Nonpublic reasons en de koopzondag

Nonpublic reasons en de koopzondag

 

Door Mark Reijman

 

André Rouvoet en Herman Philipse discussieerden afgelopen zomer over de vraag welk type argumenten men mag gebruiken in het politieke debat. In dit artikel betwijfel ik het nut van het onderscheid tussen public en nonpublic reasons en laat ik met behulp van de discussie rond koopzondagen zien dat public reasons ook gebruikt kunnen worden in een discussie waarin nonpublic reasons centraal staan.

 

 

Minister Rouvoet meende tijdens het debat over embryoselectie dat de ChristenUnie niet zozeer vanwege haar standpunt werd bekritiseerd, als wel vanwege de achterliggende motivatie. Die motivatie was natuurlijk religieus, Rouvoet meent immers dat hij zijn geloof niet op het nachtkastje kan laten liggen als hij naar Den Haag vertrekt.[i] Daarop ontstond een discussie over de vraag welke motivaties geoorloofd zijn in het politieke debat. Hoogleraar en atheïst Herman Philipse meent dat Rouvoet en de ChristenUnie voor een dilemma staan. Zij kunnen hun argumenten in de vorm van public reason gieten, een universele taal welke toegankelijk is voor alle deelnemers aan het debat, of zij kunnen hun “echte” beweegredenen geven, welke religieus van aard zijn en dus voor sommigen “onverstaanbaar” zijn. Philipse meent dat dit dilemma voor de ChristenUnie met betrekking tot embryoselectie onoplosbaar is, maar prefereert public reason niettemin boven “particulier-sectarische morele opvattingen”.[ii] Geert Jan Spijker, medewerker van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie, meent daarentegen dat openheid over zinbronnen van belang is in het democratische debat.[iii]

 

Verhullend argumenteren

Indien politieke opvattingen direct voortkomen uit geloofsovertuigingen kan men slechts volledig aanspreekbaar zijn op de eerste door ook openheid te geven over de laatste. Openheid van zinbronnen is een oprechte, maar ook kwetsbare opstelling. Men stelt immers zijn meest heilige en dierbare gevoelens bloot aan de rigoureuze kritiek van de publieke opinie. Het gevaar daarbij gekwetst te worden is zeer reëel. Mensen tegen deze beledigingen beschermen is onwenselijk omdat dat het beschermen van religies en ideologieën tegen kritiek impliceert, wat vrij debat, maatschappelijke vooruitgang en verspreiding van kennis belemmert. Vaker nog blijkt bescherming tegen belediging feitelijk onmogelijk. Beledigingen zijn de noodzakelijke prijs die we betalen voor een open en vrije samenleving. Mensen die niet bereid zijn die prijs te betalen, laten zich soms verleiden tot verhullend argumenteren. Verhullend argumenteren laat zich omschrijven als het gebruiken van meer geaccepteerde argumenten (public reasons), terwijl “(over)duidelijk andersoortige overwegingen doorslaggevend of belangrijker zijn” (nonpublic reasons).[iv]

 

Het doel van public reason is het bereiken van compromissen door middel van het uitwisselen van argumenten. Een compromis heeft meer kans van slagen indien deelnemers inzicht in elkaars werkelijke drijfveren hebben. Verhullend argumenteren verbergt juist de werkelijke drijfveren en maakt het bereiken van een compromis dus moeilijker. Public reason eist dat argumenten worden gebruikt die voor iedereen begrijpelijk en acceptabel zijn omdat ze voldoen aan elementaire voorwaarden als logica, consistentie, feitelijkheid, gemeenschappelijke waarden en non-controversialiteit. Maar deze voorwaarden en de angst om beledigd te worden motiveren mensen juist om zich van verhullende argumenten te bedienen. Het bereiken van compromissen wordt moeilijker omdat de daadwerkelijke motivatie buiten beeld blijft. Ik kom daarmee tot de paradoxale conclusie dat de eis van public reason zichzelf in de voet schiet en dat men het doel van public reason beter kan bereiken door tevens nonpublic reasons tot het politieke debat toe te laten.

 

Public en nonpublic reason

Naast de vraag of men nonpublic reasons zou moeten toelaten tot het politieke debat kan men ook de vraag stellen of het onderscheid überhaupt nut heeft. Nonpublic reasons zijn volgens de liberale filosoof John Rawls particuliere, religieuze, morele en filosofische doctrines die niet door de gehele gemeenschap gedeeld worden. Doch vrijwel elke opvatting is tot een bepaalde doctrine te herleiden waarover de gemeenschap van mening verschild. Zouden nonpublic reasons de kans krijgen zich te bewijzen in het politieke debat, dan kunnen zij na verloop van tijd public reason worden. De grens tussen public en nonpublic reasons lijkt poreus en ontkent de menselijke feilbaarheid, terwijl een volledig vrij debat de dynamiek ontketend waardoor tot nog toe elk tijdperk haar eigen public en nonpublic reasons heeft gekend. Het onderscheid laat de nonpublic reasons van morgen tot het debat van vandaag toe, terwijl het de public reasons van morgen verbiedt.

 

Er kan en er mag geen centrale autoriteit bestaan die voor de samenleving bepaald welke argumenten toelaatbaar zijn omdat dit het vrije debat belemmert en daarmee de vooruitgang. Men zou alle argumenten toe moeten laten tot het debat. Vervolgens kunnen alle deelnemers aan het debat voor zichzelf uitmaken in welke mate een argument hen overtuigt. De ChristenUnie kan dan ook niet klagen als haar religieuze redenen in het publieke debat worden gewogen en te licht worden bevonden door een democratische meerderheid. Net zo min als controversiële argumenten over seksualiteit, etniciteit, cultuur of geslacht moeten worden verbannen, geld dat ook voor religieuze argumenten. Dat betekent overigens niet dat religieuze opvattingen plotseling salonfähig zijn geworden. Het is een misvatting te denken dat het onderscheid tussen public reasons en nonpublic reasons gelijk te stellen is aan het onderscheid tussen goede en slechte argumenten. Het onderscheid in stand houden of afschaffen maakt een politiek debat dan ook niet per definitie beter.

 

Zoals elk verbod op een overtuiging, elimineert het vermijden van nonpublic reasons niet de opvatting zelf, maar enkel de zichtbaarheid ervan en constitueert daarmee een schijnoplossing. Nonpublic reasons zullen een effect blijven hebben in het publieke debat door middel van verhullend argumenteren; men zal enkel tussen de regels door moeten lezen, wat de transparantie van het debat niet ten goede komt. Ik kom daarmee tot de conclusie dat een onderscheid tussen public en nonpublic reasons zonder goede redenen of voordelen een beperking op de vrijheid van meningsuiting vormt en het debat vertroebelt.

 

Koopzondagen

Ik zal met behulp van de discussie rond koopzondagen proberen bovenstaande conclusie te verduidelijken. SP, SGP en ChristenUnie zijn voorstander van beperking of striktere handhaving van het koopzondagenbeleid met betrekking tot het toeristische regime. De drijfveren van deze partijen verschillen en het getuigt van intellectuele eerlijkheid om dat te erkennen. Dat kan alleen indien men public en nonpublic reasons in het debat toestaat. De ChristenUnie kan weliswaar net als de SP belangen van werknemers en kleine zelfstandigen beschermenswaardig vinden, maar door zich tot deze motivatie te beperken zou zij zich schuldig maken aan “verhullend argumenteren”. Er zijn immers (over)duidelijk andersoortige overwegingen die doorslaggevend of belangrijker zijn voor de ChristenUnie, in casu de bescherming van de zondagsrust. Als Rouvoet zegt “wij handhaven slechts, uit een zeer sociaal motief, de winkeltijdenwet die eind jaren negentig door D66 en VVD gemaakt is”[v] is dat een vorm van verhullend argumenteren omdat hij zijn werkelijke zinbronnen – in tegenstelling tot zijn bijdrage aan het debat over de embryowet in 2001, waarin hij naar Psalm 139 verwijst – probeert te verbergen.

 

Compromissen ontdekken

Het kennen van de werkelijke motivatie geeft de mogelijkheid compromissen te ontdekken. Een compromis waarbij winkels zes dagen per week open zijn, maar eigenaren zelf mogen kiezen welke dag zij gesloten blijven zou tegemoet kunnen komen aan de wensen van de SP en zou de eigenaren tegelijk meer economische vrijheid gunnen. Indien de ChristenUnie in het debat enkel het “sociale motief” had aangevoerd, zou zij zich in allerlei bochten moeten wringen om te beredeneren waarom het voorgestelde compromis niet praktisch uitvoerbaar is of dat het sociale motief enkel recht wordt gedaan bij een collectieve sluitingsdag op zondag. Andere deelnemers aan het debat zouden een dergelijke opstelling als onbegrijpelijk of hypocriet kunnen ervaren. Door te erkennen dat men primair de zondagsrust wil beschermen weten de deelnemers aan het politieke debat in elk geval welke compromissen (on)mogelijk zijn. Het gevolg is in casu wel dat een debat met de SP meer onderhandelingsruimte biedt dan een debat met de ChristenUnie, omdat de drijfveren van de laatste een specifiekere eis stellen.

 

Historisch gegroeid

Men kan stellen dat het verbod de winkels op zondag te openen historisch gegroeid is omdat de Nederlandse geschiedenis een zeer grote christelijke meerderheid kende. Deze feitelijke situatie zegt echter niets over de (on)wenselijkheid van het verbod, maar verklaart slechts hoe de status quo historisch is ontstaan. Tegelijk is het twijfelachtig of christenen ditzelfde argument zullen steunen op het moment dat een toekomstige islamitische meerderheid de vrijdagsrust zou willen invoeren. Dit hypothetische voorbeeld suggereert dat elke godsdienst recht heeft op dezelfde vrijheid van godsdienst en dat het aantal gelovigen niet relevant is. Dit gelijkheidsbeginsel impliceert dat ofwel elke godsdienst het recht zou moeten hebben om een rustdag aan de samenleving op te leggen, ofwel geen enkele godsdienst

 

Zondagsrust afdwingen?

De eerste optie zou betekenen dat moslims de vrijdagsrust, joden de zaterdagsrust en christenen de zondagsrust mogen afdwingen. Een dergelijke situatie is onrealistisch en dus concluderen we dat geen enkele godsdienst het recht heeft om haar rustdag aan de rest van de samenleving op te leggen. Immers, een uitzonderingspositie voor christenen is zoals hierboven uitgelegd oneerlijk vanuit het gelijkheidsbeginsel en weinig christenen zouden eenzelfde uitzonderingspositie aan een hypothetische islamitische meerderheid gunnen. Tegelijk worden andere gelovigen zoals joden met een christelijke uitzonderingspositie dubbel gestraft: op zaterdag mogen zij niet werken van hun geloof en op zondag niet van hun overheid: dat noem ik concurrentievervalsing.

 

De liberale optie

De tweede optie is de liberale optie, namelijk dat geen enkele religie het recht heeft om haar rustdag aan de gehele samenleving op te leggen omdat zij daarmee de grenzen van haar vrijheid overtreed. Wat men doet en laat op de vrijdag, zaterdag of zondag is een beslissing van het individu en niet van de overheid. De vrijheid van godsdienst betekent in concreto dat het individu voor zichzelf mag bepalen hoe hij zijn godsdienst beleeft, maar niet voor de samenleving als geheel. Een democratische meerderheid die in het verleden tot de zondagsrust heeft besloten doet hier niets aan af, omdat het een onderwerp betreft waar de overheid zich buiten dient te houden. In tegenstelling tot wat Rouvoet meent betreft de “seculiere intolerantie” niet zozeer de geloofsopvattingen waarmee verboden worden gemotiveerd, als wel de onderwerpen waar gelovigen door middel van overheidsmacht de samenleving geen (keuze)vrijheid willen gunnen. De religieuze motivatie is niet zozeer het probleem, als wel het feit dat de overheid überhaupt meent individuen te mogen verbieden hun eigen keuzes (bijvoorbeeld met betrekking tot embryoselectie) te maken. De liberale oplossing is natuurlijk niet de meest optimale uitkomst voor christenen, maar wel de meest optimale uitkomst voor de samenleving als geheel omdat het elk individu zoveel mogelijk vrijheid probeert te geven betreffende het inrichten van het eigen leven, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de vrijheid van anderen. In een vrije, open, multiculturele en multireligieuze samenleving betekent dat, dat we allemaal een beetje moeten inschikken en enige tolerantie moeten tonen. Zoals Rouvoet zelf zegt: “tolerantie doet pijn. [...] Tolerantie betekent dat je aanvaardt dat er mensen zijn die anders denken en zich anders gedragen dan jij.”[vi] De overheid dient zoveel mogelijk vrijheid te scheppen om al die mensen die anders denken en zich anders gedragen óók naar hun zin te maken. De ChristenUnie zal moeten erkennen dat ik graag op zondag boodschappen doe en de Albert Heijn zal moeten erkennen dat sommige van haar medewerkers zullen weigeren te werken op zondag.

 

Conclusies

Het doel van public reason is het bereiken van compromissen, maar door het uitsluiten van argumenten die tot de nonpublic reason behoren worden deelnemers aan het publieke debat gemotiveerd hun drijfveren te verhullen. Dit maakt een compromis juist moeilijker. Het onderscheid tussen public en nonpublic reasons is problematisch en veronderstelt een onfeilbare autoriteit. Alle overtuigingen dienen daarom tot het publieke debat te worden toegelaten. Dit kan moeilijk zijn omdat het openbaren van zinbronnen een persoon kwetsbaar maakt en verhullend argumenteren een aantrekkelijke optie lijkt.

Net zo belangrijk als het toestaan van motivaties is de vraag of de overheid überhaupt wel gerechtvaardigd is een bepaald onderwerp te reguleren of dat het beter is in deze diverse samenleving elk individu de vrijheid te gunnen zijn eigen keuzes te maken. En passant is aangetoond dat met behulp van public reasons als het gelijkheidsbeginsel en tolerantie wel degelijk “particulier-sectarische morele opvattingen” kunnen worden bestreden zonder direct een debat te moeten voeren over de grondslagen van een particuliere godsdienst of politieke partij.

 

Samenvatting:

- Het is het beste om alle argumenten toe te laten tot het debat, ook nonpublic reasons.

- Het voorbeeld van de koopzondagen toont dat aan.

- Het kennen van iemands werkelijke motivatie geeft de mogelijkheid compromissen te ontdekken.

 

Mr.drs. Mark Reijman BA publiceert als freelancer over politiek, recht, economie, filosofie en liberalisme.

 

 



[i] NRC Handelsblad, 25-07-2008.

[ii] NRC Handelsblad/Opinie, 29-07-2008.

[iii] NRC Handelsblad/Opinie, 8-08-2008.

[iv] Vranken, J.B.M. 2005. “Mr. C. Asser’s handleiding tot de beoefening va het Nederlands burgerlijk recht: Algemeen Deel”. Kluwer: Deventer. Bladzijde 28-43.

[v] NRC Handelsblad, 25-07-2008.

[vi] NRC Handelsblad, 25-07-2008.