Eerlijke handel begint bij transparantie

'Ik eet geen chocolade meer'

 

[4 KORTE INTERVIEWS]

 

 

[RIENK VAN SPLUNDER]

 

Voor het CNV houdt solidariteit niet op bij de nationale grenzen. Het is daarom actief binnen de International Labour Organization (ILO), de wereldwijde koepel van vakbonden. Deze stelt normen voor arbeid en keurt kinderarbeid sterk af. Vice-voorzitter Rienk van Splunder van het CNV vertelt dat zijn vakbond actief de vakbonden in ontwikkelingslanden steunt om armoede en gebrek aan perspectief - de voedingsbodem van kinderarbeid - uit te bannen.  

Van Splunder: “Wij pleiten voor internationale naleving van de fundamentele arbeidsnormen, om uitbuiting en kinderarbeid tegen te gaan. De rol van de ouders hierin is cruciaal. Ouders zonder werk en geld kunnen niet goed voor hun kinderen zorgen. Te jonge kinderen moeten dan te zwaar werk doen. Ouders moeten dus een menswaardige baan hebben met voldoende inkomen om hun kinderen te kunnen voeden en naar school te sturen. Het CNV steunt vakbonden in Sri Lanka, Pakistan en India, die zich inzetten om kinderarbeid in de bouw, plantages en fabrieken uit te bannen. Vakbonden kunnen gesprekspartner zijn in de loononderhandelingen, maar ook meepraten over veiligheid en gezondheid op het werk. Daarnaast signaleert de vakbond kinderarbeid en lobbyt het voor kwalitatief en toegankelijk onderwijs.”

“Het CNV vindt dat elk bedrijf de verantwoordelijkheid heeft om toeleveranciers en producenten aan de naleving van de normen te houden en daarop te controleren. Vooral in de sectoren waarvan bekend is dat er kinderarbeid in de keten voorkomt, is het gerechtvaardigd dat bedrijven verplicht inzicht geven in de productieketen. Multinationals moeten zich samen inspannen om kinderen naar school te krijgen en erop toezien dat ze niet misbruikt worden als goedkope arbeidskrachten.”

“Nederland moet andere overheden consequent aanspreken op de ratificatie van internationaal relevante normen en vooral op de naleving ervan. Dat betekent dat de overheid bij handelsverdragen moet wijzen op de naleving van werknemersrechten en het uitbannen van kinderarbeid.”

[/RIENK VAN SPLUNDER…]

 

 

[RONALD GIJSBERTSEN]

 

Ronald Gijsbertsen is directeur bij de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO). Het onderzoek van SOMO is gericht op eerlijke handel en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO), waaronder het tegengaan van kinderarbeid valt. Gijsbertsen merkt dat de relatie tussen kinderarbeid en een artikel in de winkel moeilijk aan te tonen is. “Het zit vaak diep in de productieketen.”  

“Omdat wij als consument goedkope producten willen, bestaat kinderarbeid anno 2007 nog. Bedrijven moeten zo goedkoop mogelijk produceren. De markt dicteert de prijs van een product, niet alle werkelijke kosten worden meegewogen. Zo ontstaat uitbuiting. De overheid en het bedrijfsleven zijn verantwoordelijk, maar ook als consument moet ik mijn verantwoordelijkheid nemen en voldoende betalen voor een product. Maar ik heb zelf gemerkt dat als ik nu iets koop, ze me in de winkel nergens kunnen vertellen of het product zonder kinderarbeid is gemaakt. Er is nog te weinig producttransparantie.”

Gijsbertsen ziet voldoende gezinsinkomen als noodzaak om kinderarbeid echt uit te bannen. “Vaak missen ouders een leefbaar loon. Dan laten ze hun kinderen werken en niet naar school gaan. Als deze werkende kinderen volwassen worden, zijn ze nog steeds laag gekwalificeerd, krijgen ze dus zelf ook onderbetaald werk en zullen hun kinderen weer moeten werken in plaats van naar school gaan. Het is een vicieuze cirkel. Maar millenniumdoel 2 van de VN, alle kinderen naar school in 2015, kan haalbaar zijn. Ik vind niet dat we zo’n doel moeten bijstellen, maar de inspanningen om het te halen.”

De SOMO-directeur ziet een zware verantwoordelijkheid voor de Nederlandse overheid. “De overheid moet transparantie eisen van bedrijven en goed controleren. De omgang met bijvoorbeeld chemische stoffen of voedselveiligheid toont aan dat er veel meer ketenbeheersing, transparantie en (onafhankelijke) controle mogelijk is dan nu het geval is bij sociale onderwerpen als kinderarbeid. Het zou goed zijn als ook hier een controleautoriteit of inspectiedienst voor komt. Nederland is een grote investeerder, we hebben economisch invloed en we zijn een grote toegangspoort in Europa voor producten uit de Derde wereld. Op Europees niveau kunnen we een voortrekkersrol innemen tegen kinderarbeid.”

 [/RONALD GIJSBERTSEN…]

 

 

[LIETEN]

Hij is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, maar in tegenstelling tot andere hoogleraren hoopt hij van harte dat zijn vakgebied ooit verdwijnt. Kristoffel Lieten, hoogleraar kinderarbeid en directeur van IREWOC (International Research on Working Children), ziet armoede als grootste veroorzaker van kinderarbeid. Zijn stelling is: “Vanaf het moment dat er minder armoede is, zullen ouders hun kinderen naar school sturen. Het uitgangspunt moet zijn dat alle kinderen naar school gaan. Dat vereist interventie door overheden. Zodat in armere gebieden kinderarbeid niet langer noodzakelijk is. Alleen overheden kunnen hier toezicht op houden, bedrijven niet. Je kunt niet zeggen ‘laat het maar aan de bedrijven over’.

Het is reëel om in 2015 alle kinderen naar school te laten gaan, mits je daar ontzettend veel middelen voor wilt opbrengen. Wij zouden vanuit Ontwikkelingssamenwerking veel meer geld aan onderwijs moeten uitgeven. Nu zijn er te veel landen, zoals Nigeria of Ethiopië, waar het voor 2015 niet gaat lukken. Maar ik denk dat het tweede millenniumdoel alleen al als propagandaslogan veel effort heeft gehad.”

“Ik vind het fantastisch dat de ChristenUnie aandacht heeft voor kinderarbeid, maar ik vind dat er in het Waterloopleinakkoord te weinig staat over armoede. We moeten uitkijken dat we bij oplossingen niet te snel zoeken naar dingen die in de eigen voortuin liggen: in ónze producten en bedrijven geen kinderarbeid. Het gevaar is dat we te weinig aandacht voor de armoede in ontwikkelingslanden zelf hebben, wat volgens mij de basis van kinderarbeid is.” Lietens pleit voor een integrale aanpak en voor een overheid die bedrijven aanspreekt. “Verwacht niet dat de burger zelf alles uitzoekt en het ethische besluit neemt om meer te betalen.”

[/LIETEN…]
Kristoffel Lieten is directeur van IREWOC.

 

 

[CYNTHIA ORTEGA]

“Het is ‘geen ver van mijn bed show’. Ik maak me hard voor de ontwikkeling van een MVO-beleid waarin het tegengaan van kinderarbeid bij bedrijven hoog op de agenda staat”, aldus Cynthia Ortega-Martijn, Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie. Zij signaleert dat de Westerse wereld onbewust kinderarbeid in stand houdt door producten te gebruiken met grondstoffen uit kinderarbeid.

 

“Ik hoop dat onze ChristenUnieleden aan deze actie tegen kinderarbeid meewerken. Dat kan met de permanente campagne. Maar leden zijn ook consumenten die bewust moeten inkopen. Consumptief gedrag en goed rentmeesterschap hebben alles met elkaar te maken. Ook ondernemers onder de ChristenUnie-leden kunnen meewerken door bewust hun productketens in kaart te brengen. Zo kunnen producten en grondstoffen met kinderarbeid worden gedetecteerd en geweerd.” Ortega is een sterke pleitbezorger van keten- en producttransparantie. In het, mede door haar ondertekende Waterloopleinakkoord, staat: “Streef naar totale transparantie bij bedrijven over hun productieketen ten aanzien van de mate waarin de ILO-arbeidsnormen worden nagekomen en de mate waarin zij actie ondernemen om hierop voortgang te boeken.” Het Tweede Kamerlid acht dit zeker niet een utopisch doel, maar meer een proces van lange adem. “Nederland houdt zich aan de ILO-arbeidsnormen; maar sommige geïmporteerde producten en grondstoffen zijn gemaakt of gedolven zonder inachtneming van de ILO-arbeidsnormen. We moeten Nederlandse bedrijven aanspreken op hun ketenverantwoordelijkheid. In Nederland importeren wij veel uit het buitenland, daarom kunnen we een belangrijke rol spelen om toeleveranciers aan te moedigen te produceren met inachtneming van de ILO-arbeidsnormen.”

“Zelf ben ik door onze kinderarbeidactie bewuster gaan inkopen. Van een aantal producten zoals cacaoproducten, katoen en marmer, weet ik dat daar wellicht kinderen aan meewerken. Chocola koop en eet ik niet meer. Maar katoenproducten vermijden, wordt al een stuk moeilijker. Het is momenteel voor een consument niet goed te zien welke producten wel of niet door kinderhanden tot stand zijn gekomen en wat goede alternatieven zijn.”

[/CYNTHIA ORTEGA…]

 

'Ik eet geen chocolade meer'

 

[4 KORTE INTERVIEWS]

 

 

[RIENK VAN SPLUNDER]

 

Voor het CNV houdt solidariteit niet op bij de nationale grenzen. Het is daarom actief binnen de International Labour Organization (ILO), de wereldwijde koepel van vakbonden. Deze stelt normen voor arbeid en keurt kinderarbeid sterk af. Vice-voorzitter Rienk van Splunder van het CNV vertelt dat zijn vakbond actief de vakbonden in ontwikkelingslanden steunt om armoede en gebrek aan perspectief - de voedingsbodem van kinderarbeid - uit te bannen.  

Van Splunder: “Wij pleiten voor internationale naleving van de fundamentele arbeidsnormen, om uitbuiting en kinderarbeid tegen te gaan. De rol van de ouders hierin is cruciaal. Ouders zonder werk en geld kunnen niet goed voor hun kinderen zorgen. Te jonge kinderen moeten dan te zwaar werk doen. Ouders moeten dus een menswaardige baan hebben met voldoende inkomen om hun kinderen te kunnen voeden en naar school te sturen. Het CNV steunt vakbonden in Sri Lanka, Pakistan en India, die zich inzetten om kinderarbeid in de bouw, plantages en fabrieken uit te bannen. Vakbonden kunnen gesprekspartner zijn in de loononderhandelingen, maar ook meepraten over veiligheid en gezondheid op het werk. Daarnaast signaleert de vakbond kinderarbeid en lobbyt het voor kwalitatief en toegankelijk onderwijs.”

“Het CNV vindt dat elk bedrijf de verantwoordelijkheid heeft om toeleveranciers en producenten aan de naleving van de normen te houden en daarop te controleren. Vooral in de sectoren waarvan bekend is dat er kinderarbeid in de keten voorkomt, is het gerechtvaardigd dat bedrijven verplicht inzicht geven in de productieketen. Multinationals moeten zich samen inspannen om kinderen naar school te krijgen en erop toezien dat ze niet misbruikt worden als goedkope arbeidskrachten.”

“Nederland moet andere overheden consequent aanspreken op de ratificatie van internationaal relevante normen en vooral op de naleving ervan. Dat betekent dat de overheid bij handelsverdragen moet wijzen op de naleving van werknemersrechten en het uitbannen van kinderarbeid.”

[/RIENK VAN SPLUNDER…]

 

 

[RONALD GIJSBERTSEN]

 

Ronald Gijsbertsen is directeur bij de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO). Het onderzoek van SOMO is gericht op eerlijke handel en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO), waaronder het tegengaan van kinderarbeid valt. Gijsbertsen merkt dat de relatie tussen kinderarbeid en een artikel in de winkel moeilijk aan te tonen is. “Het zit vaak diep in de productieketen.”  

“Omdat wij als consument goedkope producten willen, bestaat kinderarbeid anno 2007 nog. Bedrijven moeten zo goedkoop mogelijk produceren. De markt dicteert de prijs van een product, niet alle werkelijke kosten worden meegewogen. Zo ontstaat uitbuiting. De overheid en het bedrijfsleven zijn verantwoordelijk, maar ook als consument moet ik mijn verantwoordelijkheid nemen en voldoende betalen voor een product. Maar ik heb zelf gemerkt dat als ik nu iets koop, ze me in de winkel nergens kunnen vertellen of het product zonder kinderarbeid is gemaakt. Er is nog te weinig producttransparantie.”

Gijsbertsen ziet voldoende gezinsinkomen als noodzaak om kinderarbeid echt uit te bannen. “Vaak missen ouders een leefbaar loon. Dan laten ze hun kinderen werken en niet naar school gaan. Als deze werkende kinderen volwassen worden, zijn ze nog steeds laag gekwalificeerd, krijgen ze dus zelf ook onderbetaald werk en zullen hun kinderen weer moeten werken in plaats van naar school gaan. Het is een vicieuze cirkel. Maar millenniumdoel 2 van de VN, alle kinderen naar school in 2015, kan haalbaar zijn. Ik vind niet dat we zo’n doel moeten bijstellen, maar de inspanningen om het te halen.”

De SOMO-directeur ziet een zware verantwoordelijkheid voor de Nederlandse overheid. “De overheid moet transparantie eisen van bedrijven en goed controleren. De omgang met bijvoorbeeld chemische stoffen of voedselveiligheid toont aan dat er veel meer ketenbeheersing, transparantie en (onafhankelijke) controle mogelijk is dan nu het geval is bij sociale onderwerpen als kinderarbeid. Het zou goed zijn als ook hier een controleautoriteit of inspectiedienst voor komt. Nederland is een grote investeerder, we hebben economisch invloed en we zijn een grote toegangspoort in Europa voor producten uit de Derde wereld. Op Europees niveau kunnen we een voortrekkersrol innemen tegen kinderarbeid.”

 [/RONALD GIJSBERTSEN…]

 

 

[LIETEN]

Hij is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, maar in tegenstelling tot andere hoogleraren hoopt hij van harte dat zijn vakgebied ooit verdwijnt. Kristoffel Lieten, hoogleraar kinderarbeid en directeur van IREWOC (International Research on Working Children), ziet armoede als grootste veroorzaker van kinderarbeid. Zijn stelling is: “Vanaf het moment dat er minder armoede is, zullen ouders hun kinderen naar school sturen. Het uitgangspunt moet zijn dat alle kinderen naar school gaan. Dat vereist interventie door overheden. Zodat in armere gebieden kinderarbeid niet langer noodzakelijk is. Alleen overheden kunnen hier toezicht op houden, bedrijven niet. Je kunt niet zeggen ‘laat het maar aan de bedrijven over’.

Het is reëel om in 2015 alle kinderen naar school te laten gaan, mits je daar ontzettend veel middelen voor wilt opbrengen. Wij zouden vanuit Ontwikkelingssamenwerking veel meer geld aan onderwijs moeten uitgeven. Nu zijn er te veel landen, zoals Nigeria of Ethiopië, waar het voor 2015 niet gaat lukken. Maar ik denk dat het tweede millenniumdoel alleen al als propagandaslogan veel effort heeft gehad.”

“Ik vind het fantastisch dat de ChristenUnie aandacht heeft voor kinderarbeid, maar ik vind dat er in het Waterloopleinakkoord te weinig staat over armoede. We moeten uitkijken dat we bij oplossingen niet te snel zoeken naar dingen die in de eigen voortuin liggen: in ónze producten en bedrijven geen kinderarbeid. Het gevaar is dat we te weinig aandacht voor de armoede in ontwikkelingslanden zelf hebben, wat volgens mij de basis van kinderarbeid is.” Lietens pleit voor een integrale aanpak en voor een overheid die bedrijven aanspreekt. “Verwacht niet dat de burger zelf alles uitzoekt en het ethische besluit neemt om meer te betalen.”

[/LIETEN…]
Kristoffel Lieten is directeur van IREWOC.

 

 

[CYNTHIA ORTEGA]

“Het is ‘geen ver van mijn bed show’. Ik maak me hard voor de ontwikkeling van een MVO-beleid waarin het tegengaan van kinderarbeid bij bedrijven hoog op de agenda staat”, aldus Cynthia Ortega-Martijn, Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie. Zij signaleert dat de Westerse wereld onbewust kinderarbeid in stand houdt door producten te gebruiken met grondstoffen uit kinderarbeid.

 

“Ik hoop dat onze ChristenUnieleden aan deze actie tegen kinderarbeid meewerken. Dat kan met de permanente campagne. Maar leden zijn ook consumenten die bewust moeten inkopen. Consumptief gedrag en goed rentmeesterschap hebben alles met elkaar te maken. Ook ondernemers onder de ChristenUnie-leden kunnen meewerken door bewust hun productketens in kaart te brengen. Zo kunnen producten en grondstoffen met kinderarbeid worden gedetecteerd en geweerd.” Ortega is een sterke pleitbezorger van keten- en producttransparantie. In het, mede door haar ondertekende Waterloopleinakkoord, staat: “Streef naar totale transparantie bij bedrijven over hun productieketen ten aanzien van de mate waarin de ILO-arbeidsnormen worden nagekomen en de mate waarin zij actie ondernemen om hierop voortgang te boeken.” Het Tweede Kamerlid acht dit zeker niet een utopisch doel, maar meer een proces van lange adem. “Nederland houdt zich aan de ILO-arbeidsnormen; maar sommige geïmporteerde producten en grondstoffen zijn gemaakt of gedolven zonder inachtneming van de ILO-arbeidsnormen. We moeten Nederlandse bedrijven aanspreken op hun ketenverantwoordelijkheid. In Nederland importeren wij veel uit het buitenland, daarom kunnen we een belangrijke rol spelen om toeleveranciers aan te moedigen te produceren met inachtneming van de ILO-arbeidsnormen.”

“Zelf ben ik door onze kinderarbeidactie bewuster gaan inkopen. Van een aantal producten zoals cacaoproducten, katoen en marmer, weet ik dat daar wellicht kinderen aan meewerken. Chocola koop en eet ik niet meer. Maar katoenproducten vermijden, wordt al een stuk moeilijker. Het is momenteel voor een consument niet goed te zien welke producten wel of niet door kinderhanden tot stand zijn gekomen en wat goede alternatieven zijn.”

[/CYNTHIA ORTEGA…]