Waterschappen anno 2020

Waterschappen anno 2020

 

Door Gerrit de Jong, voormalig wethouder voor de ChristenUnie in Middelharnis

 

In het decembernummer van Denkwijzer heb ik een column geschreven met de uitdagende titel ‘Weg met de waterschappen’. Er kwam een reactie onder de titel ‘Waterschappen: sterk in regionaal waterbeheer’.  Een van mijn opponenten,  Jan Arie van Berkum, is ook de hoofdauteur van het ChristenUnie modelverkiezingsprogramma onder de titel ‘Water. Goed voor elkaar’. Kernthema van dit programma is dienstbaarheid. Juist in het jaar waarin weer waterschapsverkiezingen zijn is het noodzakelijk na te denken over het hoe en het waarom van deze verkiezingen. In deze bijdrage probeer ik een nadere uitwerking van mijn gedachten te geven en een bijdrage te leveren aan de discussie over bestuurlijk Nederland.

 

 

Open houding

Als je onbevangen wilt nadenken over de toekomst van de waterschappen moet je je niet laten hinderen door bestaande structuren. Met mijn bewering dat de bestuursstructuur van waterschappen  haar langste tijd gehad heeft,  doet zich de vraag voor welke andere structuren functioneler en praktischer zijn. Het gaat mij niet om de regionale uitvoering van belangrijke taken, maar om de bestuurslaag die bijdraagt aan de totale bestuurlijke drukte in Nederland. Dijkgraven zijn op dit moment machtige bisschoppen in waterland. Hun democratische legitimatie is daarentegen een stuk beperkter dan die van Commissarissen der Koningin of van burgemeesters. Wat mij betreft  moet hier kritisch naar gekeken worden.. Een functioneel bestuur hoort functioneel te blijven en niet te gaan over politieke afwegingen. De politisering van het waterschapsbestuur via het lijstenstelsel zal dan ook eerder het proces van bestuurlijke vernieuwing frustreren dan dat het iets zal opleveren. Ik pleit er dan ook voor richting 2020 de koers bij te stellen.

 

Waterveiligheid als voorbeeld

Een van de belangrijkste opgaven voor de toekomst vanuit het waterperspectief is waterveiligheid. Het water bedreigt ons van drie kanten: het water vanuit de zee, het water dat via rivieren ons land binnenkomt en het hemelwater in de vorm van neerslag. Tegen al  die bedreigingen dienen we ons te wapenen. Ten eerste doen we dit door de kustbescherming ter hand te nemen en de zwakke plekken aan te pakken. Ten tweede dienen de dijken op voldoende hoogte en sterkte gebracht te worden. Ten derde moeten we voldoende waterberging realiseren.

Bestuurlijk gezien zijn dit prioriteiten die de landelijke overheid moet stellen. Het zijn afwegingen van nationaal belang. Dit gebeurt ook via een Waterplan als kaderstellend instrument. Het politiek bestuurlijke debat dient plaats te vinden in de Tweede Kamer en de verantwoording hoort te liggen bij de minister van Verkeer en Waterstaat. Financieel gezien kun je dit ook het best via de nationale begroting regelen. Het mag niet zo zijn dat een Nederlander die op de Veluwe woont minder lasten hoeft te betalen omdat zijn waterschap gunstiger is gelegen ten opzichte van laaggelegen waterschappen. Dat dit een nationale aangelegenheid is, wordt nog extra benadrukt door de Europese regelgeving, waar mede onder invloed van de Nederlandse delegatie gezorgd is voor Kaderrichtlijnen op het gebied van de overstromingsbescherming (kwantitatief) en de ecologische kwaliteit van het water. Als uitvloeisel hiervan dient uiterlijk 2009 een stroomgebiedvisie opgesteld te zijn voor de watersystemen in rivieren. Dan blijkt de schaal van een waterschap ondanks de vrij recente schaalvergroting niet het geëigende instrument.

Mijn conclusie uit dit voorbeeld is dat de rol die een waterschapsbestuur speelt beperkt is. Dit behoort ook zo te zijn en mijns inziens moet een waterschap slechts uitvoeringsorganisatie zijn van beleid dat elders wordt gemaakt. Bestuurlijk kan een waterschap dan sterk worden vereenvoudigd, bijvoorbeeld tot een regionale directie (vergelijkbaar met regionale directies van Rijkswaterstaat). Dat niet iedereen warme gevoelens krijgt bij de ambtelijke structuur van Rijkswaterstaat doet daar niet aan af.

 

Besturen Nieuwe Stijl

Men moet het ijzer smeden als het heet is. Momenteel worden door het Rijk, de provincies en de gemeenten nagedacht over wat voor hen echt belangrijk is. Heeft een bestuursorgaan geen toegevoegde waarde, dan moet het ook geen rol willen spelen!

Op Rijksniveau heeft de commissie () Lodders een aantal decentralisatievoorstellen geformuleerd  naar provincies (maart 2008). Er moet minder bestuurlijke drukte komen. Leidend thema is de sturingsfilosofie ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’.  Provincies worden integraal verantwoordelijk voor het regionale omgevingsbeleid. Water vormt daarvan een belangrijke pijler. De integratie van Water in Ruimtelijke Ontwikkeling is een kerntaak voor de provincie.

Evenzo denken provincies, onder de noemer Provincie Nieuwe Stijl, na over hun kerntaken. Zo gaan provincies zich minder bezighouden met stimulering van het sociaal maatschappelijk leefmilieu, omdat dat meer het terrein is van de gemeenten. In dit kader is het voor provincies van belang aan te geven wat men met de toezichthoudende rol op de waterschappen wil. Voor wat betreft watertaken beperkt de provincie zich tot kaderstelling, monitoring en toezicht; de concrete uitvoering is een verantwoordelijkheid van gemeenten en waterschappen. De provinciale kaderstelling wordt ingevuld via het Waterplan dat in samenhang met de provinciale structuurvisie ontwikkeld wordt. Ook wat dit betreft blijkt de uitvoerende taak van het waterschap belangrijker dan de beleidsvormende. De provincie zou er goed aan doen de beleidsvoorbereidende regie over te nemen van het waterschapsbestuur.

 

Provinciaal Toezicht

De provincie heeft een wettelijke verantwoordelijkheid voor zowel de kwaliteit van het oppervlaktewater (implementatie Kaderrichtlijn Water), de waterveiligheid (uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) als het toezicht op waterschappen. De nieuwe Waterwet, die eind 2009 in werking treedt, legt opnieuw vast dat de provincie wettelijke taken behoudt wat betreft grondwaterbeleid. Daarnaast is er de Grondwaterrichtlijn (Europees beleid) waarin provinciale taken voor de kwaliteit van het grondwater zijn opgenomen. De provinciale kaders voor de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water zijn naar verwachting halverwege 2009 gereed. De provincie voert regie op de uitvoering van deze richtlijn en vormt het onderdeel van het provinciale toezicht op de waterschappen. De provincie beperkt zich tot kaderstelling vooraf en toetsing van de voorstellen van gemeenten en waterschappen aan de gestelde kaders achteraf. Indien de voorstellen voldoen aan de kaders, neemt de provincie deze over.

De provincie is van plan een aantal grondwatertaken (betreffende de vergunningverlening van kleinere onttrekkingen) over te dragen naar de waterschappen. Ook de muskusrattenbestrijding wordt een onderdeel van de waterkeringstaak van de waterschappen (Nieuwe Waterwet). De goedkeurende bevoegdheid van de provincie van peilbesluiten zal waarschijnlijk vervallen bij de inwerkingtreding van de nieuwe Waterwet. De uitvoerende taken ten aanzien van zwemwater en badinrichtingen kunnen op termijn overgaan naar de waterschappen en gemeenten.

 

Conclusie

Bij de discussie over de taken van overheden en hun onderlinge verhoudingen kan naar de toekomst toe de zelfstandige bestuurlijke positie van waterschappen ter discussie worden gesteld. De rol van uitvoeringsorganisatie past beter bij de aard van de werkzaamheden terwijl het beleid thuishoort bij democratisch gekozen overheden met politieke afwegingen. Dat een enquête onder ambtenaren (Binnenlands Bestuur, 6 april 2008) oplevert, dat ongeveer de helft van de ondervraagden vindt, dat waterschappen in de toekomst afgeschaft kunnen worden, voegt daar niet veel aan toe.