Kinderopvang is prima aanvulling

Reactie: kinderopvang is prima aanvulling

 

Door Marianne de Wolff, wetenschappelijk medewerker bij TNO en lid van het curatorium van het WI.

 

Weinigen zullen het belang van een veilige gehechtheidsrelatie aan de ouders betwisten. In de eerste levensjaren wordt die band opgebouwd door middel van wederkerige interacties met de ouders. De Lange signaleert echter onthechtende ontwikkelingen in onze samenleving. de toename van kinderopvang is daar één van. Kinderopvang bedreigt de gehechtheid van het kind ‘aan de wereld’, is zijn boude stelling.

 

Onderzoek naar de effecten van kinderopvang[1] laat geen sterke positieve, maar evenmin grote negatieve effecten zien. Kinderen die een dagverblijf bezoeken zijn bijvoorbeeld niet vlotter in het leren spreken. Het verblijf in de kinderopvang – gemiddeld 17 uur per week  – heeft ook geen negatief effect op de gehechtheidsrelatie met de moeder. Het is simplistisch om te spreken van ‘effecten van kinderopvang’ in het algemeen. Het welbevinden van kinderen in de kinderopvang wordt juist bepaald door meer specifieke factoren, zoals: temperament van het kind, leidster-kind-verhouding in de groep, en de mate waarin een vaste leidster beschikbaar is.

Kwaliteitsmetingen van de Nederlandse kinderopvang laten bovendien zien dat de pedagogische kwaliteit redelijk is. Sterke punten zijn de vaste structuur, de sociale interactie en de persoonlijke zorg. Zwakkere punten zijn de stimulering van de cognitieve ontwikkeling, aldus een peiling uit 2002.[2]

 

Moederschapsideologie

De scepsis die De Lange aan de dag legt ten aanzien van kinderopvang is moeilijk hard te maken. Bij De Lange gaat achter deze scepsis een moederschapsideologie schuil. Moeders – en de vaders dan (?) - moeten in de eerste vijf jaar hun kinderen zelf opvoeden. Met name de moeder kan het kind veiligheid en geborgenheid bieden. Ik betreur dit soort uitspraken enorm, omdat het juist in christelijke kring lang heeft geduurd voordat men afstapte van die overtrokken, exclusieve focus op de moeder als meest ideale opvoeder. Dat het vaders een vrijbrief gaf om zich onbekommerd op activiteiten buitenshuis te richten, hebben veel van mijn generatiegenoten ervaren. Gelukkig zijn de vaders van vandaag meer betrokken op hun kinderen. Vaders hebben een belangrijke en onmisbare inbreng in de ontwikkeling van kinderen.  

Twintig geleden liet onderzoek zien dat kinderen zich niet alleen aan moeders, maar ook aan vaders hechten, en aan vaste verzorgers die regelmatig met het kind omgaan. Degene die het grootste aandeel heeft in de opvoeding – meestal de moeder – is wel de belangrijkste figuur binnen het gehechtheidsnetwerk, maar de andere gehechtheidsfiguren fungeren ook als bron van steun voor het kind. In die zin kunnen anderen compenseren voor eventuele ‘tekorten’ of eenzijdigheden van de moeder. Gelukkig maar. 

 

Eenoudergezinnen

De moederschapsideologie van De Lange verraadt een eenzijdige focus op blanke middenklassegezinnen waarbij vaders het geld verdienen en moeders zich aan de kinderen wijden. Veel kinderen groeien vandaag op in eenoudergezinnen, waarbij moeders moeten werken, waarbij onvoldoende structuur geboden wordt, en waarbij het opvoedgedrag te wensen overlaat. Kinderopvang is dan een noodzakelijke aanvulling op de opvoeding thuis. Bovendien: veel allochtone kinderen hebben een taalachterstand als zij naar de basisschool gaan. Juist in de kinderopvang kunnen educatieve programma’s worden ingezet die de taalontwikkeling beogen te stimuleren. Er zijn zeker vragen rondom die voorschoolse educatie, en hoe dat kan worden ingezet. Maar laten we de moederschapsideologie niet van stal halen, dat zou kinderen in achterstandssituatie alleen maar verder achteruit zetten. Kinderopvang is een prima aanvulling op de opvoeding van ouders.

 

.

 

 



[1] Van IJzendoorn, M.H., Tavecchio, L.W.C., Riksen-Walraven, J.M.A. (2004). De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang. Amsterdam: Boom.

[2] Gevers Deynoot-Schaub, M.J.J.M. & Riksen-Walraven, J.M.A. (2002). Kwaliteit onder druk: De kwaliteit van opvang in Nederlandse kinderdagverblijven tussen 1995 en 2001. Pedagogiek, 22, 109-124.