 

Inefficiëntie en individualisatie

Mijn diepste en eigenlijke motief in het winkeltijdendebat is het inzicht dat de natuur van mens en samenleving uitwijzen dat 1 dag per week gezamenlijk rusten heilzaam is. De consument is qua gemak bij zondagsopenstelling gebaat. Maar hier staat veel tegenover. Tijd voor vrienden en familie is voor christenen, socialisten en liberalen schaars. Economisch gezien is een zesdaagse economie minimaal gelijkwaardig aan een zevendaagse economie: geen enkel onderzoek wijst uit consument in 6 dagen minder zou besteden dan in 7, dit is ook niet aannemelijk. Ik noem een 24-uurseconomie daarom inefficiënt ten opzichte van de 6-daagse economie. De suggestie dat dichtblijven een optie is miskent het principe van mededinging en concurrentie. Mogen is hier moeten.

Een zevendaagse economie tast de sociale structuur van de samenleving aan. Kerkgang, maar ook belangrijke sociale activiteiten als familiebezoek, sportbeoefening, evenementen en de betekenis van zaterdagavond als gezamenlijke vrije avond zullen teruglopen bij professionele verplichtingen op zondag. Pleiten voor een 24-uurseconomie en tegelijkertijd mopperen op ouders die het elftal van hun kind nooit naar een uitwedstrijd rijden is inconsequent. Een 7-daagse economie is een impuls voor individualisering en verkilling. Ik zeg daar zelf bij: dat is niet hoe God de het bedoeld heeft. Maar je hoeft God niet te (er)kennen om dit in te zien. Net zoals ik samen met een atheïst de natuur kan bewonderen zonder dat we het eens zijn over het bestaan van een schepper.

 

Conclusie

Christen-zijn is een relatie aangaan met de Schepper: dit is in beginsel nonpublic. Maar hier hoort bij de naaste van dienst te zijn, ook via de publieke zaak. Maar niet iedere bijbelse norm is hierbij vanzelfsprekend publiek relevant; zij kunnen ook slechts zinvol en heilzaam zijn voor hen die de norm kunnen plaatsen in hun relatie met de Schepper. Bijbelse waarden echter hebben naar hun aard betrekking hebben op de natuur waarvan ook niet-christenen deel uitmaken. Ze zijn in zoverre dus ook publiekelijk relevant en inzichtelijk. Het winkeltijdendebat is hierbij een uitstekend voorbeeld. De ChristenUnie moet zich niet in ruil voor respect aan laten praten dat haar uitgangspunten in essentie nonpublic en irrelevant zijn.

 

mr. Guido Terpstra is fractievoorzitter ChristenUnie Leiden en juridisch onderzoeker aan de Universiteit Leiden.

 



[1] Zie p.22-25 van dit nummer. 

[2] NRC Handelsblad/Opinie, 29 juli 2008.

[3] Reijman stelt mijns inziens bovendien terecht dat een scheiding tussen public en nonpublic reason per definitie poreus is, terwijl ook de autoriteit die argumenten keurt op hun publieke gehalte ontbreekt c.q. onwenselijk is.

[4] Spijker, G.J. : “Geef bron prijs, ook als het Psalm 139 is”, NRC Handelsblad/Opinie 8-8-2008.

[5] Reijmans aanname dat de huidige Winkeltijdenwet het gelijkheidsbeginsel schendt, is overigens niet juist: met een beroep op religie kan men onder art. 6 lid 1 Winkeltijdenwet een andere rustdag claimen.

[6] Ontleend aan Stefan Paas, die stelt dat politiek per definitie een overleg is over gemeenschappelijk verlangen. Zie Paas, Stefan, Vrede Stichten, Zoetermeer: Boekencentrum 2007, p. 23 e.v..

[7] Ik herken me hierbij sterk in het pleidooi van Ad de Bruijne in de vorige editie van dit tijdschrift: ‘De spanning er weer inbrengen’, DW december 2008, p. 15e.v., die waarschuwt voor verzakelijking (lees: pragmatisering) van de christelijke politiek zonder theologische inbedding.

[8] Zie voor deze typering van de christelijke ethiek: Rachels, James (1941-2003) The Elements of Moral Philosophy, New York: McGraw Hill 200, p. 54 e.v..

[9] In de optiek van Rachels sluit het een het ander uit, a.w. p. 56. Maar voor Rachels staat dan ook vast dat God (zo hij bestaat) niet samenvalt met de Schepper: p. 61 e.v..