Loopt het politieke systeem op zijn eind?

Loopt het politieke systeem op zijn eind?

Bespreking van Ankersmit, F. en L. Klinkers (red.) (2008), De tien plagen van de staat. De bedrijfsmatige overheid gewogen. Amsterdam: Van Gennep. ISBN 9789055159246. 268pag.

 

Door Rien Rouw, adviseur bij de rijksoverheid en gastonderzoeker bij de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur

Dit is een somber boek. Wie ook maar enige hoop, laat staan hoge verwachtingen, koestert van de overheid, kan dit boek beter terzijde leggen. Of misschien juist niet. Het kan idealisten behoeden voor de naïviteit waarmee al menige politicus of bestuurder verstrikt is geraakt in het web van het huidige politieke systeem. De naïviteit bijvoorbeeld van het ‘cockpitdenken’, het idee dat Den Haag het centrum is waaruit heel Nederland kan worden bestuurd. Op de man af gevraagd zal bijna iedere politicus glimlachen dat hij dat niet zo ziet. Maar in het dagelijkse handelen binnen het politieke systeem is de fictie van cockpit levensgroot aanwezig , onder meer in de vorm van de veelgeroemde ‘daadkracht’.

Gewogen en te licht bevonden

De cockpit is typisch een metafoor die afkomstig is uit een bedrijfmatige opvatting van de overheid, waarin het kabinet als Raad van Bestuur van de BV Nederland opereert, een opvatting waartegen de schrijvers heftig ageren. ‘De bedrijfsmatige overheid gewogen’ staat neutraal in de ondertitel, maar aan het eind van het boek gekomen, kan niemand anders oordelen dan ‘gewogen en te licht bevonden’.

Te licht omdat het volgens de redacteuren vooral de bedrijfsmatige overheid is die het huidige politieke systeem in een diepe crisis heeft gestort. Klinkers spreekt in zijn bijdrage van het einde van een politieke levenscyclus, van een overgangstijd waarin het oude sterft zonder dat het nieuwe al zichtbaar is. Dat einde gaat gepaard met drie grote kwalen:

-          de overheid als bedrijf en het publieke domein als markt organiseren;

-          een gebrek aan representatie in de politieke instellingen;

-          de overheid als een gulzige institutie.

Overheid en marktwerking

Het marktdenken is op zijn retour in de huidige politiek. Dat wil echter niet zeggen dat we van markt- en marktachtige mechanismen af zijn. Dat illustreert Evelien Tonkens in haar beschouwing over de zorg. Tonkens laat zien hoe marktwerking in die sector in haar tegendeel verkeert. In plaats van minder bureaucratie en een kleinere overheid is de staat volgens haar dikker geworden en de bureaucratie toegenomen, overigens zonder dat de meest kwestbaren daarvan profiteren. Volgens Tonkens is een van de meest elementaire denkfouten dat de overheid publieke dienstverlening echt op afstand kan plaatsen. Omdat dat wel is gebeurd, zitten we nu met een overheid die wel verantwoordelijk is voor de zorg zonder echt macht te hebben. En dat leidt dan weer tot een overvloed aan controlemechanismen en toezichthouders.

 

Managementstaat

Een andere plaag van de bedrijfsmatige overheid waarvan we nog niet af zijn, is wat Jouke de Vries in zijn stuk de ‘managementstaat’ noemt. De hoogste waarden in de managementstaat zijn effectiviteit en efficiency, de overheid werkt ondernemend en resultaatgericht aan oplossingen voor maatschappelijke problemen. Staatsdienaren zijn inhoudsloze ambtenaren geworden die moeiteloos van het ene naar het andere maatschappelijke domein kunnen worden verplaatst. Management is een zelfstandige discipline met eigen instrumenten zoals targets, formats en outputindicatoren. En de politiek is verdwenen uit de managementstaat. Margot Trappenburg analyseert dat laatste prachtig aan de hand van een denktrant die zo ingeburgerd is geraakt dat de vreemdheid ervan niet meer opvalt, namelijk het denken over politiek in termen van problemen en oplossingen. Politici presenteren hun opvattingen niet als een preferentie maar als dé oplossing voor een probleem. Als je als politicus de samenleving op een bepaalde manier wilt inrichten, zeg je dat dat de oplossing is voor ‘de crisis van de verzorgingsstaat’. Zo blazen politici de problemen op en presenteren hun oplossingen als utopieën.  Maar zowel problemen als oplossingen zijn losgezongen van de realiteit.

Gebrek aan representatie

Alsof dit nog niet kwalijk genoeg is, heeft het politieke systeem verder te kampen met een gebrek aan representatie, de tweede kwaal. Martin Sommer verwijt politici in zijn stuk over onderwijsvernieuwingen dat ze autistisch zijn, dat ze geen interesse hebben in de wensen van ouders en leerlingen en ook geen verantwoording afleggen aan hun kiezers over de vernieuwingen die ze doorvoeren. De andere vertegenwoordigers van burgers, zeg maar het maatschappelijk middenveld, zitten in hetzelfde schuitje. Samen met de politiek zitten ze opgesloten in een eigen werkelijkheid. Klinkers stelt dat kamerleden hun controlerende, en daarmee representerende, taak verwaarlozen. In plaats van voortdurend contact te houden met burgers en dat perspectief in debatten in te brengen, gaan ze meebesturen met het kabinet.

Overheid als gulzige institutie

Deze eerste twee kwalen gaan over hoe de overheid opereert. Daarover gaan de meeste stukken in de bundel. Eigenlijk gaat alleen Paul Frissen in op de vraag waarover de overheid eigenlijk gaat. Daarmee zijn we bij de derde kwaal van het politieke systeem, namelijk dat de overheid steeds dieper ingrijpt in de samenleving en in het leven van mensen. De overheid is een gulzige institutie die zich steeds meer domeinen toeëigent. Frissen illustreert dat aan de hand van de preventiepolitiek onder meer in het jeugdbeleid en in de gezondheidszorg. Het leidt tot een overheid die niet alleen het gedrag, maar ook de ‘hearts and minds’ van burgers wil beheersen. Een recent voorbeeld is de voedingsnota waarmee het kabinet burgers wil stimuleren om gezond en gevarieerd te eten. Het kabinet stelt zich doelen op het terrein van groente, fruit en vis die je toch eerder verwacht aan te treffen in de handleidingen voor werkers in de gezondheidszorg. Het behalen van de doelstellingen wordt uiteraard gemonitord - weer een monitor waarmee het gedrag van burgers wordt bewaakt. Frissen deinst niet terug voor grote woorden als hij spreekt van een panopticum waaruit burgers niet meer kunnen ontsnappen, de totalitaire droom van hedendaagse politici.

Uitweg?

De meeste auteurs geven ons weinig hoop op een uitweg. En dan is nog niet eens aandacht besteed aan medialogica, volgens mij ook een van de grote plagen van het politieke systeem. Het lijkt erop alsof politiek en bestuur in een vicieuze cirkel zitten waarin ze met beleid het voorgaande beleid proberen terug te draaien of te corrigeren. Maar omdat het nieuwe beleid dezelfde vorm heeft als het oude beleid zal er weinig veranderen. De Centra voor Jeugd en Gezin zijn daarvan een voorbeeld; het is het zoveelste coördinerende mechanisme dat de overheid wil inzetten om de jeugdzorg te verbeteren.

Zijn de lessen die de redacteuren aan het slot formuleren krachtig genoeg om de vicieuze cirkel te doorbreken? Ik betwijfel het. Het zijn eerder vrome wensen dan realistische strategieën: bewustwording van de kwalen, beëindiging van de neoliberale agenda, weg met overheidsmanagers. De analyse van de plagen is over het algemeen sterker dan de oplossingsrichtingen die worden geboden. Misschien is het ook teveel gevraagd van onheilsprofeten om oplossingen te bedenken. Als je tien plagen krijgt aangekondigd, weet je wat je te doen staat. Je maakt je reisvaardig, neemt radicaal afscheid van dat wat was en vertrekt op de barre tocht naar het beloofde land.