Scherper zien dan Witteveen

Scherper zien dan Witteveen

De eurofractie moet realistisch blijven

 

Door Hans Blokland, Europarlementariër ChristenUnie-SGP

 

In het oktobernummer van Denkwijzer refereerde Mr. Witteveen in zijn artikel ‘De ChristenUnie moet Europeser worden’ aan de brochure van de eurofractie ChristenUnie-SGP Verder zien; uitzicht op een nieuw Europees verdrag. Zijn bijdrage was niet echt een recensie maar meer een oproep aan de ChristenUnie om vooral op het terrein van de buitenlandse en veiligheidspolitiek van de EU positiever en meer pro-Europees te zijn. In dit artikel een reactie op zijn betoog.

 

Eurofractie en ChristenUnie niet identiek

Het heeft er alle schijn van dat Witteveen uit het oog is verloren dat in de eurofractie twee partijen, namelijk de ChristenUnie en de SGP samenwerken. De inhoud van zijn oproep, ‘de ChristenUnie moet Europeser worden’, is daarom moeilijk te adresseren aan een gecombineerde fractie van ChristenUnie en SGP. Om onduidelijkheid te voorkomen, moet mijn reactie met dit voorbehoud beginnen. De auteur verengt de eurofractie tot een ChristenUnie-partijgeleding. Het verwarrende beeld dat hierdoor ontstaat, had de auteur kunnen wegnemen als hij het karakter van de eurofractie als een gecombineerde fractie van twee politieke partijen had verdisconteerd.

 

Het verdrag van Lissabon politiek beoordeeld

Witteveen richt zich in zijn artikel hoofdzakelijk op het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. De oproep aan de ChristenUnie om een meer pro-Europese houding op deze beleidsvelden te tonen, destilleert hij uit zijn constatering dat het wijzigingsverdrag de Unie onvoldoende toerust op de toekomst in een globaliserende wereld. De Unie moet in zijn ogen een actieve buitenlandse politiek voeren, gericht op het actief uitdragen van Bijbelse gerechtigheid.

Het blijft echter onduidelijk waarom het verdrag van Lissabon, zoals het wijzigingsverdrag zal gaan heten, de Unie onvoldoende toerust op deze toekomst. In zijn betoog lees ik geen concrete uitwerking van de elementen die het verdrag volgens hem mist, om in een globaliserende wereld actief te zijn. Het laat zijn verwijt aan de ChristenUnie in het luchtledige zweven.

De ChristenUnie steunt het verdrag van Lissabon. De auteur noemt een aantal verbeteringen ten opzichte van het Verdrag van Nice, waarvan de ChristenUnie de waarde inziet. De wegen scheiden echter bij zijn uiteenzetting over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB).

De auteur bepleit een krachtig GBVB. Het is de vraag hoe realistisch dit pleidooi is. De praktijk van de afgelopen jaren wijst uit dat het juist op het gebied van het buitenlands beleid uiterst moeilijk is om tot een gemeenschappelijk Europees beleid te komen. De bilaterale contacten tussen lidstaten als Duitsland en Italië met een land als Rusland maken het enorm moeilijk om echt met één stem te spreken. Ook de Europese verdeeldheid over de vraag hoe de grote afhankelijkheid van Russische energie-importen te verminderen, spreekt boekdelen.

Betekent dit alles dat de eurofractie passiviteit bepleit op dit beleidsterrein? Het tegendeel is waar. De eurofractie is voorstander van een realistisch buitenlands beleid voor de EU. In onze brochure stellen wij dat het beleidsveld van de buitenlandse betrekkingen primair bij de lidstaten thuishoort. Dit is geen nostalgisch wensdenken, maar de praktijk van vandaag. Europees extern beleid is alleen gewenst in die gevallen waar werkelijk sprake is van een gemeenschappelijk probleem dat vraagt om een gemeenschappelijk antwoord. Het moet Witteveen dan ook ontgaan zijn dat de eurofractie vanuit deze doelstelling komt met constructieve voorstellen op het gebied van extern energiebeleid of het Europees nabuurschapbeleid.

In tegenstelling tot het enigszins steriele en abstracte betoog van Witteveen waardeer ik de nuchtere analyse van Van Keulen, Limonard en Rood van het Instituut Clingendael in hun artikel ‘De Europese Unie na het Verdrag van Lissabon’[1]. De EU is ook op dit beleidsveld een Unie van de kleine stapjes. Ook de nieuwste politieke hervormingen in het Verdrag van Lissabon, de introductie van een Hoge Vertegenwoordiger namens de Raad die tegelijkertijd vice-voorzitter van de Europese Commissie is, is “een gewaagd experiment” en een garantie voor “een periode van bureaucratische rivaliteit tussen de Europese Commissie en het Raadssecretariaat”. De EU is in onze ogen meer gebaat bij de erkenning van deze gebrekkigheid dan bij een zich overschreeuwende Unie, die haar mooie woorden niet kan waarmaken.

 

Angst voor China en de VS?

Na een meer institutionele en verdragsmatige bespreking rijst de vraag waarom Witteveen zo graag een krachtig Europees buitenlands en veiligheidsbeleid wil. Hij wijst daarbij op de veranderende verhoudingen in de wereld. Die nopen de Unie een krachtig GBVB te ontwikkelen. In de loop van zijn betoog blijkt echter dat hij vooral zelf door angst wordt gedreven; een houding waar hij juist de eurofractie van verdenkt.

In de eerste plaats is de auteur bang voor China. China groeit en vergroot zijn economisch, politiek en militair gewicht. Het land wordt daardoor aantrekkelijk voor de Verenigde Staten. Het gevolg zou zijn dat Europa’s relatie met China afbrokkelt. Witteveen maakt hier echt een misser. Binnen het kader van het Strategisch Partnerschap ontwikkelt zich een scala aan bilaterale samenwerkingsverbanden tussen de Europese Unie en China. De VS concentreren zich ondertussen inderdaad op China, maar bepaald niet vanuit de wens Europa voor China in te ruilen. Washington is uitermate bezorgd over de opbouw van het militaire apparaat van Peking, de benarde situatie van Taiwan en de grote toestroom van nepproducten uit het land. De Verenigde Staten zijn er daarom op gericht om de trans-Atlantische samenwerking met hun Europese partners te versterken, om gezamenlijk op de uitdaging van China’s opkomst in te spelen.

Later in zijn artikel blijkt Witteveen ook bang te zijn voor de VS. Dit gaat zo ver dat zijn angst omslaat in stereotiep antiamerikanisme. Het land stort zich in oorlogen (Afghanistan en Irak), waarbij de auteur zich blijkbaar niet afvraagt hoe getraumatiseerd de Amerikaanse bevolking is na de dood van vele duizenden burgers na de aanslagen van 11 september. In mijn perceptie is Bijbelse gerechtigheid geen lievig concept en is het legitiem om de gastheren van terroristische trainingskampen in Afghanistan aan te pakken. Bovendien geeft een dergelijke houding niet de gewenste steun aan onze eigen militairen in Uruzgan; steun die de Nederlandse soldaten, juist ook in de ogen van minister Van Middelkoop, hard nodig hebben.

Verder zijn de VS volgens de auteur buitensporig gewelddadig, gebruiken zij openbaar machtsvertoon en hebben zij Europa kwetsbaar gemaakt voor terreuraanslagen. Amerikaanse soldaten worden in zijn visie als ‘cowboys’ van de ‘ranch’ geplukt en rechtstreeks de frontlinie ingevlogen. Aan de andere kant bevindt zich de EU als moraalridder en propagandist van Bijbelse gerechtigheid. Het is niet vreemd dat Witteveen op basis van een dergelijke analyse tot de conclusie komt dat de EU en de VS geen vanzelfsprekende partners zijn.

Het gaat mij er niet om de Verenigde Staten in alles goed te praten. Ook ik heb bij tijd en wijle mijn kritiek op het land, al kan ik mij soms ook herkennen in de kritiek die de VS op Europa hebben.

 

De opgave van de ChristenUnie

Witteveen sluit zijn artikel af onder hetzelfde kopje. Mijn conclusie daarentegen is precies omgekeerd. Als ChristenUnie-politicus herken ik mijzelf in de pragmatische en realistische koers die de partij vaart. Het buitenlands- en veiligheidsbeleid van de Unie is niet gebaat bij grote concepten of grote woorden. De Unie staat nu voor de taak om de hervormingen in het nieuwe EU-verdrag zorgvuldig te implementeren. Dit lijkt mij verstandiger dan nu al te roepen dat het hervormingsverdrag niet deugt en opnieuw op de schop moet. Een GBVB vormgegeven vanuit de idee dat we ons moeten afzetten tegen de Verenigde Staten is zeker niet gewenst.

Ik concludeer dat het externe beleid van de Unie zich moet richten op de gemeenschappelijke problemen waar de Unie mee geconfronteerd wordt. Dit houdt in dat er meer aandacht moet komen voor Europa’s relaties met zijn buren in een ambitieus nabuurschapbeleid. Dit betekent ook dat de Unie meer aandacht moet besteden aan haar relaties met Afrika. Binnen het handelsbeleid van de Unie, in onze ogen een centrale doelstelling van de EU, moet aandacht besteedt worden aan de positie van de zwakste landen. Dit is een visie die de eurofractie al jarenlang uitdraagt in de handelsdebatten in het Europees Parlement. Een succesvolle afronding van de Doha-ronde en een actiever EU-beleid om de Millenniumdoelen te realiseren zijn thema’s waar Witteveen en de eurofractie elkaar vinden. Voor deze realistische en praktische politieke koers van de ChristenUnie wil ik mij in het verband van de eurofractie van harte inzetten.

 



[1] CESP Commentaar 4: ‘De Europese Unie na het Verdrag van Lissabon’, Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen 'Clingendael', 22 oktober 2007.