Kostbare kinderen

 

Kostbare kinderen

 

Door Steven Datema en Carola Schouten, beleidsmedewerkers bij de Tweede Kamerfractie

 

De afgelopen periode is er veel commotie ontstaan over de kabinetsplannen rondom de kinderopvang. De kosten lopen sterk uit de hand en er moet dan ook stevig bezuinigd worden op de regeling. Toen het bericht naar buiten kwam, waren de reacties niet van de lucht.  'Verbijsterd' stelde de een, 'Handen af van de kinderopvang' stelde de ander. Kinderopvang is een van de manieren waarop de overheid de combinatie van arbeid en zorgtaken probeert te faciliteren. Maar is het een effectieve manier? Trekt het ouders daadwerkelijk over de streep om (meer) te gaan werken? En waar staat de ChristenUnie in deze discussie? 

 

Participatiedoelstelling

De afgelopen 15 jaar is een stille revolutie gaande geweest op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Het aandeel vrouwen dat betaald werk verricht is enorm toegenomen. Begin jaren negentig werkte zo'n 40% van de vrouwen buitenshuis. In 2006 was dit opgelopen tot ongeveer 55%[1]. Europees gezien is de arbeidsdeelname van Nederlandse vrouwen hoog te noemen. Alleen in de Scandinavische landen en Zwitserland ligt de arbeidsparticipatie van vrouwen hoger[2].

De hogere arbeidsparticipatie ligt in lijn met het beleid dat het kabinet voorstaat. In het beleidsprogramma[3] stelt het kabinet dat 80% van de beroepsbevolking in 2016 daadwerkelijk aan het werk moet zijn. Momenteel is dat ongeveer 70%. Om die participatiedoelstelling te halen zullen in deze kabinetsperiode minstens 200.000 mensen extra aan de slag geholpen worden. Het gaat dan vooral om (jong)gehandicapten, ouderen en vrouwen. Van de genoemde groepen zijn de vrouwen relatief het makkelijkst en snelst inzetbaar op de arbeidsmarkt, onder andere omdat zij vaak goed opgeleid zijn.

De participatiedoelstelling is volgens het kabinet nodig om de verwachte krapte op de arbeidsmarkt te verminderen en om de overheidsfinanciën op peil te houden. Ten aanzien van de vrouwenparticipatie speelt bij een aantal partijen een ideologisch motief mee. Vanuit de emancipatiegedachte zouden vrouwen in staat moeten worden gesteld om financieel onafhankelijk te zijn. Dit kan, als zij voldoende uren werken.

Ondanks de indrukwekkende groeicijfers, blijft de teneur in Nederland dat de arbeidsparticipatie van vrouwen verder omhoog moet. Het gaat dan met name om het aantal uren dat vrouwen werken. Nederlandse vrouwen werken gemiddeld 16 uur per week. Het aantal vrouwen dat voltijds werkt, bedraagt niet meer dan 25%. Vooral vrouwen met kinderen kiezen voor een (kleine) deeltijdbaan. Opvallend genoeg is het aantal vrouwen zonder kinderen dat een deeltijdbaan prefereert ook aan het toenemen.[4]  

 

Stimuleringsbeleid overheid

De overheid heeft de afgelopen jaren verschillende maatregelen getroffen om met name de moeders over de streep te trekken betaald werk te gaan verrichten. Dit heeft zijn vruchten afgeworpen. Bijna driekwart van de moeders in Nederland heeft een betaalde baan van meer dan 1 uur per week. De maatregelen van de overheid hebben grofweg betrekking op drie terreinen: financiële prikkels, verlofregelingen en kinderopvang.

 

1. Financiële prikkels

Via fiscale maatregelen is werken in de loop van de tijd lonender geworden en niet-werken duurder. Zo heeft iedere werkende recht op een inkomensafhankelijke arbeidskorting. Werkende ouders krijgen hiernaast een combinatiekorting en de minstverdienende partner ook nog een aanvullende combinatiekorting. Naast deze twee combinatiekortingen komt er straks ook nog een inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting. Hierdoor wordt meer werken lonender gemaakt. Een punt van discussie tijdens de afgelopen formatie was de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. Ieder belastingplichtige krijgt deze heffingskorting en kan die overdragen op de niet-verdienende partner. Met name kostwinnersgezinnen profiteren van deze maatregel. Ondanks verzet van de ChristenUnie is besloten de overdraagbaarheid geleidelijk aan te beperken, om ook nietverdienende partners te stimuleren te gaan werken. Gezinnen met kleine kinderen worden hierbij, op aandrang van de ChristenUnie, ontzien.

 

2. Verlofregelingen

Het aantal verlofregelingen voor moeders/ouders is de laatste jaren sterk toegenomen. Zo bestaat er recht op doorbetaald zwangerschaps,- en bevallingsverlof – sinds kort ook voor zelfstandig werkende vrouwen. Na de bevalling bestaat er voor iedere ouder recht op ouderschapsverlof. Dit kabinet gaat het aantal weken ouderschapsverlof verlengen van 13 naar 26 weken. Wanneer ouders deelnemen aan de levensloopregeling kunnen ze ook een fiscaal voordeel krijgen bij de opname van het ouderschapsverlof. Voor de verzorging van onder andere zieke kinderen bestaat het recht op kortdurend zorgverlof. Ook het vaderverlof – rond de tien dagen vrij voor nieuwbakken vaders – begint aan populariteit te winnen, al is het nog niet duidelijk of dit ook een wettelijk recht wordt.

De gedachte achter al deze verlofregelingen is dat vrouwen eerder zullen gaan werken als zij makkelijk vrij kunnen krijgen in verband met de kinderen.     

 

3. Kinderopvang

Een van de grootste ingrepen van de overheid om de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren betrof de invoering van de Wet Kinderopvang. Sindsdien krijgen ouders een substantieel bedrag van hun opvangkosten vergoed door de overheid. De vergoeding is afhankelijk van de uren opvang, de prijs van de opvang en het gezamenlijk inkomen van de ouders. Het inkomen waarbij ouders nog in aanmerking komen voor een vergoeding, is in de loop van de jaren fors gestegen. In 2005 lag de bovengrens rond de 72.000 euro bruto. Inmiddels krijgen ouders met een gezamenlijk inkomen tot 130.000 euro bruto ook nog een vergoeding. Ouders krijgen de tegemoetkoming als hun kinderen naar de formele opvang gaan (crèches en buitenschoolse opvang) of als ze dit regelen via een gastouderbureau. 

 

Kosten kinderopvang

De kosten van kinderopvang zijn het afgelopen jaar explosief gestegen. Voor 2008 werd 2 miljard euro begroot op de begroting van OCW voor kinderopvang. In april werd duidelijk dat er een kostenoverschrijding zou gaan plaatsvinden van zo'n 500 miljoen euro in 2008. Dit tekort zou kunnen oplopen tot 1,1 miljard euro in 2011, als er niets zou gebeuren. Voor het kabinet alle reden om kritisch te kijken naar de kinderopvangregeling in zijn huidige vorm. De vermoedelijke redenen voor de overschrijding zijn divers.

Door de motie Van Aartsen/Bos zijn scholen verplicht geworden buitenschoolse opvang te organiseren. Dit heeft de vraag naar deze vorm van opvang sterk doen toenemen. De huidige minister van Financiën heeft zelf dus indirect bijgedragen aan de overschrijding van de kinderopvangkosten! Hiernaast hebben meer ouders de weg naar de gastouderbureaus gevonden. Wanneer familie of bekenden op de kinderen passen, kunnen ze aangemeld worden bij een gastouderbureau, waarna de ouders ook in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. Deze vorm is erg populair geworden, ook omdat de meeste ouders nog steeds graag (een deel van) de opvang informeel organiseren. Tot slot hebben meer gezinnen recht gekregen op kinderopvangtoeslag vanwege het opschuiven van de inkomensgrenzen waarbij nog recht bestaat op een vergoeding.

De vraag is of tegenover de hogere kinderopvangkosten ook een evenredig hogere arbeidsparticipatie staat. Dit valt moeilijk hard te maken. In 2006 – 2007 groeide het aantal kinderen dat opgevangen werd via de Wet kinderopvang gemiddeld met 22% per jaar. De groei van de arbeidsparticipatie van vrouwen stabiliseerde juist in die periode. Het lijkt er daarom op alsof er sprake is van een zogenaamde 'vervangingsvraag'. Ouders die eerst de kinderopvang regelde zonder overheidssubsidie, hebben dit ingeruild voor gesubsidieerde vormen van opvang. Dit leidt ertoe dat tegenover de extra kosten voor de overheid nauwelijks extra baten zijn komen te staan.

Al met al kan geconcludeerd worden dat kinderopvang heeft bijgedragen aan de beslissing van vrouwen om aan het werk te gaan. Maar nu een groot deel van de vrouwen daadwerkelijk aan de slag is, wordt de aanwezigheid van kinderopvang minder belangrijk bij de keuze om meer te gaan werken. 

 

ChristenUnie: drie sporen

De ChristenUnie heeft altijd de keuzevrijheid van ouders benadrukt wat betreft de combinatie van arbeid en zorg. Het gaat dan zowel om het aantal uren dat ouders willen werken, als om de soort opvang die zij voor hun kinderen wensen. Daarom ook heeft de ChristenUnie-fractie zich kritisch uitgelaten over de participatiedoelstelling van het kabinet. Het verhogen van de arbeidsparticipatie moet beschouwd worden als een middel om de overheidsfinanciën beheersbaar te houden en niet als een doel. Geef ouders de tijd en ruimte die ze nodig hebben om voor hun kinderen te kunnen zorgen. Bovendien zal het eenzijdig bevorderen van een hogere arbeidsparticipatie andere effecten met zich meebrengen, die maatschappelijk minder gewenst zijn. Bijvoorbeeld in de sfeer van het vrijwilligerswerk of de mantelzorg.  

Met het oog op de keuzevrijheid is het voor de ChristenUnie niet vanzelfsprekend dat er alleen maar extra geld naar de formele kinderopvang gaat. Toen in 2006 werd besloten met name hogere inkomens meer tegemoetkoming in de kinderopvangkosten te geven, heeft de fractie zich hier dan ook sterk tegen verzet. Met valide argumenten, lijkt nu, aangezien de maatregel waarschijnlijk weer wordt teruggedraaid.   

 

De ChristenUnie hanteert een drie-sporen-beleid om ouders meer ruimte te geven in de combinatie van arbeid en zorg.

Ten eerste moeten ouders voldoende financiële middelen hebben om zélf te bepalen hoe zij de zorg voor hun kinderen willen vormgeven. Met de introductie van het kindgebondenbudget is een belangrijke stap in die richting gezet. Maar ook ten aanzien van de kinderopvangvergoeding moet de nadruk niet alleen op formele kinderopvang liggen. In het Coalitieakkoord[5]is bepaald dat 'tweeverdieners die gebruik maken van informele kinderopvang een betere toegang tot financiele ondersteuning krijgen'. Aan die belofte zal de ChristenUnie het kabinet houden. Ook omdat de informele opvang in een grote behoefte voorziet.

Ten tweede moeten er voldoende verlofregelingen zijn voor werkende ouders, zowel voor vaders als moeders. Het is belangrijk dat ouders tijd kunnen vrijmaken voor hun kinderen. Het kabinet gaat al over naar het verlengen van het ouderschapsverlof. Dat is een goede zaak. Maar het gaat er ook om of ouders het verlof kúnnen opnemen en welke financiële arrangementen hiervoor beschikbaar zijn.

Ten derde zet de ChristenUnie in op het flexibiliseren van arbeidstijden.  Maatregelen in deze sfeer blijken van groter belang voor vrouwen om (meer) te gaan werken dan gratis kinderopvang.[6]Vandaar dat de ChristenUnie al langer pleit voor zaken als schooltijdbanen – waarbij ouders onder schooltijd werken en zo zelf de kinderen kunnen opvangen  – en het eenvoudiger maken van thuiswerken. Dit vergt een cultuuromslag. Maar dit moet lukken, als bedacht wordt dat de mennig over vrouwenparticipatie ook in betrekkelijk korte tijd is veranderd.

 

Het is goed te bedenken dat de ChristenUnie deze maatregelen niet voorstelt om maar zoveel mogelijk mensen ‘de arbeidsmarkt op te jagen’. Het gaat er om dat ouders díe keuzes kunnen maken die ze voor hun gezin het beste vinden. De focus mag dan niet op één soort oplossing liggen, zoals meer geld voor formele kinderopvang. Ouders willen keuzevrijheid om hun arbeid en zorgtaken te combineren. De ChristenUnie zoekt naar mogelijkheden om deze keuzevrijheid werkelijk te bieden. Kinderen zijn kostbaar, geen kostenpost.  

 

 

 

 

 



[1] Hierbij moet bedacht worden dat een baan pas meetelt als deze meer dan 12 uur per week bedraagt. Het aantal vrouwen dat meer dan 1 uur werkt per week, bedroeg in 2006 zelfs 66%. 

[2] Keuzenkamp, S. en Steenvoorden, E. in: Nederland Deeltijdland, SCP (2008)

[3] Beleidsprogramma 2007 - 2011

[4] Dijkgraaf, M. en Portegijs, W. in: Nederland Deeltijdland, SCP (2008)

[5] Samen leven, samen werken (2007)

[6] Portegijs, W. en Keuzenkamp, S. in: Nederland Deeltijdland (2008)