Geloven in veiligheid

Geloven in veiligheid

 

Door Michiel Grauss

 

 

Hans Moors en Ben Rovers

Geloven in veiligheid; tegendraadse perspectieven

Boom Juridische Uitgevers

115 pagina’s

ISBN 9789054548416

 

Michiel Grauss is fractievoorzitter in Capelle aan den IJssel en werkzaam bij de Directie Veiligheid gemeente Rotterdam

 

 

 

Het handhaven van veiligheid is een van de kerntaken van de overheid. Juist daarin lijkt de overheid echter tekort te schieten. In het boek ‘Geloven in veiligheid’ betogen Hans

Moors en Ben Rovers aan de hand van veel actuele voorbeelden dat het veiligheidsbeleid ernstig

tekortschiet. Ze bieden alternatieve perspectieven op drie grote veiligheidsthema’s: moslimradicalisme, achterstandswijken en de werking van justitiële jeugdinterventies, met het doel duidelijk te maken hoe praktijkrelevant onderzoek vorm kan krijgen.

 

Moors en Rovers zijn benoemd als lector aan Avans Hogeschool. Hun bijgewerkte inaugurale redes zijn in dit boekje samengebracht met een proloog van de bekende criminoloog Cyrille Fijnaut. En daarmee hebben we gelijk het meest leesbare deel gehad. De proloog zal voor de meeste lezers voldoende zijn. Fijnaut vat kort de betogen samen en stopt zijn eigen, stevigere mening daarbij.

 

De auteurs willen de gangbare opvattingen over veiligheid problematiseren. Moors vindt dat de historische blik ontbreekt in het wetenschappelijke en bestuurlijke denken over veiligheid. Hij pleit voor het bestuderen van veiligheidsvraagstukken “vanuit een cultuurhistorische habitus met een breed en divers palet van informatiebronnen.”

De kern van zijn betoog is de constatering dat het huidige sociaal-wetenschappelijke onderzoek naar en de beleidsvorming met betrekking tot locale (on)veiligheid, zowel theoretisch als empirisch te weinig diepgang en samenhang heeft. In zijn betoog toont hij dit aan met veel verwijzingen naar relevante onderzoeken. Het verhaal begint mijns inziens pas echt te leven met de voorbeelden van moslimradicalisme en de “prachtwijken”.

 

Moslimradicalisme

Interessant is zijn analyse dat de aanpak van moslimradicalisering belast lijkt met de invloed van het denken uit de koloniale relatie die Nederland destijds met Nederlands-Indië onderhield. Moors maakt aannemelijk dat het wantrouwen jegens moslims nog steeds in ons collectieve geheugen zit en van invloed is op het huidige integratiedebat.

Een ander sterk voorbeeld pakken ze op met de term “invention of tradition”. Onder dit begrip verstaan de schrijvers: ”oeroud geachte tradities zijn vaak (relatief recente) cultuurproducten, uitgevonden om nieuwe waarden te legitimeren”. Sommige zaken worden dus gerekend tot de traditie, terwijl na onderzoek blijkt dat dit niet zo is. De hoofddoek als “uiting van de islam” bijvoorbeeld is geen islamitische ‘uitvinding’. Het was een gebruikelijke dracht in de oudheid en er zijn afbeeldingen van bekend uit de eerste eeuw, ruim vijf eeuwen voor de start van de Islam.

 

Barbecuesubsidies zonder effect

Voor ChristenUnie-leden en bestuurders is Moors commentaar op de prachtwijken interessant. Wat valt er te zeggen over dit speerpunt van ons kabinet? Moors laat van de aanpak van de prachtwijken weinig heel. Leren we wel van het verleden en eerdere onderzoeken? Zijn veel van de wijken niet al heel lang een probleem? Zijn er niet al miljoenen in deze wijken gestopt de afgelopen decennia? U zult begrijpen dat het antwoord niet positief is. De insteek van de prachtwijken lijkt meer een goede intentie uit te spreken dan een doordacht programma. Moors: “Nog nooit is zoveel barbecuesubsidie verleend aan welwillende buurtcomités als de afgelopen paar jaar. Het effect ervan is nihil gebleken.”

 

Jeugdzonde

Ben Rovers begint met het bekennen van een jeugdzonde: ruim 25 jaar geleden stal hij uit een niet nader te noemen filiaal van Xenos een theezeefje. Op de theezeef is wel een carrière in de criminaliteit gevolgd, maar gelukkig geen criminele carrière. Wat maakt dat het bij de één goed komt en bij de ander niet? Welke interventies bij jeugddelinquenten zijn effectief en welke niet? Een relevante onderzoeksvraag, lijkt mij. Rovers brengt daarbij het "belief-effect" in. Het beschrijft het fenomeen dat mensen die een bepaalde situatie als reëel definiëren, deze situatie vervolgens als realiteit naar zich toehalen. Dit lijkt op het Pygmalion-effect uit de onderwijskunde: een leerling gaat beter presteren wanneer een docent in hem gelooft. En ook op het placebo-effect.

 

Placebo-effecten

Rovers zoekt een nieuw perspectief voor de effectiviteitbeoordeling, want in veruit het meeste onderzoek is de interventie zelf niet meer dan een black box. Versimpeld voorgesteld: er komen aan de voorkant jongeren in en die gaan er aan de achterkant weer uit. Wat er tussendoor gebeurt, is onbekend en niet onderzocht. Onbekend is waarom de interventie juist bij die personen of onder die omstandigheden heeft gewerkt.

Via een uitstapje in de medische wereld geeft Rovers aan wat hij bedoelt. Van belang is het geloof dat de arts heeft in een behandeling, maar ook zaken als de relatie tussen de arts en patiënt, de vorm waarin een behandeling wordt aangeboden en de behandelsetting: die genereren placebo-effecten. En die effecten zijn het grootst bij interventies die vatbaar zijn voor psychologische beïnvloeding. Omdat interventies bij jeugddelinquenten vooral te maken met psychologische aspecten, zal het placebo-effect hier dus groot zijn. Maar in tegenstelling tot de medische hoek is hier geen sprake van positieve “belief” effecten maar juist van negatieve. Immers: in de medische hoek betreft het samenwerking tussen arts en patiënt, terwijl jeugddelinquenten verzet plegen of de tijd uitzitten.  

 

Boksschool van Ome Jan

De professional is in de benadering van Rovers cruciaal. Zoals de handelwijze van de arts het placebo-effect kan versterken, zo is de professional bewust of onbewust overdrager van een “nieuwe realiteit”. De ervaring leert dat bij hulpverleners veel scepsis en cynisme aanwezig is en ook dat geven ze bewust of onbewust door. De professional maakt daarmee al veel onmogelijk.

De bepalende factor in een nieuw en veelbelovend preventieproject zou wel eens niet kunnen zitten in wat er gebeurt, maar in het enthousiasme en vertrouwen waarmee het project is omgeven. Hierbij geeft Rovers het voorbeeld van Ome Jan Schildkamp, die in Hoogvliet een succesvolle boksschool heeft waar hij randgroepjongeren opvangt en leert boksen. De oplossing is niet overal boksscholen openen, maar zorgen dat er meer Ome Jan’s zijn die de jongeren bereiken.

De cruciale rol voor de professional staat in schril contrast met de tegenwoordige ontwikkeling van taylorisme en fordimse in de hulpverlening. Het werk wordt in stukjes gehakt en er ontstaan overal regels, protocollen, standaardprocedures en verantwoordingsmechanismen. Ome Jan zou daarin niet overleven en dat zou erg jammer zijn, want hij is wel effectief! De kern is dat de professionals waarschijnlijk de belangrijkste bron zijn voor het succes.

 

Tot slot

Met de lectorale redes van Moors en Rovers geeft de Avans Hogeschool haar visitekaartje af. Het wetenschappelijk gehalte is stevig en het is zware kost om te lezen. Ik ben werkzaam op het veiligheidsterrein en ook raadslid met veiligheid in portefeuille. Toch was het mij wat te academisch. Voor de bestuurders en ambtenaren met de poten in modder is het de vraag wat wel werkt. Helaas geven beide lectoren daar weinig van bloot, maar het was dan ook hun inaugurale rede.