Onderweg naar een nieuw 'wij'

Onderweg naar een nieuw 'wij' 

 

Boekbespreking

Paul Scheffer, Het land van aankomst

Amsterdam: De bezige bij, 2007, 477 p.

 

Door Gert-Jan Segers, directeur Wetenschappelijk Instituut ChristenUnie (en nu Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie)

 

Ziad Jarrah was op 11 september 2001 een van de door Al-Qaeda getrainde piloten die de gekaapte vliegtuigen in bommen veranderden. Gek genoeg kwam de Libanees uit een niet-praktiserende moslimfamilie en leidde hij een frivool leven in Beiroet. Juist tijdens zijn studie in Hamburg omarmde hij samen met andere, bevriende Arabische studenten een radicaal-islamitische, anti-westerse ideologie.

In Beiroet miste Jarrah nooit een feestje, maar in Hamburg miste hij nooit het gebed. Hij is daarmee een extreme belichaming van het multiculturele drama dat veel Europese landen parten speelt. De massale immigratie naar Europa en de daarop volgende ontmoeting tussen verschillende culturen en godsdiensten hebben in veel gevallen niet geleid tot een vitale en bloeiende multiculturele samenleving. Het heeft veel meer geleid tot vervreemding, onderling wantrouwen, radicalisering en een culturele identiteitscrisis. Ziad Jarrah’s enige verdienste is dat hij heeft bijgedragen aan het slechten van taboes rond de multiculturele samenleving. Na 9/11 gaven we makkelijker toe dat we een probleem hebben dan daarvoor.

 

Veranderd klimaat

Toen anderhalf jaar voor de aanslagen van 11 september Paul Scheffer zijn kritische artikel ‘Het multiculturele drama’ (NRC) schreef, leverde dat nog veel tegenspraak op. Scheffer zou dramatiseren, zich bedienen van “hele grote, hele lege woorden” (toenmalige VVD-leider Hans Dijkstal) en de “discussie vervuilen” (Femke Halsema). Dat een redelijke sociaal-democraat aandacht vroeg voor de schaduwzijden van de multiculturele samenleving kon twee dingen betekenen. Ofwel Scheffer deugde niet, ofwel de multiculturele samenleving was echt een drama.

Acht jaar geleden lag die laatste conclusie gevoelig – nog afgezien van het feit dat het vooral een verontrustende conclusie is – en dus werd er soms stevig op de man gespeeld. Maar na 9/11, Fortuyns revolte, de moord op Theo van Gogh, de arresties van Hofstadgroepleden, de uitlatingen van Ayaan Hirsi Ali, de aanslagen in Madrid en Londen, discussies over haatzaaiende imams en veel lokaal gedoe met Marokkaans-Nederlandse straatschoffies, is er een heel ander klimaat ontstaan. We zijn van veel taboes af en er is van links tot rechts het besef dat het in een multiculturele samenleving veel ingewikkelder samenleven is dan we eerder dachten. Het is veelzeggend dat de ontvangst van Scheffers apologie die hij zeven jaar na zijn geruchtmakende artikel schreef veel positiever is.

 

Multiculturele mythe

De positieve ontvangst en vele herdrukken van Het land van aankomst zeggen ook iets over de kwaliteit van het boek zelf. Het is een indrukwekkende, breed opgezette zoektocht naar antwoorden voor onze integratieproblemen. Scheffer reist daarvoor naar achterstandswijken, ontmoet migranten, zoekt naar ‘de ziel van de Nederlandse cultuur’, maakt uitstapjes naar Frankrijk, Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten. Zelfs zonder dat Scheffer eindigt met pasklare antwoorden en een omlijnde agenda voor integratiepolitiek is de zoektocht een fascinerende. Scheffer is voorbij de multiculturele mythe (destijds vooral in stand gehouden door een elite die zich ver buiten de achterstandswijken ophield) en ook voorbij de soms hysterische polarisatie van Fortuyn en Wilders. Het is zijn eerlijkheid, beleefdheid en bedachtzaamheid die weldadig aandoet.

 

Zoektocht onder allochtonen

Scheffer laat zien dat het multiculturele drama niet alleen het drama is van autochtonen die zich vreemden zijn gaan voelen in hun eigen ‘prachtwijk’, maar ook van allochtonen die met hooggestemde verwachtingen naar Nederland waren gekomen en met het vaste voornemen om weer terug te keren naar land van hun herkomst. Scheffer heeft na zijn artikel in 2000 een uitgebreide ontdekkingstocht gemaakt in eigen land. Hij ontmoette Marokkaanse jongeren, sprake met imams, dronk thee met oudere Turken en was zo in staat om hun soms pijnlijke verhaal op te schrijven. Deze migranten leefden lang met ‘hun koffers op de overloop’. Maar ze bleven in het land van aankomst, zagen hun kinderen op zwarte scholen belanden, kwamen met hun ‘rugpijnachtige klachten’ in de WAO, leefden in een samenleving die vreemd voor ze bleef en hen als vreemden bleef behandelen, maar zagen ook geen weg terug meer naar het land van herkomst.

Scheffer schroomt niet om de verantwoordelijkheid voor de hoge werkloosheid en de aanzienlijke criminaliteit onder allochtonen (de helft van de gevangenisbewoners komt uit een migrantengemeenschap) allereerst neer te leggen waar die hoort, namelijk bij de allochtonen zelf. Maar zelfs als Scheffer schrijft dat daders niet te snel tot slachtoffers moeten worden gemaakt, zit er barmhartigheid in zijn analyse. Het is ook de autochtone houding en Nederlandse politiek die debet zijn aan het multiculturele drama. Want het is geen toeval dat nieuwkomers het in het klassieke immigratieland de Verenigde Staten (VS) met zijn beperkte verzorgingsstaat veel beter doen in onderwijs en op de arbeidsmarkt. Als je in de VS arriveert, weet je dat je geen andere keuze hebt dan heel hard je best doen.

Bovendien is de Nederlandse tolerantie vaak slecht verhulde onverschilligheid geweest, uitmondend in een laissez-faire houding. De werkloosheid onder oudere migranten werd als een feit geaccepteerd, waarmee een hele groep werd afgeschreven. De verloedering van de oude wijken in de grote steden ging aan de elders wonende politieke en culturele elite voorbij. En de slogan ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ dwong niet alleen mensen zich te blijven oriënteren op wat achter hen lag, het relativeerde ook op een onverantwoorde manier de Nederlandse identiteit.

 

Nationale identiteit

Terecht legt Scheffer de vinger bij de zere plek van onze nationale identiteit. Het was Samuel Huntington die in zijn beroemde artikel (1993) en het latere boek (1996) The Clash of Civilizations schreef dat de vraag van de Koude Oorlog – ‘Aan welke kant sta je?’ – is vervangen door een nieuwe vraag: ‘Wie ben je?’. Een politieke keuze tussen Rusland en het Westen was destijds makkelijk gemaakt en kon altijd weer worden teruggedraaid. Politieke verschillen tussen communisten en kapitalisten deden er toe, maar de culturele verschillen tussen autochtone Nederlanders en gastarbeiders uit Marokko en Turkije waren dertig jaar geleden niet relevant. Net zo min als de eigen, Nederlandse identiteit relevant was. Scheffer citeert Kossman: “Waarom zouden wij zulke pompeuze woorden als nationale identiteit, erfgoed, geesteskenmerk moeten gebruiken? Een land als het onze heeft zulke retoriek niet nodig.”

Scheffer laat fijnzinnig zien dat deze ogenschijnlijk bescheiden zelfrelativering eigenlijk een vorm van trots was. We liepen te pronken met onze afkeer van het pronken. Op een slinkse manier manoeuvreerden we onszelf toch weer in de rol van een gidsland voor al die achterlijke landen die wel schermden met hun nationale identiteit. Maar wereldwijd zijn tegenstellingen na de Val van de Muur steeds meer langs culturele scheidslijnen gaan lopen en heeft Huntington zijn pijnlijke gelijk gekregen. Mensen zijn zich, over politieke en geografische grenzen heen, steeds meer gaan identificeren met culturele en religieuze verwanten. Daarmee zijn culturele verschillen in onze multiculturele samenleving problematischer geworden. En het leidt logischerwijs tot de vraag ‘Wie zijn we nu nog?’.

 

Is er wel een wij?

In zijn zoektocht naar een antwoord op die vraag laveert Scheffer tussen exclusiviteit en inclusiviteit. We zijn het resultaat van onze geschiedenis, worden verbonden door de Nederlandse taal en neigen naar consensus. Tegelijk is onze culturele identiteit voortdurend in beweging en wordt onze nieuwe identiteit mede vorm gegeven door de nieuwkomers en bijvoorbeeld het feit dat de islam de tweede godsdienst van ons land is geworden. ‘Maar is er wel een wij?’, vraagt Scheffer zich af. Je kunt moeilijk van allochtonen verwachten dat ze zich met enthousiasme spiegelen aan autochtonen die met enthousiasme hun identiteit afwijzen (Ephimenco). Hierin ligt ons grootste probleem, want zonder ‘wij’ zal het niet gaan, schrijft Scheffer. Onze natievorming mag niet voortdurend achterblijven bij onze staatsvorming.

 

Veel aandacht voor islam

Het is niet misplaatst dat Scheffer in verschillende delen van het boek veel aandacht heeft voor de islam. Allereerst hebben veel migranten de islamitische identiteit en heeft de wereldwijde groei van de radicale, vaak anti-westerse islam als vanzelf lokale gevolgen. Daarnaast hebben de islam en het Westen ook nog eens een problematisch verleden. De Ziad Jarrah’s en Mohammed Bouyeri’s kunnen naar hartelust winkelen in de conflictrijke historie en zichzelf zo plaatsen in de lange traditie van strijd van moslims tegen de joden en kruisvaarders. Juist voor jonge moslims die zich nooit in Europa hebben thuisgevoeld en geen weg terug meer zien naar het land van hun ouders is identificatie met de islam een uitkomst. Als zij zich geplaatst weten voor de vraag wie ze nu werkelijk zijn, kan de radicale, ‘pure’, ‘universele’ en van culturele franje ontdane islam bieden wat ze nodig hebben. Identiteit, een doel, zin en reden voor leven en sterven.

 

Een islamitische zuil?

De positie van de islam in Nederland is vergeleken met landen als de VS en Frankrijk extra problematisch. Moslims kunnen zich beroepen op de vrijheden die stammen uit ons verzuilde verleden en hebben dat ook volop gedaan (zonder dat die godsdienstvrijheid verinnerlijkt is en principieel ook aan anderen wordt gegund). Er zijn islamitische scholen, een islamitische omroep, welzijnsorganisaties en de meeste moskeeën zijn als culturele vereniging van overheidswege gesubsidieerd. Maar daar waar onze samenleving in het verzuilde verleden bij elkaar werd gehouden door een gemeenschappelijke taal, geschiedenis en grondwet, daar heeft de islamitische ‘zuil’ en de rest van Nederland veel minder gedeelde referentiepunten gemeen. Bovendien werkten ten tijde van de verzuiling de verschillende elites nauw samen, terwijl de elite van moslims volgens Scheffer ‘zwak’ is. Verder is de sociale en economische samenstelling van de islamitische ‘zuil’ veel minder divers dan de oude zuilen van weleer. Op veel manier heeft de Nederlandse verzuiling de kloof tussen moslim en autochtoon vergroot en moslims veroordeeld tot elkaar. Ook hier is het de prangende vraag of er wel een ‘wij’ is.

 

Islam en westerse beschaving

De nog prangender vraag is of ‘de’ islam wel verenigbaar is met de westerse beschaving. Scheffer ziet ook die vraag weer eerlijk onder ogen. Daar waar kerk en staat in het christendom altijd zijn onderscheiden (ook als ze streden om de macht en de ander wilden domineren), is binnen de islam vanaf het allereerste begin de religieuze met de statelijke sfeer vereenzelvigd. In de islam is er geen ‘kerk’ meer, laat staan dat die kerk van de staat kan worden gescheiden.

Daarnaast heeft de islam zijn op- en neergang gekend in relatie met en meestal tegenover het Westen. Waar de islam sterk was en tot en met de Middeleeuwen min of meer bloeide, daar was Europa het gebied der barbaren. Maar toen het Ottomaanse Rijk een langzame dood stierf en de macht van de islam tanende was, begon Europa na Renaissance en Reformatie zijn opmars om als militaire wereldmacht en culturele grootmacht te eindigen. Moslimlanden werden door Westerse machten gekoloniseerd en de totale productie van boekvertalingen in de Arabische wereld vanaf de negende eeuw staat gelijk aan het aantal vertalingen dat nu jaarlijks in een land als Spanje wordt geproduceerd. De scheve ontwikkelingen hebben tot een diepe frustratie en bitterheid geleid.

 

Meer hoop dan gerustheid

Maar ook nu combineert Scheffer, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Wilders, eerlijkheid met hoop. Hij ziet in de islamitische wereld, naast radicalisering, ook tekenen van secularisatie en liberalisering. Het feit dat de islam in Europa is geland en zich wel zal moeten schikken, kan leiden tot fundamentele veranderingen. Een bekende Europese moslimtheoloog als Tariq Ramadan, onder andere werkzaam aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, zou moslims aan woorden kunnen helpen om hun positie als volwaardige en loyale burgers van het Westen werkelijk in te nemen. Maar Scheffer is er meer hoopvol over dan dat hij er helemaal gerust op is.

 

Naar een ‘nieuw wij’

De positie van Scheffer is interessant omdat hij geen cultuurrelativist is noch een verlichtingsabsolutist. De westerse vrijheden zijn hem dierbaar en mogen wat hem betreft geëxporteerd worden. De democratische rechtsstaat doet mensen recht en in de liberale cultuur zit een aantrekkingskracht waar geen enkele samenleving immuun voor is. Tegelijk is Nederland zo grondig veranderd dat we opnieuw op zoek moeten naar een ‘nieuw wij’.

Het is meer dan interessant dat Scheffer in dat verband pleidooien aanhaalt voor een beschavingsoffensief (Gabriël van den Brink), herstel van sociale controle (Herman Vuijsje) en het belang onderstreept van verbanden als het gezin en de school. Het zijn belangrijke noties, maar nog wel te aarzelend en te onduidelijk om er concreet handen en voeten aan te kunnen geven. Scheffer schrijft terecht dat waar zo lang te weinig is gezegd, het ondoenlijk is om nu ineens alles te zeggen. Maar de betrokken, belezen en eerlijke bijdrage aan dat broodnodige gesprek over onze multiculturele samenleving is Scheffers grootste verdienste. Het komt het er nu op aan dat gesprek gaande te houden en het ‘nieuwe wij’ invulling te geven.

                        (Bron: Denkwijzer 2008 / september)