Man en paard

Man en paard

 

Door Tim Vreugdenhil, theoloog en predikant van Stadshartkerk Amstelveen

 

Het is me niet gelukt te achterhalen hoeveel paarden er op dit moment verblijven in de koninklijke stallen te Den Haag. Enkele tientallen of zouden het er al snel een paar honderd zijn? Misschien is het als bij de Groene Draeck en weet niemand het precies. Je hoort het Hare Majesteit al zuchten: ik zou het zelf ook wel eens willen weten… Paarden zijn duur in het onderhoud, want hoe vaak komt een optocht met groot ceremonieel nu voor? Het zou me niet verbazen als in de weken voor Prinsjesdag de opperstalmeester belt met paardenstallen elders in het land: ‘het is straks weer zover, kunnen we van jullie wat lenen?’ Trouwens, al die legeronderdelen nemen natuurlijk gewoon hun eigen dieren mee.

 

Van koning Salomo weten we hoeveel paarden hij bezat. Het waren er veertigduizend, zegt 1 Koningen 5,6. Daar komen dan nog wagens en twaalfduizend wagenmenners bij. Als kundig bestuurder had Salomo ook uitgedacht hoe dat betaald moest worden. Het koninkrijk Israël bestond in zijn tijd uit twaalf provincies en iedere provincie was verplicht gedurende één maand alle gerst en stro voor die paarden bij elkaar te brengen. Daar werd aanvankelijk niet moeilijk over gedaan, integendeel. Heel Israël bevond zich in het stralende licht van haar eerste en enige zonnekoning uit de geschiedenis. En dat mocht wel wat kosten.

 

Toch heeft de chroniqueur die veertigduizend paarden niet alleen ter meerdere eer en glorie van Salomo vermeld. De bijbelboeken vormen een complex patroon van woord en weerwoord, klank en echo. Salomo’s paarden komen niet uit de lucht vallen. In Deuteronomium 17 vinden we ‘de wet op de koning’. De koning mag er dan wel zijn, staat daar, maar beslist geen paarden houden. Je kunt je daar misschien nog wel iets bij voorstellen: de macht van een Oosterse vorst wordt in paardenkracht uitgedrukt. Maar Mozes zegt er iets achteraan. Als de koning eenmaal met die paarden in de weer gaat, zal hij naar de Egyptische paardenmarkt gaan. Deskundigen beweren dat in die tijd mensen als slaaf werden verhandeld in ruil voor paarden. Of dat nu waar is of niet, Mozes is duidelijk: vergeet niet dat de paardenmarkt je vroegere slavenmarkt was. En dus heb je daar niets meer te zoeken.

 

1 Koningen 10,28 vult het beeld aan: Salomo importeerde inderdaad uit Egypte, honderdvijftig sikkel zilver voor een goed paard. En dat keer veertigduizend. Dat lijkt geen enkel punt: er was in Israël destijds zilver genoeg. Maar het moest natuurlijk ergens vandaan komen, ieder jaar opnieuw. Salomo is nog niet dood, of de Israëlieten komen bij zijn opvolger vragen of het alsjeblieft wat minder kan.

 

Zie, uw koning komt nederig aanrijden op een ezel, sprak ooit de profeet Zacharia (hij zei er niet bij dat die ezel ook nog eens geleend was). Er achteraan staat expliciet: God zal de paarden uit Jeruzalem verjagen (Zacharia 9,10). Jezus is dan ook nooit op een paard gesignaleerd. Wie christelijk wil denken over staatsinrichting, heeft goede gronden om te pleiten voor beperking van het aantal paarden. Of de moderne equivalenten van de paardenkracht: de auto, tank en de raket. In Gods koninklijke stallen zal straks slechts plek voor mensen zijn.