Vrijheid, gelijkheid, burgerschap

Vrijheid, gelijkheid en burgerschap

 

Door Kars Veling

 

Jaren geleden was ik eens als spreker te gast in een vergadering van de Vereniging voor Onderwijsrecht. Het ging over de vrijheid van onderwijs. Ik weet nog dat ik na afloop verzuchtte dat juristen toch bijzondere mensen zijn. Over onderwijsvrijheid praat je vanuit ideeën over onderwijs en samenleving, vond ik. De wettelijke regeling ervan is een technische kwestie. Recht volgt beleid. Ik herinner me dat de verzamelde onderwijsjuristen deze stelling niet betwistten. Maar ze probeerden me wel duidelijk te maken dat politieke en filosofische beschouwingen blijven zweven als ze geen verbinding hebben met wet en recht.

 

Het recht als kiel

Ik was niet meteen overtuigd. Toch was het een leerzame ervaring. Het belang van de rechtsstaat is nauwelijks te overschatten, ben ik steeds meer gaan beseffen. Politieke keuzes en beleid bepalen de richting, maar wetten en verdragen voorkómen dat de waan van de dag ongelukken veroorzaakt. Als politiek beleid vergeleken kan worden met het roer van een boot, dan vormt het recht de kiel.

Aan deze ervaring dacht ik bij het lezen van Vrijheid, gelijkheid, burgerschap van Ben Vermeulen, lid van de Raad van State, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de VU en ook prominent onderwijsjurist. Het onderwerp van dit boek van bescheiden omvang is de positie van religieuze en etnische minderheden in onze Nederlandse samenleving. De waarde ervan ligt mijns inziens vooral in de juridische precisie waarmee Vermeulen de – ik citeer de ondertitel – “verschuivende fundamenten van het Nederlandse minderhedenrecht en –beleid” analyseert. Er is veel discussie over het multiculturele karakter van onze samenleving. Het zou een zegen zijn als alle deelnemers daaraan Vermeulens essay serieus zouden bestuderen voordat ze hun mond opendoen.

 

Omkering van burgerschapsconcepten

Vermeulen geeft in de eerste helft van zijn boek gedocumenteerde overzichten van het geldende recht en de jurisprudentie met betrekking tot een aantal fundamentele rechten. Hij behandelt de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de vrijheid van onderwijs, taal- en cultuurrechten en het gelijkheidsbeginsel. Vrijheid en gelijkheid zijn in de Nederlandse grondwet en in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens stevig verankerd. Maar Vermeulen beschrijft hoe door de Nederlandse reactie op de komst van immigranten veel is gaan schuiven. Burgers hebben vrijheidsrechten. Maar burgerschap schept ook verplichtingen. Tot 2003 werd de procedure om Nederlands staatsburger te worden gezien als een aansporing tot integratie. De in dat jaar gewijzigde Rijkswet op het Nederlanderschap ziet naturalisatie veeleer als een sluitstuk van een verplichtend integratieproces (p. 55). De vervolgens ingevoerde wetten inzake inburgering stellen eisen aan immigranten in spe en aan nieuwkomers. Ze moeten een niveau van taalvaardigheid laten zien en ook een zekere kennis over Nederland. Maar de eisen gaan verder. Nieuwe Nederlanders moeten instemmen met de Nederlandse waarden, normen en grondrechten en zij moeten daarnaar handelen.

Vermeulen constateert dat er sprake is van een “omkering van burgerschapsconcepten” (p. 53). Burgerschap als moreel begrip heeft voorrang gekregen op burgerschap als politiek-juridische categorie. Burgerschap vraagt commitment en vaardigheid. Iemand kan alleen burger zijn als hij de wens en het vermogen heeft een volledig lid te zijn van de Nederlandse politieke en sociale gemeenschap.

 

 

Grenzen aan geloofsmanifestaties

Deze veranderde benadering van de begrippen vrijheid, gelijkheid en burgerschap leidt tot veel juridische debatten. Is het mogelijk eisen te stellen aan (nieuwe) Nederlanders die volgens Europees recht niet aan burgers van andere EU-landen gesteld mogen worden? Is het bestaan van zwarte en witte scholen tegen te gaan zonder het beginsel van de keuzevrijheid van ouders volgens artikel 2 Protocol 1 EVRM geweld wordt aangedaan? Hoever reikt de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging volgens artikel 9 EVRM wanneer (nieuwe) burgers daarvan gebruik willen maken op een manier die de meerderheid van de Nederlandse samenleving niet bevalt? Vermeulen constateert dat het Europese Hof de neiging heeft het begrip ‘manifestatie van geloof’ beperkt op te vatten. Hij vindt dat minder gelukkig. Natuurlijk kan niet elk gedrag dat mensen motiveren vanuit hun geloof worden aanvaard. Maar waar grenzen gesteld moeten worden zou het Hof deze toch op z’n minst als beperkingen van de vrijheid van godsdienst moeten aanmerken (p. 81).

De sterkere nadruk op de verplichtingen die verbonden zijn met het Nederlandse staatsburgerschap lijkt in allerlei opzochten positief. Er mogen eisen worden gesteld aan nieuwkomers. Paul Scheffer beschrijft in zijn Het land van aankomst het gevoel van verlies van autochtone Nederlanders die hun samenleving vreemd zien worden. Hebben zij niet het recht aan nieuwkomers te vragen zich aan te passen? Er is niets mis met trots op Nederland.

 

Wantrouwen jegens orthodoxie

Vermeulen wijst echter op een bedenkelijke kant van deze ontwikkeling. Het probleem schuilt in de vaststelling van de Nederlandse waarden die voor alle burgers bindend zouden moeten zijn. Mag bij voorbeeld een moslima als de Amsterdamse Yman Marach in het openbaar vaststellen dat homoseksuele gedragingen onverenigbaar zijn met de islam? Volgens het COC natuurlijk niet. Ook Wilders en Verdonk zullen bezwaar maken. Het gevaar van islamitisch fundamentalisme moet worden bestreden. Maar ook de Amsterdamse Partij van de Arbeid moest snel afstand nemen van wat haar lid Yman Marach gezegd zou hebben. Zelf liet ze al snel weten dat ze verkeerd begrepen was.

Het gaat er steeds meer op lijken dat Nederland zijn ‘dominante waarden’ zo uitlegt dat er geen ruimte is voor religieuze uitingen die niet stroken met de moraal van de meerderheid. Vermeulen ziet in Nederland een groeiend “wantrouwen ten opzichte van ‘strenge’ godsdiensten, opgeroepen door vrees voor de islam en weerzin tegen het orthodoxe christendom” (p. 94). Hij ziet een voorbeeld in al dan niet verhulde pogingen om de vrijheid van onderwijs te beperken voor islamitische scholen. Een ander voorbeeld is het vonnis van de Haagse rechtbank waarin werd bepaald dat de SGP geen overheidssubsidie zou mogen krijgen vanwege haar visie op vrouwen in politieke functies.

 

Pluralistische coöperatie

Nederland verandert. Niet alleen is de verzuiling feitelijk verdwenen. Ook de geest van ‘pluralistische coöperatie’ waarin de verzuiling kon gedijen staat onder druk. Vermeulen gebruikt deze uitdrukking om de Nederlandse negentiende en twintigste eeuwse traditie te typeren. Daarin kiest de overheid geen partij voor een religieuze richting, maar ze heeft wel oog voor de bestaande pluriformiteit en werkt ook samen met geloofsgemeenschappen. Nederland neemt (nam?) met dit arrangement een middenpositie in tussen het model van het ‘strikte secularisme’ en het model van de ‘geprivilegieerde kerk’ (p.10 e.v.). Er is echter veel aan het veranderen. De voorbeelden die Vermeulen aanhaalt, lijken erop te wijzen dat Nederland aan het begin van de 21e eeuw het Franse model van “strikte seculaire neutraliteit in de openbare arena” gaat omhelzen (p. 96).

 

De Nederlandse rechtsstaat en zijn internationale verplichtingen in Europees verband zullen vrijheid en gelijkheid in veel opzichten kunnen waarborgen. Het Nederlandse beleid ten aanzien van (religieuze) minderheden heeft in het EVRM en in de Nederlandse Grondwet een kiel die snel afdrijven voorkomt. Maar de jurist Vermeulen maakt ook duidelijk dat het in het debat over vrijheid, gelijkheid en burgerschap uiteindelijk gaat om politieke keuzes. Hij kiest daarbij zelf positie in wat hij noemt “de kernwaarden en principes van een moderne samenleving zoals onder meer neergelegd in de relevante mensenrechtenverdragen”(p. 13). Tegen de tijdgeest in maakt hij zich sterk voor de handhaving van vrijheden, ook van burgers en groeperingen die vanuit hun geloofsopvatting een weg kiezen die de seculier-individualistische meerderheid principieel afwijst. Weliswaar vindt Vermeulen zelf persoonlijke autonomie een prachtig ideaal, maar de staat zou volgens hem burgers daaraan niet moeten binden. Misschien moeten we ons maar wat meer pragmatisch opstellen, oppert Vermeulen. “Politici en beleidsmakers zouden ervoor zorg moeten dragen om personen niet zozeer aan te spreken als moslims, maar als burgers, studenten, medewerkers” (p. 105).

 

Opdracht

Ik denk dat het een belangrijke opdracht is voor de Nederlandse politieke partijen (en bewegingen) om de waarde van het beproefde Nederlandse model van de ‘pluralistische coöperatie’ te onderzoeken. Vermeulen zegt terecht dat neutraliteit geen neutraal concept is. De meningen botsen. Welke ‘publieke moraliteit’ moet alle Nederlandse burgers binden? Welke ruimte zal er in de publieke sfeer zijn voor geloofsuitingen? Het is goed het debat over deze vragen op te zoeken. En dan graag met open vizier, op basis van argumenten en met de bedoeling het publieke belang te dienen. Vermeulens essay kan daarbij een goede dienst bewijzen.

 

 

Naar aanleiding van:

B.P. Vermeulen, Vrijheid, gelijkheid, burgerschap. Over verschuivende fundamenten van het Nederlandse minderhedenrecht en –beleid: immigratie, integratie, onderwijs en religie. Sdu Uitgevers Den Haag. 2007.