Vrijwillig maar niet vrijblijvend. Zeggenschap rond MVO

Vrijwillig, maar niet vrijblijvend, toch?

Een kritische blik op het Nederlandse MVO-beleid

 

Door dr. Wim Dubbink

 

 

Is moreel handelen van ondernemingen puur privaat handelen? Mogen bedrijven hier volkomen zelfstandig beslissen wat ze doen? Of hebben andere maatschappelijke partijen daarin ook een zegje?In de discussie over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen houdt deze vraag partijen verdeeld. Uitgaande van het motto van het Nederlandse beleid "vrijwillig, maar niet vrijblijvend" kan verdedigd worden dat NGO's  een rol in het besluitvormingsproces van bedrijven mogen en moeten claimen. Het Nederlands MVO-beleid neemt deze rol onvoldoende serieus.

 

Non-gouvernementele organisaties (NGO’s) en bedrijven botsen nogal eens over wat bedrijven allemaal ‘zouden moeten’. Oxfam en andere organisaties vinden dat bedrijven zich veel meer moeten inzetten tegen kinderarbeid, dat ze actiever de strijd moeten aanbinden met AIDS en dat ze zich moeten inzetten voor mensenrechten. Het is niet zo dat bedrijven nooit iets willen. Maar in het kader van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) eisen NGO’s – en met hen consumenten – méér van bedrijven dan bedrijven (al) doen (Unilever, 2004).

     Vaak wordt er in die discussies op twee niveaus tegelijkertijd gesproken. Op het oog gaat het alleen over concrete claims van NGO’s. De werkgroep India wil dat Bayer scholen bouwt voor kinderen die slachtoffer zijn geworden van kinderarbeid en dat de organisaties hun marktmacht gebruiken om de hele bedrijfskolom onder druk zetten. Oxfam wil dat Roche meer gratis medicijnen ter beschikking stelt ter bestrijding van AIDS in ontwikkelingslanden. Amnesty International wil dat Google de mensenrechtensituatie in China meer betekenis geeft in haar bedrijfsactiviteiten. Onderhuids is er echter nog een discussie gaande. Die gaat over zeggenschap. Wat hebben NGO’s (en buitenstaanders in het algemeen) eigenlijk te zeggen over de besluiten die bedrijven nemen? Waar halen ze het recht vandaan om bedrijven om opheldering te vragen, te corrigeren, aan te klagen en op te roepen tot boycots? Menen de NGO’s soms ook nog het morele recht op een stoel in de directiekamer te hebben? Kortom, wat is de morele status van NGO’s?

Meestal blijft deze discussie over zeggenschap impliciet en ondergronds maar soms komt zij naar de oppervlakte. Bijvoorbeeld als de leidinggevende van het bedrijf IHC Caland voorafgaand aan een gesprek met NGO’s eerst vaststelt dat: “Niemand mag meepraten over het wel of niet aannemen van een order”. Dat bepaalt IHC Caland en niemand anders.[i] Of wanneer NGO’s vaststellen is dat MVO niet iets is dat bedrijven er naar believen bij kunnen doen. MVO is een morele plicht en het betekent voldoen aan een aantal (door de NGorganisaties!) opgestelde standaarden. Het is beyond philantropy.[ii]

 

Vraagstelling en opzet

In dit artikel staat de vraag centraal: hebben NGO’s een morele status of positie tegenover bedrijven? Hebben bedrijven een morele plicht hun MVO-relevante besluiten openbaar te verdedigen als NGO’s daarom vragen? Mogen NGO’s tot boycots oproepen? Hebben NGO’s iets te zeggen over de inhoud van MVO? In een globaliserende context waarin de overheid niet meer alleen kan optreden als hoeder van het publieke belang, is het belangrijk opheldering te krijgen over deze vragen.

     Wat ik wil doen is een voorstel uitwerken. Ik wil de status van NGO’s in grove trekken schetsen op basis van een belangrijke lijfspreuk van het Nederlandse MVO-beleid: “vrijwillig, maar niet vrijblijvend”. Dit devies mag gerust een kerngedachte van het Nederlandse denken over MVO worden genoemd. Het stond centraal in het invloedrijke SER-Rapport De winst van Waarden.[iii] Ook in het regeringsstandpunt dat mede op grond van dit rapport in 2001 werd geschreven nam het een belangrijke plaats in.[iv] Begin vorig jaar nog, beriep de Staatssecretaris zich expliciet op de leus.[v] Des te opmerkelijker is het daarom dat het devies nooit wordt uitgelegd. Toch spreekt het niet voor zich. Een nadere verkenning van de mogelijke betekenissen verschaft opheldering over de status van NGO’s in relatie tot het MVO-beleid van bedrijven.

 

De eigenkeuze opvatting van MVO

“Vrijwillig maar niet vrijblijvend” kan op tenminste twee manieren worden uitgelegd. Ik noem de eerste interpretatie de “eigenkeuze opvatting van MVO”. Volgens deze opvatting kunnen we de handelingen van ondernemingen in drie soorten verdelen: de economische verantwoordelijkheden, de juridische verantwoordelijkheden en de sociale verantwoordelijkheden.[vi] De economische verantwoordelijkheid van een bedrijf is winst te maken en voor continuïteit te zorgen. Dit is de hoofdverantwoordelijkheid waaraan veel partijen waarde en belang hechten, zoals werknemers, managers, aandeelhouders c.q. eigenaren, toeleveranciers, consumenten en de samenleving als geheel. De juridische verantwoordelijkheid is ook zeer belangrijk. Deze houdt in dat bedrijven hun activiteiten binnen de grenzen van de wet moeten uitvoeren. Sterker nog, in situaties waar er botsingen ontstaan tussen economische verantwoordelijkheid en juridische verantwoordelijkheid moet de economie bakzeil halen. De wet bepaalt de randvoorwaarde van economische handelingen.

Dan zijn er nog de sociale verantwoordelijkheden. Deze handelen over wensen, verwachtingen en eisen die allerlei partijen in de samenleving hebben ten aanzien van bedrijven. Vroeger ging dat mogelijk vooral om de verwachting dat een lokaal bedrijf de lokale voetbalvereniging en de plaatselijke braderie via advertenties sponsorde. In een globaliserende wereld gaat het om heel wat meer. Het gaat erom dat bedrijven geen schade berokkenen aan het milieu, ook al zijn er wettelijke mogelijkheden om dat te doen. Het gaat erom dat ze geen misbruik maken van schendingen van mensenrechten elders, honger en armoede bestrijden of zelfs gratis medicijnen uitdelen. Kortom, het gaat om MVO.

     Belangrijk in deze driedeling van bedrijfsverantwoordelijkheden is dat bedrijven bij de sociale verantwoordelijkheden volledig zelfstandig en zelfbepaald beslissingen kunnen nemen. Ze kunnen de verwachtingen van de samenleving waarmaken of niet waarmaken. Die keus ligt volledig bij hen. Zij zijn hierin – om het zo maar te zeggen – “soeverein”, zoals een consument volledig zelf mag weten of deze in een restaurant koffie of thee bestelt. Het is een eigen keus. Dit wordt uitgedrukt in het eerste deel van het motto “MVO is vrijwillig. …”.

     Het grote gevaar van een dergelijke mate van vrijwilligheid is natuurlijk dat elk bedrijf met zijn eigen beschrijving van MVO op de loop gaat en er helemaal zijn eigen, mogelijk minimale, invulling aan geeft. In dat geval kan men er gif op innemen dat er heel wat bedrijven zullen zijn die zichzelf maatschappelijk betrokken noemen maar feitelijk nauwelijks iets doen. MVO ligt immers goed bij de consument. Een bedrijf dat zich zo kan presenteren heeft een flinke streep voor op de concurrentie. De consument zal echter in die wereld vol windowdressing en inhoudsloos gepronk, snel genoeg krijgen van MVO. Het kan van alles betekenen en de kans is aanwezig dat je genept wordt door de marketing afdeling. Vandaar de belangrijke toevoeging: “… maar niet vrijblijvend”. Wie A zegt, moet B doen. Elk bedrijf mag zelf weten of het aan MVO doet. Maar wie te kennen geeft, zich ermee te willen associëren (en daarvan de vruchten te plukken), die moet ook werkelijk wat doen. Die moet transparant zijn en bepaalde doelstellingen halen.[vii]

 

Het morele model van MVO

De tweede interpretatie van het motto “vrijwillig maar niet vrijblijvend” noem ik "het morele model van MVO". Volgens dit model moeten we uitgaan van vier soorten handelingen van bedrijven. We hebben economische verantwoordelijkheden, juridische verantwoordelijkheden, morele verantwoordelijkheden en discretionaire verantwoordelijkheden.[viii] Het grote verschil met de vorige interpretatie is dat de categorie van de sociale verantwoordelijkheden in tweeën wordt geknipt. De discretionaire verantwoordelijkheden laten zich goed vergelijken met de sociale verantwoordelijkheden uit het eerste model. Hier gaat het om zaken waarbij de keus volledig bij het bedrijf ligt. Niemand heeft daar iets over te zeggen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de vraag of een bedrijf een voetbalclub zal sponsoren.

     Daarnaast zijn er echter de morele verantwoordelijkheden en daar ligt de zaak gecompliceerd. Enerzijds geldt voor de morele verantwoordelijkheden dat het gaat om besluiten en handelingen waar men nooit toe gedwongen kan worden. Wanneer men dat doet, verliezen ze hun zin. Anderzijds geldt echter dat deze besluiten en handelingen wel degelijk te maken hebben met het rekening houden met collectief bepaalde principes en regels. Volgens deze visie hangt de complexe aard van morele verantwoordelijkheden samen met de aard van de moraal en de manier waarop mensen samenleven. Mensen zijn morele en redelijke wezens die willen samenleven met anderen in een “goed geordende samenleving”. Dit is een samenleving die bepaalde morele regels en morele principes hooghoudt. Omdat die regels over het samenleven gaan, zijn het publieke regels en vormt het geheel van die regels dus de publieke moraal.

Belangrijk is verder te constateren dat het in deze opvatting niet de taak van de overheid is om de publieke moraal (volledig) te realiseren. De overheid houdt zich alleen bezig met de afdwingbare regels en minimale voorzieningen van burgerschap. Het niveau van geordendheid dat daarmee gerealiseerd kan worden, ligt nadrukkelijk lager dan wat redelijke en morele mensen nastreven. Bovendien kan de overheid dat niveau niet halen. Op een gegeven moment loopt de overheid tegen de grenzen van de staatsmacht aan.

     Uitgaand van dit model krijgt het motto “vrijwillig maar niet vrijblijvend” een heel andere uitleg. MVO is ten principale vrijwillig. Het gaat voorbij aan de afdwingbare regels die nodig zijn om een minimale vorm van maatschappelijke ordening mogelijk te maken. Het is alleen relevant voor mensen die zichzelf zien als morele en redelijke wezens c.q. die als zodanig erkenning willen. Tegelijkertijd is MVO niet vrijblijvend. Men bepaalt de inhoud van MVO niet zelfstandig en privaat.

 

Publieke moraal

In het hedendaagse debat lijkt de eerste uitleg dominant te worden. Het SER-Rapport neigt bijvoorbeeld naar deze uitleg. Ik denk dat de tweede uitleg de juiste is. Het vrijwillige aspect van het motto "vrijwillig maar niet vrijblijvend" verwijst naar het feit dat redelijke en morele mensen erkennen dat de publieke moraal meer omvat dan de regels die de overheid stelt. Er is een component waaraan men gehouden is op grond van het feit - en voorzover - dat men zich ziet als een moreel en redelijk wezen. Het "niet vrijblijvende" aspect van het motto verwijst naar de stelling dat de inhoud van dat deel van de publieke moraal sociale regels omvat, geen privaat bepaalde regels.

     Mijn verdediging voor deze uitleg wil ik in dit verband beperken tot slechts één argument: hij past beter bij onze culturele ervaring van MVO. MVO wordt nadrukkelijk gezien als iets goeds. De vraag die dan rijst is: wat maakt MVO tot iets goeds? Dat kan 'm niet alleen zitten in het feit dat MVO-bedrijven bepaalde doelstellingen halen die de samenleving bekoren. Dat zou MVO tot iets willekeurigs maken. Voor het ene bedrijf is dit immers veel makkelijker is dan voor het andere, bijvoorbeeld omdat het ene bedrijf met veel zwaardere concurrentie te kampen heeft dan het andere. Het kan ook niet alleen te maken hebben met het feit dat MVO-bedrijven vrijwillig bepaalde prestaties leveren. Een bedrijf waarvan de werknemers en de leiding vrijwillig zonder touwen een gebouw beklimmen om zichzelf te bewijzen leveren wellicht een mooie prestatie maar niet één die past in het kader van MVO. Ik denk dat we MVO cultureel waarderen vanwege het motief dat eraan ten grondslag ligt. MVO-bedrijven worden gewaardeerd omdat ze in hun handelen erkennen dat redelijke en morele bedrijven zich aan bepaalde regels en principes houden. We waarderen MVO omdat bedrijven die zo handelen erkennen en laten zien dat morele plicht relevant is in de marktcontext. Dit kan alleen zo worden begrepen vanuit de tweede uitleg.

 

Overheidstaak

Gesteld nu dat deze uitleg de juiste is, wat kan deze ons dan leren over de status van NGO’s in de debatten met ondernemingen? Om te beginnen dat er wel degelijk een rol is weggelegd voor NGO’s. MVO gaat over publieke moraal en NGO’s mogen claimen dat het hun rol is discussies over de publieke moraal te articuleren. Het lijkt me relevant dit alvast te noteren, in het licht van de soms opduikende discussie of de overheid specifieke NGO’s op bepaalde manieren mag ondersteunen (bijvoorbeeld financieel). Het argument tegen deze ondersteuning luidt dat je als overheid toch geen organisaties moet willen sponsoren die vervolgens alleen maar kritiek uitoefenen, onder andere op de overheid zelf.

Gegeven de tweede uitleg van het motto lijkt me dit juist precies een taak van de overheid. Enerzijds moet de overheid zelf heel voorzichtig zijn een rol te claimen als het gaat om zaken van publieke moraal. De overheid moet zich met recht bemoeien, niet met moraal. Anderzijds kan men zeggen dat een complexe samenleving als de onze aan bepaalde voorwaarden moet voldoen, willen redelijke en morele burgers in staat zijn het gesprek aan te gaan over publieke moraal. Het lijkt verstandig de overheid hier een belangrijke voorwaardenscheppende rol toe te kennen. Ondersteuning van actoren die het publieke debat proberen te informeren, articuleren en aan te blazen lijkt dan precies een geschikte overheidstaak.

Tegelijkertijd worden door de morele uitleg van het motto de handelingsmogelijkheden van NGO’s enigszins beperkt in relatie tot MVO. Aangezien MVO in essentie iets vrijwilligs is, past negative campaigning (zoals oproepen tot een boycott) daar niet bij. Het lijkt onredelijk om een bedrijf schade te berokkenen voor een activiteit die een bedrijf niet per se moet doen. Volgens deze redenering is het dus onredelijk om bijvoorbeeld de farmaceutische industrie door middel van boycots en andere vormen van negatief campagne voeren, te bewegen tot prijsverlagingen van AIDS medicijnen. Het is om dezelfde reden onredelijk om door middel van negatief campagnevoeren bedrijven te dwingen zich in te zetten voor armoedebestrijding of de verbetering van de positie van kinderen in een land waar ze actief zijn.

 

Bedrijven en NGO’s

Impliceert dit dat bedrijven NGO’s simpelweg kunnen negeren in relatie tot MVO? Hebben bedrijven in ieder geval in die situatie gelijk als ze zeggen dat “het bedrijf beslist en niemand anders”? Dat hangt er volgens mij vanaf hoe je die stelling interpreteert. Formeel lijkt ze te kloppen. Aangezien MVO fundamenteel een streven uitdrukt, moet worden erkend dat het bedrijf hier besluiten neemt en niemand anders. De stelling “wij beslissen en niemand anders” lijkt echter ook uit te drukken dat niemand het bedrijf om opheldering kan vragen en dat de beslissingen van het bedrijf even weinig uitleg behoeven als de keus van een consument voor koffie of thee in een restaurant.

Dat lijkt mij zeer zeker niet een geldige conclusie. De inhoud van de publieke moraal is niet alleen een streven; in een complexe samenleving is ze ook voortdurend in beweging. Discussie hierover is noodzakelijk, alleen al om te bepalen wat de publieke moraal in alle redelijkheid van ons vraagt. In relaties tussen mensen onderling moeten we daarbij zeer voorzichtig in het stellen van een verantwoordingsplicht van mensen. Je kunt niet van mensen verwachten dat ze hun keuzes expliciteren tegenover anderen. Dat botst met fundamentele rechten ten aanzien van privacy en dergelijke. Maar in geval van bedrijven gaat dat argument niet op. Bedrijven zijn geen personen en hoeven als zodanig dus ook geen bescherming. Ze kunnen alleen claimen dat hun bedrijfsgeheimen beschermd moeten worden. Om die reden is het redelijk om te stellen dat van bedrijven wel degelijk verwacht kan worden dat zij hun keuzes ten aanzien zaken die de publieke moraal aangaan, expliciteren. Er kan dus van ze verwacht worden dat ze de keuzes die ze maken in relatie tot MVO rechtvaardigen.

Dit betoog kan overigens op een belangrijke manier worden misverstaan. Wanneer ik stel dat negatief campagne van NGO's onredelijk lijkt in relatie tot MVO zeg ik niet dat negatief campagne voeren altijd onredelijk is. Als we de tweede uitleg van het motto volgen, valt de publieke moraal uiteen in twee stukken: een geheel van minimale en in principe afdwingbare regels (recht) en een geheel van regels waaraan morele en redelijke mensen zich vrijwillig te houden hebben.[ix] MVO heeft in de tweede uitleg alleen betrekking op het laatstgenoemde onderdeel van de publieke moraal. Het eerstgenoemde onderdeel betreft regels en principes die in een goedgeordende samenleving door de overheid worden afgedwongen. Voor zover deze regels en principes door bedrijven niet worden gevolgd vanwege het ontbreken van een goed functionerende overheid, is hard en negatief campagne voeren door NGO's uiteraard wel toegestaan. Bedrijven schenden dan de minimale voorwaarden voor het kunnen bestaan van een goed geordende samenleving. Gebruik maken van kinderarbeid in de productieketen of medicijnen uittesten op onjuist geïnformeerde testpersonen valt hier bijvoorbeeld onder.

 

MVO-Beleid

De Nederlandse overheid heeft zich ten doel gesteld MVO te stimuleren en ontwikkelt in die context MVO-beleid. Welke beleidsinitiatieven passen bij dit betoog? Daarbij past allereerst de kanttekening dat MVO in het hedendaagse beleid tamelijk breed wordt omschreven. Het lijkt ook te gaan om handelingen van bedrijven die erop gericht zijn te voldoen aan de minimale standaarden van geordend samenleven (in situaties waarin de overheid deze niet afdwingt). In dit betoog behoort dat eigenlijk niet tot MVO maar tot het tegengaan van immoreel en/of onbehoorlijke markthandelen.

     Voor zover we daadwerkelijk over MVO spreken, hangen de beleidsconsequenties van dit betoog sterk af van de inschatting of de zeggenschap van NGO's goed is geregeld. Ik denk niet dat dit zo is. NGO's zelf beschikken lang niet altijd over adequate gedragscodes. Acties en actiemiddelen zijn soms onterecht. De overheid zou hier een faciliterende taak kunnen oppakken. Belangrijker echter is dat de maatschappelijke mogelijkheden om bedrijven om opheldering te vragen omtrent hun handelen structureel tekort schieten. In die zin is de zeggenschap van NGO's slecht geregeld. Om slechts één zaak te noemen: door gebrek aan onafhankelijke informatie zijn discussies tussen NGO's en bedrijven door het publiek van burgers en consumenten niet te volgen en niet te beoordelen. In negen van de tien gevallen ontaardt het debat in een welles-nietes spelletje. Bedrijven hoeven hun beleid en hun beslissingen daardoor nauwelijks serieus te rechtvaardigen. Het voordeel van de twijfel komt hen in alle redelijkheid toe. Kortom, als MVO een verantwoordingsplicht voor bedrijven inhoudt, dan dient MVO-beleid minimaal in te zetten op het vergroten van de mogelijkheden voor het publiek om argumenten en beweringen te wegen. Gecertificeerde "CSR-accountants" kunnen hier mogelijk uitkomst bieden. In de financiële wereld is dit immers precies de rol die accountants hebben.[x] Suggesties zoals deze krijgen in het huidige MVO-beleid echter veel te weinig aandacht. De basale reden is dat ook de overheid het motto "vrijwillig maar niet vrijblijvend" op de andere manier (c.q. verkeerd) uitlegt. Een belangrijke consequentie hiervan is dat MVO gezien wordt als een volstrekt private zaak van bedrijven. Wanneer dat zo is, geeft het geen pas ze ter verantwoording te roepen.

 

Conclusie

In de globaliserende wereld worden de relaties tussen bedrijven en NGO’s steeds belangrijker. De zeggenschap en de positie van NGO’s is hierin omstreden. Op basis van een “morele uitleg” van het devies “MVO is vrijwillig maar niet vrijblijvend” concludeer ik dat MVO de formele beslissingsmacht bij bedrijven laat. In die zin is MVO een vrijwillige activiteit. Tegelijkertijd impliceert MVO een morele verantwoordingsplicht van bedrijven. Bedrijven kan gevraagd worden hun moreel relevante beslissingen toe te lichten. NGO's spelen in dit proces in de huidige context een belangrijke rol. Hen komt in die zin zeggenschap toe. Zij articuleren de publieke moraal en stimuleren de noodzakelijke discussie hierover. Beleidsmatig is het relevant te constateren dat NGO's die rol nog niet goed kunnen uitvoeren, onder andere omdat burgers en consumenten niet in staat zijn adequaat argumenten te wegen.

 

 

Dr. Wim Dubbink studeerde geschiedenis en filosofie in Groningen, promoveerde aan de Faculteit Bedrijfskunde in Rotterdam en werkt nu aan de economische faculteit van de Universiteit van Tilburg.

 



[i] Oxfam, Save the Children and VSO (2002) Beyond Philantropy. The Pharmaceutical Industry, Corporate Social Responsibility and the Developing World (Oxfam) Oford.

[ii] Waarbij filantropie in de gedachtengang van de NGO’s blijkbaar volledig op vrijwilligheid berust. Dit is in feite historisch omstreden. Sommigen zien juist filantropie als een morele plicht en niet als iets waarover men volledig zelfstandig besluit.

[iii] Sociaal Economische Raad (2000) De Winst van Waarden: Advies over Maatschappelijk Ondernemen. SER, Den Haag.

[iv] Handelingen van de Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 2000-2001 (2001) Maatschappelijk verantwoord ondernemen, dossier 26485/14. Sdu, Den Haag.

[v] Brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal (15 februari 2007) ‘Voortgangsonderzoek Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.’

[vi] Zie bijvoorbeeld: Post, J.E., A.T. Laurence and J. Weber Business and Society. Corporate Strategy, Public Policy, Ethics. (9th edition) (McGraw-Hill) Boston, 1975/1999.

[vii] Zoals bijvoorbeeld geformuleerd in het UN Global Compact of in de OESO richtlijnen).

[viii] Zie bijvoorbeeld: Carroll, A.B. and A.K. Buchholtz Business and Society. Ethics and Stakeholder Management. 6th edition. (Thomson) Mason, 19xx/2006.

[ix] Deze paradoxale formulering is precies goed. Als men redelijk wil zijn, moet men dit uit vrije wil doen.

[x] Zie: Dubbink, G.W., J. Graafland en Luc van Liedekerke 'CSR, transparency and the role of intermediate organizations. The Dutch case.' Journal of Business Ethics 2008.