Duurzaam democratisch ontwerpen: een handreiking voor politici

Duurzaam democratisch ontwerpen

Een handreiking voor politici

 

Prof. ir Jan Harmsen

 

Voor het maken van plannen in de politiek is het nodig dat er gewerkt wordt aan enige consensus tussen politieke fracties en ook aan consensus met belangengroeperingen. Voor het maken van plannen met belangrijke duurzaamheidaspecten is dit nog meer van belang. Daarom laten we in deze bijdrage allereerst zien welke politieke consensus er over duurzame ontwikkeling is en hoe die overeenkomt met christelijke doelstellingen. Verder geven we een handreiking hoe duurzame plannen ontworpen kunnen worden door een democratisch proces met deelnemers van diverse belangengroeperingen.

 

Wat is duurzame ontwikkeling?

Met een voorbijgang aan allerlei interessante discussies over uiteenlopende opvattingen over duurzame ontwikkeling concentreren we ons hier op die beschrijvingen van duurzame ontwikkeling waarover brede politieke consensus bestaat. Dat is allereerst de definitie van de Brundtland VN-commissie:

 

“Duurzame ontwikkeling is een veranderingsproces, waarin de exploitatie van bronnen, de richting van investeringen, de oriëntatie van technologische ontwikkeling en institutionele veranderingen alle in harmonie zijn, waarmee zowel het huidige als het toekomstige potentieel wordt versterkt om de menselijke noden en kansen te vervullen.”

 

In de populaire versie is dit als volgt verwoord:

“Onder duurzame ontwikkeling wordt verstaan: Een maatschappelijke ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generaties zonder dat daarmee voor de toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar worden gebracht om ook in hun behoeften te voorzien.” [1] 

 

People, Planet, Prosperity

In het bedrijfsleven is deze beschrijving nader gedefinieerd, onder andere door de World Business Council for Sustainable Development, met de triple P dimensies: People, Planet, Profit. Dat betekent dat plannen worden getoetst op sociale acceptatie, geen onomkeerbare schade aan het milieu en op economische haalbaarheid. Ik heb zelf bij mijn studiereizen kunnen constateren dat deze Triple P beschrijving wereldwijd bij het bedrijfsleven in gebruik is genomen.

 

Vervolgens heeft de politiek deze benadering enigszins gewijzigd overgenomen door “Profit” om te zetten in “Prosperity”. Dit is als volgt bekrachtigd in de eindverklaring van de VN Wereld topconferentie in Johannesburg van 2002:

 

“Wij, de vertegenwoordigers van de volkeren in de wereld, herbevestigen onze toewijding aan duurzame ontwikkeling (...). We leggen ons vast om samen te handelen, verenigd door een gezamenlijke overtuiging om onze planeet te redden, de menselijke ontwikkeling te bevorderen en om universele welvaart (Prosperity) en vrede te bereiken.”[2]

 

Heel recent nog heeft Keiner uitvoerig in zijn boek betoogd dat als je de term ‘duurzaamheid’ afschaft, je dan onmiddellijk de term in alle drie dimensies weer moet uitvinden. De wereldconsensus heeft het begrip voor een gezamenlijke ontwikkeling nodig, vanwege de mondiale problemen van armoede, milieu en schaarse grondstoffen.[3] Kortom, de consensus over de beschrijving van duurzame ontwikkeling is groot.    

 

Duurzaamheid en Bijbelse normen

De beschrijving van duurzame ontwikkeling komt ook goed overeen met een aantal bijbelse normen. Een christelijke beschrijving van duurzame ontwikkeling zou kunnen zijn: duurzame ontwikkeling betekent zorg voor de arme naaste, zorg voor het behoud van de rijkdom van de schepping (zowel de levende natuur als de materiaalbronnen) en daarmee ook zorg voor goede omstandigheden voor de volgende generaties.

 

Politieke plannen ontwerpen

Dan komen we nu toe aan een handreiking voor het ontwerpen van plannen in de politiek.

Het ontwerpen van wat dan ook en door wie dan ook, kent een aantal algemene onderdelen. Die onderdelen zijn: Probleemstelling, Synthese (oplossingen genereren), Analyse, Evaluatie (controle door alle belanghebbenden of voldaan is aan doelstelling en randvoorwaarden). Meestal worden deze onderdelen in deze volgorde uitgevoerd.

Verder komen complexe ontwerpen in een aantal ontwerprondes tot stand. Die ontwerprondes zijn dan minimaal: Eerste concept, Definitief concept, Definitief ontwerp. Vaak wordt de laatste ontwerpfase nog weer in een aantal rondes met steeds nauwkeuriger definities van details en kostenschattingen uitgevoerd. Tussen al die rondes worden dan de belanghebbenden gevraagd om commentaar op het ontwerp. 

 

In de figuur[4] heb ik aangegeven in welk onderdeel van het ontwerpen van politieke plannen, welke groeperingen hun rol kunnen spelen. In de probleemdefinitie spelen vooral de politieke partijen een rol. Die moeten tot een consensus komen over de doelstelling en de randvoorwaarden. Omdat de discussie hier gaat over doelstellingen en randvoorwaarden en niet over oplossingen, leiden die discussies vaak wat gemakkelijker  tot consensus. 

 

Cradle to Cradle methode

Als het gaat om grote complexe plannen, zoals bedrijventerreinen met diverse koppelingen via energie en waterstromen aan woonterreinen met een groot aantal raakvlakken met duurzame ontwikkeling, dan kan gerefereerd worden aan bovengenoemde consensus over duurzame ontwikkeling. Voor dit soort plannen kan dan ook gebruik gemaakt worden van de  Cradle to Cradle ontwerpmethode.[5] In deze methode geldt de randvoorwaarde dat er over de hele levenscyclus geen afval geproduceerd wordt, maar dat in alle fasen van de levenscyclus alleen maar die stoffen de natuur worden gebracht die in natuurlijke kringlopen worden opgenomen en dat de overige stoffen weer als grondstoffen  zijn te gebruiken voor nieuwe producten.[6] De gemeente Venlo is al bezig met deze methode.

 

De oplossingen worden vooral door ambtenaren en experts gegenereerd. In een eerste conceptfase is het verstandig om twee of drie verschillende concepten te genereren. In de analyse en in de evaluatiefase levert dit vaak extra inzicht op in wat nu echt de bedoeling is en bovendien kan in de evaluatiefase de burgerij door de gepresenteerde alternatieve oplossingen zich veel beter uitdrukken ten aanzien van wat ze wel willen en wat ze niet willen en vooral waarom ze een bepaalde oplossing niet willen. In de volgende ontwerpfase kunnen dan deze eisen en wensen als nieuwe randvoorwaarden worden opgenomen. 

 

Rol voor de burger?

Bij de presentatie van deze figuur stellen mensen mij nogal eens de vraag: “Waarom laat je belanghebbenden ook niet in de probleemdefinitiefase meedenken?”. Mijn antwoord is dat uit mijn ervaring als plaatselijke politicus, vooral bij de ontwikkeling van het stadscentrum, blijkt dat dat vaak niet goed werkt. Burgers kunnen moeilijk in doelstellingen en randvoorwaarden uitdrukken wat ze willen hebben. Soms komen ze echter al wel met een idee (dus een potentiële oplossing). Maar meestal is die van slechte kwaliteit. Dat is op zich niet erg, maar voor je het weet zijn er valse verwachtingen gewekt - dat het idee een goede kans maakt - en heb je later een probleem om duidelijk te maken waarom dat idee niet goed was.   

 

Toets  

Een eenvoudige toets van de gemaakte plannen op hun duurzaamheid is als volgt uit te voeren. Stel de vragen:

  1. Voorziet het beoogde resultaat in een behoefte?
  2. Is de volgende generatie beter mee af met het oog op milieu en grondstoffen?
  3. Is het economisch haalbaar?

Als alle vragen met ‘ja’ beantwoord kunnen worden dan is het een duurzaam plan. 

 

Conclusies

Tot slot kom ik tot de volgende conclusies.

1) Duurzame ontwikkeling is voldoende goed ontwikkeld, breed genoeg aanvaard en past goed genoeg in christelijke visies over zorg voor de naaste, de schepping en volgende generaties, om gebruikt te worden voor het maken van plannen.

2) Het geleverde stappenplan kan bij het ontwerpen van plannen met verschillende belangengroeperingen van nut zijn.

3) De ChristenUnie is bij uitstek een partij die  duurzame ontwikkeling een versnelde implementatie kan geven door innerlijke gedrevenheid, kennis en de vaardigheid om consensus met andere partijen te bereiken.  

 

 

 

kader

Jan Harmsen is bijzonder hoogleraar van de leerstoel Duurzame Chemische Technologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en werkzaam als principal process developer bij Shell in Amsterdam. Hij houdt zich bezig met het ontwikkelen en ontwerpen van duurzame processen en producten, zoals elektriciteitsproductie uit het zoutgehalteverschil tussen zee en rivierwater, biodiesel uit de Jatrofa en het ontwerp van kauwgum dat de straat niet vervuilt.

In het verleden was hij gemeenteraadslid in Capelle aan den IJssel voor de ChristenUnie.

 



[1] G.H. Brundtland, World Commission on Environment and Development, Our Common Future, OxfordUniversity Press, Oxford (1987).

[3] M. Keiner, The Future of Sustainability, Springer, Dordrecht (2007)

[4] G. Jan Harmsen, Sustainable Process Design, in: Environmental Performance Indicators in Process Design and Operation, Ed. M.P.C. Weijen, DelftUniv. Press,  (1999), 59-68.

[5] Michael Braungart & William Mcdonough, Cradle to cradle – afval is voedsel, Wilco, Amersfoort (2007).

[6] Zie noot 5.