Gezinsbeleid: een gedeelde verantwoordelijkheid

Gezinsbeleid: een gedeelde verantwoordelijkheid

Door André Rouvoet, Minister voor Jeugd en Gezin

 

In de eerste maanden nadat ik mijn beleidsprogramma ‘Alle kansen voor alle kinderen’ aan de Kamer had toegezonden, is veel discussie gevoerd over de overheidsbemoeienis met het gezin en de opvoeding. In het najaar hoop ik een Gezinsnota aan de Kamer toe te zenden, waarin dit vraagstuk in zijn bredere samenhang aan bod zal komen. Denkwijzer heeft mij gevraagd om hierop vooruitlopend in te gaan op de vraag hoe mijn gezinsbeleid zich verhoudt tot de uitgangspunten van de christelijke politiek, in het bijzonder het beginsel van de soevereiniteit in eigen kring. Aan het slot roep ik bestuurders van de ChristenUnie op om in hun gemeente of provincie werk te maken van gezinsvriendelijk beleid.

 

Gezinsbeleid in de laatmoderne samenleving

Voor een goed begrip ga ik eerst in op de bredere analyse van maatschappelijke trends, welke de achtergrond vormen waartegen dit kabinet zijn beleid in het Coalitieakkoord heeft geformuleerd. Processen van individualisering, globalisering en technologisering hebben de Westerse samenleving de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Ze hebben geleid tot erodering van de sociale cohesie in buurten en wijken, afname van gedeelde normen en waarden, toenemende gevoelens van onzekerheid en onveiligheid. Als gevolg van het individualisme en het streven naar autonomie, gedragen mensen zich als ‘individuen die hun eigen biografie samenstellen’. Ze balanceren tussen verschillende deelprojecten als een carrière, partnerrelatie, zorgtaken en kinderwens. Sociale verbanden en relaties worden daarmee meer voorwaardelijk en minder duurzaam.

Zo is ook het gezin als belangrijk kernverband in de samenleving steeds meer onder druk komen te staan. Opvattingen over huwelijk, gezin en rolverdeling tussen mannen en vrouwen, ook ten aanzien van arbeid en zorgtaken, zijn verschoven. Dit leidde ook tot meer belangenconflicten in de gezinssfeer. Secularisering en veranderende opvattingen over seksualiteit droegen vervolgens bij tot een lagere waardering van het huwelijk en de toename van alternatieve samenlevingsvormen. Tegen deze achtergrond laat zich ook de grote toename van echtscheidingen van de laatste decennia begrijpen. De laatste jaren is er meer oog gekomen voor de schaduwzijden van deze ontwikkelingen.[1]

Breed leeft het gevoel dat we op grenzen stuiten. Er klinkt een roep om herstel van sociale cohesie, van gedeelde normen en waarden. Het is terecht dat mensen daarbij ook naar de overheid kijken. Dit kabinet heeft ervoor gekozen om die roep niet te negeren, en tegen de stroom van verwijten van betutteling in die uitdaging aan te gaan. De centrale opdracht van dit kabinet is te werken aan de kwaliteit van de samenleving en te investeren in wat we gemeenschappelijk hebben.

Dat kan niet zonder een uitdrukkelijk gezinsvriendelijk beleid. “Het gezin is een belangrijke bron voor het kweken van betrokkenheid bij de samenleving. Een gezinsvriendelijk beleid draagt eraan bij dat kinderen van jongs af aan zelfvertrouwen, weerbaarheid en verantwoordelijkheidsgevoel meekrijgen.” (Coalitieakkoord, p.23).

Dat is niet terug naar de jaren ’50, integendeel. Dit kabinet zet in op “nieuwe arrangementen die beantwoorden aan de dynamiek van deze en de komende tijd. Die moeten ten dienste staan van het vergroten van de mogelijkheden en de kwaliteit van leven van mensen. De overheid zal mensen mobiliseren, verbinden, ondersteunen en toerusten om hun verantwoordelijkheid voor hun eigen leven en de samenleving in al zijn verscheidenheid vorm te geven.” (p.5) Het gezinsbeleid moet antwoord geven op uitdagingen die de huidige, dynamische samenleving aan mensen stelt. Specifiek aan gezinnen.

 

Nederland gezinsvriendelijker maken

De centrale uitdaging is voor mij om een beleid neer te zetten dat Nederland gezinsvriendelijker maakt. Daarmee bedoel ik dat gezinnen zich gesteund weten door hun sociale omgeving, worden versterkt en niet tegengewerkt. Alleen al op belevingsniveau ervaren ouders met jonge kinderen immers te vaak dat zij zich voor hun keuze om een gezin te stichten moeten verantwoorden. Mede daardoor is in Nederland uitstel van ouderschap gewoon geworden: vrouwen krijgen hun eerste kind gemiddeld pas als ze 29,4 jaar oud zijn, waarmee ons land zich in de Europese top-3 bevindt. Terecht heeft de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg het uitstel van ouderschap als medisch en maatschappelijk probleem op de agenda gezet.[2] Aan het slot van dit artikel kom ik nog terug op het gezinsvriendelijker maken van leef- en werkomstandigheden in ons land.

De aanleiding voor dit artikel ligt echter primair in vragen over overheidsbemoeienis bij opvoeding in het jeugdbeleid. Het overgrote deel van de jongeren is gelukkig, maar zo’n 10 procent loopt risico’s en zo’n 5 procent zit in de problemen. Die risico’s en problemen hangen ook samen met de opvoeding en de thuissituatie. Kinderen in zogeheten multi-probleemgezinnen lopen per definitie een groot risico op opgroei- en ontwikkelingsproblemen. Uit het stijgende beroep op jeugdgerelateerde regelingen, zoals de provinciale jeugdzorg, het speciaal onderwijs, de jeugd-GGZ en de Wajong, blijkt dat er sprake is van een toenemende problematiek. Dat maakt een integraal jeugd- en gezinsbeleid dringend noodzakelijk.

 

Overheidsbemoeienis bij gezin en opvoeding

Opvoeding is primair een zaak van de ouders. Ik ben het eens met diegenen die niet willen dat de overheid zich te veel met de opvoeding en met gezinnen achter de voordeur gaat bemoeien. De overheid mag niet op de stoel van de ouders zitten, want het zijn de ouders die naar de aard en structuur van het gezinsverband zelf verantwoordelijk zijn voor de zorg en opvoeding van hun eigen kind. Tegelijk denk ik dat de maatschappelijke situatie zoals hierboven geschetst een verbetering van het opvoedklimaat noodzakelijk maakt: ouders zoeken steun vanuit de politieke en sociale omgeving voor wat ze hun kinderen willen meegeven. Dat vraagt in de eerste plaats wat van buren, familie, maar ook van hulpverleners, onderwijzers, professionals rondom het kind. De overheid kan hiertoe wel voorwaarden scheppen, zoals met vrijwillige opvoedondersteuning in de Centra voor Jeugd en Gezin.

Overheidsingrijpen komt pas in beeld als de sociale omgeving onvoldoende in staat blijkt om corrigerend op te treden wanneer ouders hun taak verwaarlozen. Let wel: het gaat dan echt om problematische gezinssituaties. Dan komt de vraag op of de overheid in het belang van het kind moet ingrijpen, ook al is er nog geen sprake is van kindermishandeling, maar wel van dreigende opgroeiproblemen of het weigeren van hulp door de ouders. Op dit moment bereid ik samen met de minister van Justitie een wetsvoorstel voor om de gronden voor ondertoezichtstelling te verruimen. Daarmee verruimt de wetgever de mogelijkheid voor de rechter om zich in de verantwoordelijkheid van de opvoeder te begeven. De vraag die door sommigen is gesteld, is hoe dit zich verhoudt tot de traditie van de christelijke politiek, waarin altijd zeer terughoudend met deze rol van de overheid is omgegaan.

 

Gezin en soevereiniteit in eigen kring

Het beginsel van de soevereiniteit in eigen kring is een centraal element in de christelijk-politieke traditie waarop de ChristenUnie voortbouwt. De gedachte komt er in essentie op neer dat verbanden of kringen waarin mensen samenleven een eigen aard en eigen normatieve structuurkenmerken kennen. In deze visie is de mens geen autonoom individu, maar komt hij pas tot zijn recht in relatie tot zijn naasten, tot zijn omgeving, en tot zijn Schepper. De verbanden of kringen zijn nevengeschikt, en niet tot elkaar herleidbaar. Ik citeer uit eigen werk: “Kerk en staat zijn bijvoorbeeld niet tot elkaar te herleiden. Evenmin kan van het gezin worden gezegd dat het is afgeleid van de staat. Dit inzicht heeft als consequentie dat een opvatting die we nog wel eens tegenkomen, namelijk dat de opvoeding van de kinderen door de staatsgemeenschap (gedeeltelijk) aan het gezin is gedelegeerd, fundamenteel van de hand moet worden gewezen.”[3].

Het zou te kort door te bocht zijn om hieruit de conclusie te trekken dat de staat zich dus nooit met het gezin zou mogen bemoeien. Naast het afgrenzen van de eigenheid van de verbanden kennen de verbanden ook de gemeenschappelijke norm van de gerechtigheid, waarop zij elkaar kunnen aanspreken.[4]

Daarnaast geldt dat geen enkel beginsel, dus ook niet dat van soevereiniteit in eigen kring, is bedoeld als blauwdruk. Het is een ordeningsprincipe, dat toegepast moet worden in de dynamiek van de maatschappelijke ontwikkelingen. “Vele voorbeelden zijn te geven van situaties waarin gezagsdragers zich onmiskenbaar buiten de sfeer van de eigen kring begeven.” Ik sprak indertijd van een ‘kring in nood’. Ik schreef erbij: daarbij “moet wel worden opgemerkt dat een dergelijk ingrijpen in principe een tijdelijk karakter dient te hebben. Zodra het verantwoord is behoort de taakuitoefening weer te worden overgelaten aan de ‘oorspronkelijke’ gezagsdragers van de betreffende kring.”[5]

In het christelijk-politieke denken wordt het als hoofdtaak van de staat gezien om de publieke gerechtigheid te bevorderen. Recent schreef de Britse Dooyeweerd-kenner dr. Jonathan Chaplin, directeur van het Kirby Laing Institute for Christian Ethics in Cambridge, het zo: wanneer de mogelijkheden van ouders onaanvaardbaar tekortschieten, als zij daardoor hun taken niet kunnen uitoefenen en als daardoor de rechten van hun kinderen geschonden worden (zij hebben geen veilige omgeving en worden bedreigd in ontwikkelingsmogelijkheden), en de overheid treedt op om dat te voorkomen of te beëindigen, dan is er vanuit de gedachte van soevereiniteit in eigen kring “geen sprake van onrechtmatige staatsbemoeienis of ‘overschrijden van grenzen’ maar juist van een staat die in eigen rechte aan zijn unieke roeping invulling geeft.”[6]

Benadrukt zij hierbij dus dat dit overheidsoptreden zoveel mogelijk tijdelijk moet zijn, en gericht op het doen hernemen van de eigen verantwoordelijkheid. Het is daarmee curatief van aard.

 

Richting

Ten aanzien van de verhouding tussen overheid en gezin leiden deze uitgangspunten tot drie gedachten die richting geven bij het vormgeven van het jeugd- en gezinsbeleid:

 

De overheid schept voorwaarden waardoor gezinnen zich kunnen ontwikkelen en ouders de opvoeding en verzorging van kinderen op zich kunnen nemen. Te denken valt aan inkomensondersteuning, aan wetgeving die het combineren van arbeid en zorg faciliteert, en ook aan het beschikbaar stellen van opvoedadvies op vrijwillige basis. Het kan soms ook betekenen dat de overheid een gezin faciliteert om, als het daar zelf niet in slaagt, het eigen sociale netwerk te mobiliseren.

Dat is de benadering die bekend staat als de Eigen Kracht benadering, die ik van harte ondersteun en verder wil verspreiden. De overheid kan ook wijzen op het bestaan van relatiecursussen, om partners te helpen bij het dragen van de verantwoordelijkheid om elkaar trouw te blijven en de duurzame zorg voor hun kinderen op zich te blijven nemen. Dit draagt ertoe bij dat ouders worden toegerust tot verantwoordelijkheid.

 

Als een gezin in problemen is geraakt, al of niet door eigen toedoen, kan dit aanleiding zijn voor de overheid om in te grijpen en (een deel van) de verantwoordelijkheid van ouders op zich te nemen.

Te denken valt aan het aanbieden van een hulp- of zorgtraject aan het kind, indien nodig buitenshuis in een pleeggezin of in de residentiële zorg. Indien ouders niet willen meewerken, maar het belang van het kind dit vereist, zelfs tegen hun wil. Dat kan leiden tot ondertoezichtstelling (OTS), uithuisplaatsing en in het uiterste geval gezagsbeëindiging. Dat betekent dus dat de nood hoog moet zijn opgelopen. In dat geval vereist de norm van gerechtigheid dat de boel niet op zijn beloop wordt gelaten, maar dat er wordt ingegrepen waar ouders hun verantwoordelijkheid jegens het kind niet waarmaken. Daarmee geeft de overheid invulling aan haar unieke roeping.

 

Dit ingrijpen moet incidenteel en zoveel mogelijk tijdelijk zijn, en gericht op herstel van het vermogen om zelfstandig verantwoordelijkheid te dragen.

Dit maakt zoiets als verplichte opvoedondersteuning als begeleidend onderdeel van een uithuisplaatsing ook zo van belang. Het stelt ouders in staat hun opvoedtaken beter op zich te nemen na terugkeer van het kind. Mijn aanpak is erop gericht dat hulpverleners zich niet afzonderlijk met een deel van het probleem bezig houden, maar juist met elkaar samenwerken om het gezin als geheel weer op de rails te krijgen. Die benadering staat mij voor ogen met het motto ‘1 gezin, 1 plan’.

 

Deze uitgangspunten geven richting aan het beleid ten aanzien van gezin, jeugd en opvoeding. De essentie ervan is dat het ouders moet toerusten tot verantwoordelijkheid. Daar ben ik met hart en ziel mee bezig.

 

Gezinsvriendelijke bedrijven en gemeenten

In het voorgaande zijn vooral de taken van overheid en ouders aan bod gekomen. Gezinsbeleid is echter een gedeelde verantwoordelijkheid van de samenleving als geheel. In april dit jaar bezocht ik mijn Duitse collega van het Bundesministerium für Familie, Senioren, Frauen und Jugend, minister Ursula von der Leyen (CDU). Een interessant aspect in haar beleid is dat zij bondgenootschappen heeft gesloten met andere spelers in de samenleving. Zo heeft zij afspraken gemaakt over gezinsvriendelijkheid van bedrijven met als resultaat dat werkgevers zich meer inspannen om werknemers mogelijkheden te bieden om arbeid en gezin te combineren. De dag na mijn bezoek aan Berlijn heb ik tijdens het Voorjaarsoverleg tussen kabinet, werkgevers en werknemers aangekondigd vergelijkbare stappen te willen zetten in Nederland.

Een ander aansprekend Duits initiatief is de vorming van ‘Lokale Bündnisse für Familien’. Dit zijn lokale initiatieven waarin gemeentelijke overheid, scholen, bedrijven, kerken, etc samenwerken aan een gezinsvriendelijke gemeente. Gezinsvriendelijkheid is een belangrijke factor in de aantrekkingskracht als vestigingsplaats. Te denken valt aan de mogelijkheid om arbeid en zorg te combineren, aanbod van onderwijs en opvoedondersteuning, woningaanbod en recreatief aanbod.

Ik wil bestuurders en volksvertegenwoordigers van de ChristenUnie graag de uitdaging voorleggen om in de eigen gemeente of provincie te pionieren met het concept ‘gezinsvriendelijkheid’. In de aanloop naar mijn gezinsnota die dit najaar verschijnt hoop ik het initiatief voor gezinsvriendelijke gemeenten nader te gaan verkennen en bespreken.

 

Het hart van mijn beleid

Uit het bovenstaande mag blijken dat het er mij niet om te doen is dat de overheid als een soort toezichthouder controle gaat uitoefenen op het reilen en zeilen van gezinnen en kinderen in Nederland. Waar het om gaat is dat de overheid voorwaarden schept, en betrokken is als situaties (dreigen te) ontsporen. Ik ben ervan overtuigd dat lezers van Denkwijzer, onder wie veel actieve lokale en provinciale ChristenUnie-politici, weten waarover het gaat als ik praat over die ontspoorde en gebroken gezinssituaties. Beleidsinstrumenten welke momenteel in ontwikkeling zijn – de Centra voor Jeugd en Gezin, het elektronisch dossier in de jeugdgezondheidszorg, de Verwijsindex Risicojongeren – trekken veel aandacht in het politieke debat. Toch beschouw ik deze instrumenten niet als het hart van mijn beleid. We zijn er immers niet als overal in het land de consultatiebureaus zijn omgevormd tot of aangesloten op een CJG, wanneer alle papieren dossiers van de kinderarts voortaan in de computer staan, of wanneer hulpverleners elkaar voortaan kunnen vinden via een software-applicatie. Ik doe niets af aan het belang van deze instrumenten, maar ik benadruk wel dat ze in het juiste perspectief moeten worden geplaatst, en dat is zoals ik het hierboven schetste. Een gezinsvriendelijk beleid is de beste vorm van preventie. Het gaat erom dat ouders tijd, middelen en vaardigheden hebben om gewoon voor hun kinderen te zorgen, zodat hun kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien. De overheid heeft daar een begrensde maar betrokken taak in. Vormgeven aan die rol beschouw ik als eerste Minister voor Jeugd en Gezin als een belangrijke en prachtige opdracht, júist met het oog op mijn eigen politiek-ideologische achtergrond.



[1] Zie voor een toegankelijke analyse van ontwikkelingen van de laatmoderne samenleving de bijdrage van drs. W. Dekker in ‘Alle vogels hebben nesten, nieuwe aandacht voor gezin en gezinshulpverlening’, Buijten&Schipperheijn 2007.

[2] RVZ, “Uitstel van ouderschap: medisch op maatschappelijk probleem?”, oktober 2007. Het documentaireprogramma Zembla wijdde onlangs een uitzending aan dit fenomeen onder de titel ‘Oude moeders’. Terug te zien op http://player.omroep.nl/?aflID=6951581

[3] A. Rouvoet, Reformatorische Staatsvisie, 1992, p.29

[4] Ibid, p.34

[5] Ibid, p.36

[6] Philosophia Reformata (2007/2)