Protestantse principes, katholieke gezindheid

Protestantse principes, katholieke gezindheid

 

Voorwoord

 

Door Geert Jan Spijker

 

De ChristenUnie is een politieke organisatie voor christenen van diverse pluimage. Iedereen is welkom die Jezus als Heer erkent en Hem ook in de politiek wil volgen. Er is, kortom, sprake van een brede, ‘katholieke’, algemene gezindheid binnen de partij. Tegelijk staat de partij in een traditie die is gestempeld door de Reformatie. RPF en GPV waren beide duidelijk protestantse partijen. Ook de ChristenUnie heeft zonder meer een protestantse visie op staat en samenleving.

 

Neocalvinisme

Die protestantse visie is ontwikkeld op basis van het denken van met name Calvijn. Guillaume Groen van Prinsterer en vooral Abraham Kuyper hebben zijn denken in een negentiende-eeuwse jas gehuld. In deze neocalvinistische gestalte kon het een stempel zetten op de Nederlandse samenleving en politiek,  en is het in de filosofie van Herman Dooyeweerd verder verfijnd.

Het denken van deze personen over de onderscheiding van kerk en staat, de gewetensvrijheid en de verhouding tussen samenleving en overheid, beïnvloedt ook nu nog de visie van de ChristenUnie. Het werd en wordt gebruikt in onder meer diverse publicaties van Egbert Schuurman, André Rouvoet (Reformatorische staatsvisie) en Roel Kuiper (Dienstbare overheid). Centraal staan daarin termen als onderscheiden verantwoordelijkheden, nevengeschikte verbanden en publieke gerechtigheid. Een erg waardevolle benadering, mijns inziens.

 

Nieuwe politieke theorie nodig

Tegelijk betoogt de theoloog Ad de Bruijne dat we met deze neocalvinistische politieke filosofie niet meer kunnen volstaan. “De ChristenUnie verdient een verbeterde politieke theorie”, kopt hij zelfs. Daarmee bedoelt hij onder meer dat de ChristenUnie een theologie nodig heeft waarin nieuwe Bijbelse inzichten worden verdisconteerd, en een geactualiseerde politiek-filosofische doordenking die verder gaat dan de Romantische context van de negentiende eeuw. We leven niet meer in de tijd van Kuyper, die gestempeld was door allerlei vormen van christendom. In zijn spannende betoog laat De Bruijne zien dat er werk aan de winkel is voor de partij, zodat die zich rekenschap gaat geven van het postchristelijke (en postseculiere!) tijdvak waarin we ons bevinden.

 

Van Groen tot Kuiper

De Bruijne’s insteek helpt ons verder, overigens zonder dat we de oude denkers overboord zouden gooien. Dat betoogt hij ook niet. Integendeel, het neocalvinistische denken blijft van grote waarde. Dat blijkt ook wel uit de diverse bijdragen in dit nummer. Niet voor niets is er bijvoorbeeld nog steeds veel aandacht voor iemand als Groen van Prinsterer, van wie het hoofdwerk Ongeloof en revolutie nu voor een nieuw publiek grondig is herzien (in de serie Klassiek licht). Arie Kuiper, met wie wij een interview hebben in dit nummer, heeft het boek in hedendaags Nederlands hertaald. Dat is nodig, want ook aankomende christelijke politici hebben te winnen bij het bestuderen van dit boek. Laten we zowel de oude als de nieuwe meesters lezen en hun voorraadkamers benutten.