Godsdienstvrijheid onder druk door angst voor islam

Vrijheid van godsdienst onder druk door angst voor islam. Terecht?

 

Door mr. Adriaan Hoogendoorn, gemeentesecretaris / algemeen directeur in Waddinxveen en lid van het Curatorium van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.

 

 

De Rijksuniversiteit van Groningen (RUG) onderzoekt in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken de invloed van religie op integratie. Met de opkomst van de islam nemen de religieuze tegenstellingen toe. Zo heeft Fitna de gemoederen behoorlijk bezig gehouden. Angst heeft een negatieve invloed op integratie. Is deze angst terecht? De discussie over scheiding van kerk en staat is opnieuw opgelaaid. Het boek “Schurende relaties tussen recht en religie” is de eerste publicatie in het onderzoek van de RUG. Het boek is vooral registrerend en beschrijvend van aard. Enkele thema’s geef ik weer, voorzien van commentaar.

 

Discussie verschiet van kleur

De scheiding van kerk en staat kent drie modellen. In landen met een staatskerk is sprake van een bevoorrechte godsdienst (Noorwegen, Verenigd Koninkrijk). Landen als Turkije en Frankrijk kennen een strikte scheiding van kerk en staat. Godsdienst wordt daar strikt buiten het publieke domein gehouden. Nederland kent het model van de pluralistische samenleving. De overheid stelt zich neutraal op tegenover de verschillende religies.

De scheiding van kerk en staat heeft in Nederland vorm gekregen ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Het beginsel van de geestelijke vrijheid staat daarin voorop. Een bescherming tegen overheidsingrijpen! Door ontkerkelijking en ontzuiling leek de scheiding van kerk en staat niet meer zo relevant. Met de komst van moslims (en de islam) werd de rol van religie in het publieke leven weer een belangrijk onderwerp. Moslims willen zich vaak door het dragen van religieuze symbolen (zoals de hoofddoek) in de publieke ruimte manifesteren als gelovigen. De discussie over de multiculturele samenleving en het integratiebeleid wordt in Nederland steeds vaker verbonden met de scheiding van kerk en staat. Het leidt tot een roep om scheiding van kerk en staat naar het Franse model (laïcité), waarin de overheid eist dat religie in het publieke domein geen rol speelt.

Uit deze beschrijving concludeer ik dat de discussie over scheiding van kerk en staat van kleur is verschoten. Voor Willem van Oranje draaide dit beginsel om de vrijheid van geloof en geweten; een bescherming tégen overheidsbemoeienis. Uit vrees voor de islam wordt nu echter in het integratiedebat juist aangedrongen op overheidsbemoeienis om daarmee religie uit het publieke domein te weren, bijvoorbeeld door Paul Cliteur. Deze benaderingen staan haaks op elkaar.

 

 

Godsdienstvrijheid

De vrijheid van godsdienst is vastgelegd in de Grondwet en in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) maakt onderscheid tussen het hebben en belijden van een geloof (forum internum) én het uiten van het geloof (forum externum). Aan het forum internum kent het EHRM vergaande bescherming toe. Dat geldt minder voor het forum externum. Art. 9 EVRM laat wettelijke beperkingen in de godsdienstvrijheid toe, indien dit voor een democratische samenleving noodzakelijk is. Het EHRM geeft in deze belangenafweging veel beoordelingsvrijheid (margin of appreciation) aan de lidstaten omdat het belang van religie per land verschilt en er veel verschillende verhoudingen tussen kerk en staat bestaan. Het EHRM trekt wel een grens waar religieus pluralisme ontaardt in rechtspluralisme, waarin religieuze groeperingen onderworpen zijn aan eigen publieke rechtsregels. Het EHRM heeft de Turkse overheid toegestaan de Refah Partisi te ontbinden omdat in haar partijprogramma staat dat zij invoering van de sharia voor het islamitische deel van de bevolking wenst. Het EHRM oordeelt dat de sharia in strijd is met fundamentele waarden. 

In Nederland is de neutraliteit van de staat veel meer gelegen in het feit dat de staat alle religies gelijk behandelt dan in het feit dat de religie niet mag doordringen in het publieke domein omdat ze de seculariteit van de staat zou aantasten. Onze rechtsstaat waarborgt religieuze pluriformiteit juist door aan religieuze uitingen optimaal de ruimte te geven. Hier geldt het beginsel van interpretatieve terughoudendheid. Dit houdt echter níet in dat iedereen wettelijke voorschriften naar believen aan eigen godsdienstige overtuiging mag toetsen. Belangrijk is dat een opvatting aantoonbaar door een bepaalde kring wordt aangehangen. Ook mogen geen strafbare feiten worden gepleegd met godsdienstvrijheid als rechtvaardiging.

 

Paradoxale situaties rond hoofddoekjes

Grondrechten geven ruimte aan andersdenkenden en waarborgen de pluriformiteit van een samenleving. Inherent hieraan is botsing van grondrechten. Dit manifesteert zich sterk bij islamitische waarden, veel meer nog dan bij christelijk-orthodoxe opvattingen (die ook sterk kunnen afwijken van de meerderheidsopvatting). Dit heeft er alles mee te maken dat de islam historisch gezien vreemd is aan Nederland.

Het dragen van een hoofddoek wordt beschouwd als een religieuze uiting. Hieraan mogen beperkingen worden opgelegd als dat noodzakelijk is voor een democratische samenleving. Zo wordt het Turkije door het EHRM veelvuldig toegestaan de godsdienstvrijheid te beperken door een hoofddoekverbod op openbare scholen. Bij invoering van de Turkse staat (1923) heeft Atatürk bewust gekozen voor de seculiere staat om te voorkomen dat moslimfundamentalisten naar de macht zouden grijpen. Gezien de omvang van de moslimbevolking is angst voor de politieke islam begrijpelijk. Een hoofddoekverbod is volgens het EHRM een noodzakelijke beperking voor een democratische samenleving in Turkije.

In dit verband speelt in Nederland ook de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) als uitwerking van art. 1 Grondwet (discriminatieverbod) een rol. Vanwege de godsdienstvrijheid geldt deze wet niet binnen kerken en bijzonder onderwijs. De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) erkent net als het EHRM het dragen van een hoofddoek als religieuze uiting en biedt daaraan vergaande bescherming, ook in horizontale verhoudingen (tussen private partijen). Een werkgever mag een hoofddoek voor een medewerker niet verbieden met verwijzing naar de godsdienst. Terwijl het EHRM in Turkije voor openbaar onderwijs een hoofddoekverbod toelaatbaar acht, is de CGB in Nederland van mening dat zo’n verbod een ongeoorloofd onderscheid inhoudt, omdat de openbare school er juist is voor iedere leerling, ongeacht geloofs- of levensovertuiging. Een essentieel verschil in de uitspraken is dat een hoofddoek naar het oordeel van het EHRM de neutraliteit van het openbaar onderwijs aantast, terwijl de CGB meent dat dit juist verenigbaar is met de neutraliteitseis van het onderwijs. Dit lijkt elkaar tegen te spreken, maar in de doelstelling is er overeenstemming. In Turkije wordt de neutraliteit gediend door uniformiteit. In Nederland wordt de neutraliteit juist gefaciliteerd door pluriformiteit.

Het boek verklaart de verschillen met deze beschrijving correct. Daarmee wordt ook zichtbaar tot welke paradoxale situaties de rechtsbescherming kan leiden. In Turkije wordt het vele Turken (moslims) verboden hun geloof in de publieke ruimte te manifesteren, terwijl het de moslims in Nederland als minderheid nota bene wel wordt toegestaan dit te doen.      

 

Culturele klimaatverandering

In de periode dat ik mij met dit boek bezighield, berichtte de krant nieuwe ontwikkelingen. Zoveel dat het boek gedeeltelijk al weer achterhaald is. De (veronderstelde) islamisering heeft Europa in zijn greep. Intussen worstelt Turkije zichtbaar met de paradoxale situatie in eigen land. Ondanks het adagium van de seculiere staat lijkt de islam aan invloed te winnen. Zo heeft het Turkse parlement recent op voorstel van de regeringspartij AKP besloten hoofddoekjes op universiteiten niet langer te verbieden.

Dit was voor de Turkse justitie aanleiding de hoogste rechtbank in Turkije te vragen de AKP te verbieden. Voorstanders van de seculiere staat vrezen dat de AKP Turkije wil islamiseren. De Turkse justitie wil zelfs dat president Gül en premier Erdogan (beiden van de AKP) 5 jaar lang geen politieke functies meer bekleden. Erdogan zei in een reactie dat een verbod van zijn partij “tegen de wil van het volk” zou zijn. Met andere woorden, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Tegelijk is er nu in Turkije sprake van religieuze hervormingsdrang. Modernisering van de islam krijgt vorm door het opnieuw interpreteren van de hadith (belangrijke islamitische geschriften) om zo de hadith begrijpelijk te maken voor het moderne Turkse volk. Voor zaken als vrouwenbesnijdenis en eerwraak zou geen plaats meer zijn.

Turkije neigt dus naar loslating van de seculiere staat. Daarentegen gaan in Nederland steeds meer stemmen op de seculiere staat in te voeren, althans neutraliteit tot norm te verheffen. Daarbij vallen mij twee ontwikkelingen op. Enerzijds het pleidooi om de religie geheel buiten het publieke domein te houden. Anderzijds de neiging het discriminatieverbod bredere toepassing te geven. Er is in Nederland een trend het gelijkheidsbeginsel zwaarder te laten wegen dan andere grondrechten, hoewel weging van grondrechten door de wetgever aan de rechter is overgelaten ter toetsing in concrete gevallen.

De voorkeur voor het gelijkheidsbeginsel werd dit voorjaar nog eens duidelijk bij de evaluatie van de Algemene wet gelijke behandeling. Toen bleek dat een flink deel van het parlement - met de Commissie Gelijke Behandeling aan haar zijde - de wet zodanig wilde aanpassen, dat bijvoorbeeld bijzondere scholen ruimte wordt ontnomen leerkrachten met een leefwijze, strijdig met de identiteit van de school, buiten de deur te houden. Het kabinet heeft weliswaar besloten de Awgb ongewijzigd te laten, maar minister Plasterk heeft al aangegeven niet gerust te zijn op de praktijk; hij vreest kennelijk onterechte discriminatie op bijzondere scholen. Deze discussie lijkt dus ook in coalitieverband niet beëindigd.

Voortvloeiend uit grondrechten als vrijheid van godsdienst, vereniging en meningsuiting én het principe van “soevereiniteit in eigen kring” hebben kerken en organisaties tot nu toe het recht de interne inrichting van eigen organisaties vergaand zelf te bepalen. De rechter respecteert dit zoveel mogelijk, waardoor er ruimte is voor religieuze en culturele pluriformiteit. De jurisprudentie over het vrouwenstandpunt van de SGP is in dit verband een lakmoesproef. Het boek maakt nog melding van de uitspraak van de rechtbank dat de overheid niet langer aan de SGP subsidie mag toekennen, omdat de staat op grond van het VN-vrouwenverdrag gehouden is gelijke behandeling van vrouwen en mannen te bevorderen. Ook op dit punt is het boek achterhaald. Inmiddels zijn er in deze kwestie ook rechterlijke uitspraken van de Raad van State en van het Gerechtshof. Deze rechtsorganen hebben overigens tegengestelde uitspraken gedaan. De uitspraak van het gerechtshof is nogal bedenkelijk, omdat daarin het gelijkheidsbeginsel een absoluut karakter krijgt ten opzichte van andere grondrechten.

 

De Sharia en de Tien Geboden

Angst voor de politieke islam heeft in Turkije geleid tot de seculiere staat. Diezelfde angst heeft in Nederland een discussie over scheiding van kerk en staat aangewakkerd, waarbij getracht wordt religie (vooral de islam, maar ook het christendom) uit het publieke domein te weren. Is angst terecht? De studie van de RUG geeft veel informatie over de Sharia. Dit begrip kent verschillende betekenissen. In het westen beleven we de sharia als islamitisch wetboek. Sharia lijkt synoniem aan lijfstraffen en vrouwenonderdrukking. Maar de sharia kent vooral ook geloofsregels. Sharia betekent letterlijk “het pad dat naar de waterbron leidt”. Het grootste verschil tussen westers recht en de sharia is volgens de onderzoekers uiteindelijk de gezagverlenende instantie. In westerse landen is dat de volkssoevereiniteit terwijl het islamitisch recht wordt beschouwd als van God gegeven. De onderzoekers gaan eraan voorbij dat zich hier in de kern dan ook een spanning met het christendom openbaart. Ook christelijke politiek verwerpt immers de idee van volkssoevereiniteit. En over de gelding van Gods wet zegt Prediker: “Heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens” (Pred. 12: 13). Een universeel gebod.

Maar de vraag is welke rol de overheid heeft. Die vraag wordt zowel door islamieten als door christenen verschillend beantwoord. De taliban leert ons dat de islam dood en verderf teweeg brengt als het door fundamentalisten wordt gepraktiseerd. Maar de islam is niet gelijk aan de taliban. Barmhartigheid en gerechtigheid is ook aan de islam niet vreemd.

Het christendom heeft in de geschiedenis ook geen schone handen. Artikel 36 NGB beschrijft de taak van de overheid. In 1905 heeft de synode van de Gereformeerde Kerken uit dit artikel een passage geschrapt, waarin “het weren en uitroeien van de afgoderij, valse godsdienst en het rijk van de antichrist” aan de overheid werd opgedragen. In andere reformatorische kerken staan deze woorden er nog steeds. In het integratiedebat worstelt de SGP hiermee. In extremo zou een SGP-regering leiden tot vervolging van niet alleen moslims, maar ook van atheïsten en rooms-katholieken.

 

Terechte angst?

Scheiding van kerk en staat heeft in de christelijke politiek terecht een fundamentele betekenis gekregen. Want Christus regeert door zijn Woord en niet door de zwaardmacht van de overheid. Christus wijst ons de weg in zijn gelijkenis over het onkruid op de akker. Gods kinderen én kinderen van het kwaad groeien in deze wereld samen op. Het oordeel is aan Hem. In dat licht bezien is het oprukkende secularisme wellicht een grotere bedreiging dan de islam. Maar God regeert.