Kinderwens moet een echte keuze zijn

Kinderwens moet een echte keuze zijn

 

DoorDidi Braat, vice-voorzitter van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg

 

‘Minister Rouvoet heeft een kinderwens’, zo kopte dagblad De Pers op 19 maart jongstleden. Volgens de Minister voor Jeugd en Gezin dwingen de komende vergrijzingskosten ons land tot nadenken over de hoogte van het geboortecijfer. Nederlandse vrouwen krijgen namelijk gemiddeld 1,7 kinderen terwijl een geboortecijfer van 2,1 ideaal zou zijn om de kosten van de vergrijzing op te vangen. ‘Het is daarom een interessante discussie die we moeten voeren’ aldus Rouvoet. Met dit pleidooi ontketende hij een heftige discussie over bevolkingspolitiek.

 

Taboe in Nederland

In tegenstelling tot landen als Duitsland en Frankrijk, waar de overheid bewust en met succes aan bevolkingspolitiek doet om het geboortecijfer omhoog te krijgen, rust er in Nederland een taboe op overheidsbemoeienis met gezinsvorming.[1] Door de beschikbaarheid van anticonceptie is iedereen vrij om te bepalen óf, wanneer en hoeveel kinderen men wil en daar moet ook zeker niet aan getornd worden. Toch kan de overheid niet werkloos aan de kant blijven staan.  

Vooral gynaecologen en kinderartsen merken al jaren dat mensen steeds langer wachten voordat ze aan kinderen beginnen. De medische risico’s worden vaak onderschat terwijl de verwachting ten aanzien van de kans op zwangerschap na kunstmatige bevruchting juist worden overschat. Zij trekken daarom al langere tijd aan de bel.[2] Voor de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) was dat reden om het signalement Uitstel van ouderschap: medisch of maatschappelijk probleem? in maart 2007 uit te brengen. Hierin werd de vraag gesteld of toenemend uitstel van ouderschap een probleem is en zo ja, of de overheid hier iets aan zou moeten doen. Diverse deskundigen leverden een bijdrage aan dit rapport met als doel de discussie opnieuw te openen.

Net als de oproep van minister Rouvoet bracht dit signalement nogal wat reacties teweeg. De boodschap van het signalement was anders dan de eerste reacties deden vermoeden: geen oproep om eerder aan kinderen te beginnen, maar wel om te wijzen op de medische risico’s van uitstel van ouderschap en aandacht te vragen voor de maatschappelijke hindernissen die het maken van een vrije keuze om kinderen op tijd te krijgen in de weg staan.

 

Onvrijwillig kinderloos

Nederland zit internationaal gezien in de top drie van landen waar het normaal is geworden het eerste kind relatief laat te krijgen: 45% van de vrouwen is 30 plus, bijna 13% van hen is 35 jaar of ouder. En als het aan dit kabinet ligt, lijkt deze trend verder door te zetten, want het aantal mensen met een baan moet de komende tijd fors omhoog terwijl er in 2009 vermoedelijk weer bezuinigd gaat worden op de kinderopvang. Dit zijn nu juist beleidsmaatregelen die uitstel van ouderschap stimuleren.

Uit onderzoek blijkt dat van de vrouwen tussen de 26 en 45 jaar die verwachten kinderloos te blijven, 40% zichzelf als onvrijwillig kinderloos beschouwt. Van de 60% vrouwen die vrijwillig kinderloos zijn, geeft ruim een kwart als reden het moeilijk te vinden arbeid en zorg te combineren. Ruim tweederde (68%) vindt dat werkgevers het gemakkelijker moeten maken om zorgtaken en werk te combineren.[3]
Vooral hoogopgeleide vrouwen stellen het krijgen van kinderen steeds vaker uit of zien er helemaal van af. Als je carrièreambities hebt is dat ook niet zo gek: uit- en afstel loont.[4] Zo is berekend dat vrouwen die carrière en kinderen willen combineren beter niet te vroeg aan kinderen kunnen beginnen. Wie eerst een lange tijd heeft gewerkt voordat het eerste kind komt, verdient over haar gehele loopbaan gemiddeld zo’n 20% meer dan vrouwen die vroeg aan kinderen zijn begonnen. Hoogopgeleide, jonge mensen willen doorgaans eerst een aantal basiszekerheden veiligstellen voordat ze aan kinderen beginnen.[5]

 

Grote medische risico’s

Aan uitstel van ouderschap hangt echter een medisch prijskaartje. De risico’s voor moeder en kind zijn veel groter dan aanvankelijk werd gedacht. Vooral bij vrouwen neemt de vruchtbaarheid na het 30ste levensjaar af, zowel door afname van het aantal als door afname van de kwaliteit van haar eicellen, waardoor ook de kans op miskramen, aangeboren afwijkingen en ongewilde kinderloosheid toeneemt. De kans op een doorgaande zwangerschap neemt voor vrouwen vanaf het  30ste levensjaar af. Rond het 35ste levensjaar is deze kans nog 70%, bij 38 nog maar 40% en bij 41 jaar en ouder minder dan 10%.

Een ander risico is bijvoorbeeld dat de kans op borstkanker groter wordt als iemand de zwangerschap uitstelt.[6] Daarnaast is er een grotere kans op meerlingen, en juist bij meerlingzwangerschappen komen vroeggeboortes vaker voor. En hoe vroeger een kind wordt geboren, hoe meer kans er bestaat op risico’s op handicaps. Ook wordt steeds duidelijker dat te vroeg geboren kinderen ook vaker last hebben van leerstoornissen.[7]

Het is opmerkelijk dat in Nederland veel mensen deze risico’s niet kennen.

En zo is er een merkwaardige paradox voor jongeren met een kinderwens ontstaan. Vanuit financieel-economisch en sociaal-psychologisch oogpunt ligt het voor de hand te wachten met het krijgen van kinderen totdat je er klaar voor bent. Maar om medische redenen is het beter als vrouwen kinderen op jongere leeftijd krijgen. Ook is duidelijk dat de financieel-economische ambities van het kabinet botsen met het medische belang.

 

Overheidstaak?

Natuurlijk moet niemand zich bemoeien met het moment waarop iemand een kind krijgt, ook het kabinet niet. Maar het is wel van belang dat overheid, bedrijfsleven en vakbonden vrouwen niet alleen oproepen meer en harder te gaan werken, maar zich ook actief inzetten om hindernissen voor jonge vrouwen én mannen die aan kinderen willen beginnen en dat met werk moeten combineren, verminderen of wegnemen. Ook voorlichting over de medische risico’s van uitstel moet al vroeg beginnen, het liefst al in het middelbaar onderwijs. Alleen dan kunnen vrouwen en mannen een afgewogen keus maken.

Het is belangrijk een win-win situatie te creëren waardoor én overheid én werkgevers én (toekomstige) werkende en studerende ouders optimaal kunnen functioneren. Zo zou de overheid via het onderwijs en de gezondheidszorg meer bekendheid moeten geven aan de risico’s van zwangerschap op latere leeftijd. De sociale partners zouden moeten worden aangespoord om de combinatie van arbeid en zorgtaken gemakkelijker te maken door flexibele werktijden en -plekken te bieden. Van belang is ook beleid te ontwikkelen waarin levensloop en loopbaanplanning beter op elkaar zijn afgestemd. Waarom zouden carrièreperspectieven bij deeltijdwerk en na je 40ste niet mogelijk kunnen zijn? En verder is een betaalde verlofregeling voor mannen en vrouwen in loondienst, maar ook voor zelfstandigen nodig. Een hoogwaardige betaalbare kinderopvang en buitenschoolse opvang met voorrang voor de tussenschoolse opvang zijn manieren om arbeid en zorg beter te combineren. Of creëer, net zoals in Duitsland, een keurmerk voor bedrijven die een gezinsvriendelijk beleid voeren, een personeelsbeleid en voorzieningen waardoor arbeid goed met het hebben van kinderen te combineren is.[8] Daarnaast zijn voorzieningen die het krijgen van kinderen op jongere leeftijd aantrekkelijker maken dringend gewenst. Zo zou de overheid ook het nodige kunnen doen om ouderschap en studie beter te combineren.

 

 

KADER

De auteur is naast vice-voorzitter van de RVZ ook hoogleraar gynaecologie en verloskunde aan het Universitair Medisch Centrum St Radboud in Nijmegen. Dit artikel is vooral gebaseerd op het signalement Uitstel van ouderschap: medisch of maatschappelijk probleem? Den Haag, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, 2007.

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] Knijn. T.  en I. Ostner, Kan sociaal beleid dilemma’s van potentiële ouders oplossen? In: RVZ,  Uitstel van ouderschap: medisch of maatschappelijk probleem?, Den Haag, 2007: 77-89.

 

[2] Zie onder meer Te Velde, E. Zwanger worden in de 21ste eeuw: steeds later, steeds kunstmatiger, Utrecht, 1991.

 

[3] CBS, Onderzoek Gezinsvorming, 2003

 

[4] Zie onder meer Schippers, J., Werken en moederen: een ongelukkig huwelijk. In: RVZ, Uitstel van ouderschap: medisch of maatschappelijk probleem? Den Haag, 2007: 49-61.

[5] Zie onder meer Flycatcher on line onderzoek Uitstel van ouderschap. Bijlage 5 in RVZ, Uitstel van ouderschap: medisch of maatschappelijk probleem? Den Haag, 2007: 121-131

 

[6] Hilders, C. en H. Merkus, Medische gevolgen van uitstel van ouderschap. In: RVZ, Uitstel van ouderschap: medisch of maatschappelijk probleem? Den Haag, 2007:17-29.

 

[7] Hille ETM, et al, for the Ducth POPS-19 Collaborative Study Group. Functional Outcomes and Participation in Young Adulthood for Very Premature en Very Low Birth Weight Infants:

the Dutch POPS-study at 19 years of age. Pediatrics 2007;120(3).

 

[8] ‘Bedrijven in Duitsland gaan gezinsvriendelijk beleid voeren’. Financieel Dagblad, 4 april 2008