'We moeten niet te snel in extremen gaan spreken'

“We moeten niet te snel in extremen gaan spreken”

Interview met CU-fractievoorzitter Arie Slob

 

Problemen in het onderwijs zijn met grote regelmaat onderwerp van politiek debat. Een dreigend lerarentekort, kritische rapporten, controversiële vernieuwingen, segregatie, voortijdige schoolverlaters of de toenemende onveiligheid op scholen. Toch weigert Arie Slob dit negatieve beeld te voeden. “Ik maak me zorgen over de voortdurend negatieve aandacht. Een beetje nuchterheid is op zijn plaats. Vergeleken met andere landen doen we het niet zo slecht.” In gesprek met ex-docent en ChristenUnie–fractievoorzitter Arie Slob over het onderwijs in Nederland.

 

Door Ludo Hekman

 

U weet waar u het over heeft als u over onderwijs spreekt?

Dat is wel een beetje mijn wereld inderdaad. Ik heb elf jaar voor de klas gestaan en werkte vijf jaar als onderwijskundig adviseur bij een schoolbegeleidingsdienst. Ook ben ik enige tijd directeur geweest van onderwijsorganisatie Concent. Ik heb zelf nooit heel bewust gestreefd naar een baan als docent. Ik wilde graag geschiedenis studeren, maar ik had het  VWO niet doorlopen. Daardoor kwam ik op de lerarenopleiding terecht en via stages in het voortgezet onderwijs. In contrast met vandaag was toen de krapte erg groot. Ik stuurde vrij willekeurig een aantal brieven en werd uitgenodigd door het Greijdanus College in Zwolle. Hoewel ik een paar uur te laat op de afspraak kwam hebben ze me toch aangenomen. 

 

Speelde het negatieve imago van het onderwijs toen al op?

Nee, maar ik vond het zelf na elf jaar wel tijd worden om wat anders te gaan doen. De muren van het lokaal begonnen op een gegeven moment wel te knellen. Ik kan me dus wel iets voorstellen van de gevoelens ‘moet ik dat mijn hele leven gaan doen?’. Zeker als je jong bent. Angst om er tot je vijfenzestigste te zitten, dat begrijp ik wel.

Ik heb alleen nooit ervaren dat het weinig maatschappelijke status opleverde. En ik kom nu ook nog veel docenten tegen die terecht veel beroepstrots hebben. Die het als een soort roeping zien en het met veel inzet en plezier doen. En dat moet ook. Je moet je er echt aan kunnen geven. Als je dat niet kan, dan heb je er niets te zoeken. Ik ken ook wel docenten die vooral voor hun vak gingen, maar uiteindelijk horen de kinderen centraal te staan. Je moet van ze houden, ook als het etters zijn.

Wat je wel merkt is dat het spreken over het onderwijs, ook in de politiek, niet altijd positief is. Daar maak ik me zorgen over. Dat de onderwijsvernieuwingen allemaal mislukt zijn, de leerlingen niets meer meekrijgen of de PABO-studenten niet meer kunnen rekenen. Op dit moment moeten de managers in het onderwijs het ontgelden. Alsof het vergeven is van slecht functionerende managers. Je moet natuurlijk kritisch zijn, maar je bent niet besmet als je manager bent in het onderwijs. Dat voortdurend negatief spreken over onderwijs, dat is gewoon niet goed.

 

Toch lijkt de overhead een serieus probleem. Uit een onderzoek van BON (Beter Onderwijs Nederland) blijkt dat 20% van de uitgaven aan het hoger onderwijs besteed worden aan het werkelijke contact tussen docent en student. Dat is een bizar percentage.

Het is de vraag of die cijfers helemaal kloppen. Ik vond het niet goed dat minister Plasterk in een interview aan Vrij Nederland alle managers in negatieve zin over een kam scheerde en hen daarmee op een onheuse manier bejegende. Dat neemt niet weg dat je kritisch mag kijken. De enorme schaalvergroting in het HBO roept vragen op. Ook in de sfeer van de managers, die soms niet eens meer in het schoolgebouw zitten en geen geringe salarissen ontvangen. In dat geval mogen er alarmbellen gaan rinkelen.

Maar ik wil oppassen voor het beeld dat het onderwijsgeld in Nederland over de hele linie verkeerd besteed wordt. Daar doe ik niet aan mee. Wat dat betreft zijn de CHE en GHBO goede voorbeelden. Hun basis is heel smal. En het is nogal kritisch om overeind te blijven. Daar is goed management voor nodig. Toch bieden die scholen onderwijs van hoge kwaliteit.

 

En competenties, kenden ze die aan het einde van de jaren tachtig al?

(lachend) Nee. Maar ik heb wel de invoering van de tweede fase meegemaakt. Die leidde ook tot meer zelfwerkzaamheid. Bij maatschappijleer deed ik dat al. Dat is geen vak waar leerlingen vijftig minuten gaan zitten luisteren. Al was het maar omdat het moeilijk was ze voor mijn niet-examen vak in beweging te krijgen. Dus ik vond de overgang niet zo groot. Maar er waren heel wat docenten die helemaal losgerukt werden uit een manier van werken die ze al dertig jaren kenden. Altijd hetzelfde schriftje met aantekeningen. Dat was echt een revolutie voor ze.

 

Maar uiteindelijk wel goed om door te zetten?

Ja, maar het moet wel zorgvuldig gebeuren. Daarom ben ik er ook voorstander van dat er in het MBO even een pas op de plaats wordt gemaakt. Overigens is het competentiegerichte leren niet het een en het al. Je moet de tijd nemen het goed op te bouwen.

Wat we gezien hebben, vooral in het hoger onderwijs, is dat de contactmomenten steeds schaarser zijn geworden. Daar heeft niet alleen een onderwijskundige visie in meegespeeld, maar ook simpelweg bezuinigingen en keuzes om geld anders te investeren. Als daar de vinger bij wordt gelegd: volkomen terecht. Maar dat laat onverlet dat het ook heel goed is om leerlingen in een positie te brengen dat ze zelf de stof zich eigen moeten maken. Dan bedoel ik niet knippen en plakken van internet, maar proberen studenten vanuit een intrinsieke motivatie met de stof om te laten gaan. Daar hoort een docent trouwens altijd bij te zijn. Om hen op te vangen op momenten dat die intrinsieke motivatie ontbreekt en natuurlijk om bij te sturen, uitleg te geven en een stukje persoonlijke coaching te bieden. Ik begrijp de kritiek van docenten die hun rol naar de achtergrond zien verdwijnen terwijl de kwaliteit niet vooruit gaat. Maar je moet oppassen dat je niet doorslaat en een karikatuur van de werkelijkheid maakt.

 

Stel dat er een docent is die niet overweg kan of wil met het competentiegerichte leren. Hij is een kei in zijn vak en ieder jaar levert hij leerlingen af die enorm veel geleerd hebben. Zou je die moeten dwingen om met competenties te werken?

In het MBO is dat wel de koers. En het kan natuurlijk niet zo wezen dat docenten zich daaraan onttrekken. Het is de taak van de school om – wanneer er zulke koudwatervrees bestaat – met zulke docenten in gesprek te gaan en te kijken wat ze dwars zit. Misschien bestaat er een verkeerd beeld. Maar misschien kun je ook variëren in taken met het docentenbestand. Maak bijvoorbeeld clusters van klassen, waarbij de ene docent de individuele begeleiding doet en de ander de hoorcolleges geeft. Dat maakt het onderwijs ook diverser en aantrekkelijker.

 

Het CNV is hevig teleurgesteld dat er slechts een miljard is vrijgemaakt voor het onderwijs. En het kan inderdaad anders: Tony Blair ging tien jaar geleden met het motto ‘Education, education, education’ de verkiezingen in. Hij hield woord: de salarissen gingen omhoog, het lerarentekort is vrijwel verdwenen, er zijn honderden miljoenen geïnvesteerd in schoolgebouwen. Groot-Brittannië - dat altijd royaal minder uitgaf aan onderwijs - passeerde Nederland met onderwijsinvesteringen in 2001. De nieuwe premier Gordon Brown wil nog verder gaan: uiteindelijk moet tien procent van het bruto binnenlands product naar onderwijs gaan. Is dat geen lichtend voorbeeld voor ons land?

Het had altijd meer gemogen. Maar ik denk dat je ver terug moet om een coalitie te vinden die er zulke bedragen voor heeft uitgetrokken als de huidige. Er is wel degelijk bijzondere aandacht voor onderwijs. Ook als je het afzet tegen andere beleidsterreinen waarin wordt geïnvesteerd.

Ik weet uit de ervaringen bij de onderhandelingen dat er gewoon niet meer in zat.

Het beeld dat wij van onderwijs geen prioriteit maken is niet terecht. Je kan het niet alleen aan geld aflezen, maar als je kijkt naar de investeringen, dan springt onderwijs er bovenuit. Ook als ik kijk naar het coalitieakkoord dan zie ik dat er uitvoerig over is gesproken. En er zijn afspraken gemaakt die de hartelijke steun van de ChristenUnie konden krijgen. Het is uitgebreid over het lerarentekort gegaan. En ook dat is niet alleen een kwestie van geld. Je kan het lerarentekort niet oplossen met alleen hogere salarissen.

 

Nee, maar Nederland geeft wel relatief weinig geld uit aan onderwijs. Bovendien zijn de oplossingen die uit het onderwijs zelf komen – minder uren, kleinere klassen – duur. Het kost simpelweg geld.

Dat is waar. Wij hebben er voor gekozen iets in de sfeer van werkdruk te creëren, dat zal ook positief zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. Dat kost natuurlijk geld, maar dat kan ook een kwestie zijn van de dingen anders organiseren. Bijvoorbeeld dat je het zo organiseert dat de kwaliteiten van docenten beter benut worden door te differentiëren in taken. Maar laten we ook afwachten wat de commissie-Rinnooy Kan op 12 september gaat adviseren.

 

Waarschijnlijk zal die vragen meer geld vrij te maken.

Dat denk ik ook. En er zijn partijen die het drievoudige voor onderwijs reserveerden, maar daar ontbrak een solide financiële onderbouwing. Ik ben blij met wat we nu hebben en als er financiële meevallers komen, dan is onderwijs een belangrijk aandachtsgebied. Op dit moment moet je roeien met de riemen die je hebt. Dat is ook politiek. Ik kan ook een ander verhaal vertellen dat misschien wel heel erg goed bekt, maar waarvan ik het niet in financiële zin kan waarmaken. Dan past het ons om daar reëel in te zijn.

 

Het advies van de commissie-Rinnooy Kan is nog niet publiek bij het ter perse gaan van deze Denkwijzer. Er is al wel uitgelekt dat die inderdaad meer geld wil vrijmaken om het lerarentekort aan te pakken. Minister Plasterk staat daar open voor. “Het lerarentekort is een megaprobleem. Ik weet niet of de ruimte in de begroting groot genoeg zal zijn.” Arie Slob staat eveneens open voor het openbreken van de begroting met betrekking tot onderwijs.

 

Hoe verschilt uw visie op onderwijs van die van de coalitiepartners, CDA en PvdA?

We bekijken het onderwijs in Nederland teveel vanuit economische termen. Alsof onderwijs alleen een instrument is om onze economie op een goed niveau te houden. Dat vind ik een hele beperkte visie op onderwijs. In dat opzicht hebben wij echt aan de andere kant gehangen. Het is de sfeer die ook in het beleidsprogramma te proeven is. Daarin verschillen wij van het CDA en de PvdA, die het sterk vanuit de economie beoordelen. Onderwijs is daar belangrijk in, maar onderwijs geeft een veel bredere ontwikkeling mee. Denk bijvoorbeeld aan het overdragen van waarden en normen, de relatie met de ouders – waarin de school als een verlengstuk van de opvoeding kan functioneren. Die aspecten horen er absoluut bij. Als ChristenUnie willen we niet alleen in economische termen naar onderwijs te kijken.

 

Het stimuleren van gelijke kansen en emancipatie zijn al decennia idealen van het Nederlandse onderwijs. In de NRC stond onlangs een alarmerend verhaal over segregatie in het Nederlandse onderwijs. Ons onderwijsbestel versterkt de ongelijkheid door de meest kwetsbare leerlingen bij elkaar te stoppen in de meeste kwetsbare scholen. Hierdoor halen ze elkaars niveau omlaag. Op de betere (vaak blanke) scholen gebeurt het omgekeerde. Bent u daar van geschrokken?

Nee, we weten dat dit het geval is. Het doet me wel opnieuw realiseren hoe ernstig dit is.

De politiek wordt een struisvogelmentaliteit verweten als het gaat om het aanpakken van deze segregatie.

Dat is een verkeerd beeld. We hebben de afgelopen tijd al grote slagen gemaakt. Ik noem een paar voorbeelden. Scholen hebben meer geld gekregen om dit probleem aan te pakken, de inspectie let meer op het achterstandenbeleid en er is afgesproken dat er een vast aanmeldingsmoment komt voor het primair onderwijs. Bovendien staat het hoog op de politieke agenda en is het ook in het akkoord opgenomen. Segregatie is trouwens niet alleen een probleem van het onderwijs en moet dus ook niet alleen in het onderwijs worden aangepakt. Je moet dan ook denken aan volkshuisvesting en de plannen voor de vernieuwingswijken.

 

We zien de laatste jaren een toename van elitaire instituten (bijvoorbeeld Roosevelt academy in Middelburg of de Duisenberg school of finance in Amsterdam). Je zou je af kunnen vragen of die trend er niet toe leidt dat je een tweedeling krijgt tussen de minder goede scholen die door de overheid gefinancierd worden en de betere scholen die particulier gefinancierd worden.

We moeten een duidelijk onderscheid maken tussen de door de overheid bekostigde scholen en private scholen. De eerste hebben zich te houden aan wet- en regelgeving. Dat hebben we in dit land heel netjes geregeld.

Dat betekent wel dat de overheid moet zorgen dat de kwaliteit van het door haar bekostigde onderwijs op niveau blijft. Ik maak me daar geen zorgen over. We moeten het wel in de gaten houden, want die private scholen kunnen ook een aanklacht zijn tegen wat er gebeurt in het door de overheid bekostigde onderwijs. Je zult het dus wel moeten volgen. Je moet in de spiegel durven kijken. Maar verder, ik kan niet anders zeggen dan dat ze het volste recht hebben. Ik ben een groot voorstander van vrijheid van onderwijs.

 

Er is ook een andere lezing van de huidige dilemma’s in het onderwijs mogelijk. Namelijk dat het een gevolg is van het succes van de democratisering van onderwijs. Doordat meer mensen kunnen doorleren ontstaat er logischerwijs schaalvergroting, diversiteit aan de instroomzijde en toename van kennis waardoor het overzicht afneemt. Collateral damage dus, in plaats van crisis.

Dat is interessant. Het nuanceert de scherpte waarmee de discussie gevoerd wordt. En het onderstreept wat ik vaker zeg. Namelijk, dat je niet aan een van de twee kanten moet gaan hangen. Nuchterheid is op zijn plaats. We moeten oppassen dat we niet gaan roepen dat het nu allemaal veel minder is dan vroeger. Dat zeg ik niet om het te bagatelliseren, maar ik wil wel recht doen aan ons onderwijs. Onderwijs waarvan de kwaliteit vergeleken met de ons omringende landen nog steeds van een heel redelijk niveau is. Pak de inspectierapporten er maar bij. Onderwijs waar heel betrokken mensen werken die hun ziel en zaligheid steken in het begeleiden van jongeren naar een passende plek in de samenleving. We moeten niet te snel in extremen gaan spreken.

 

Genoeg over onderwijs?

Nee, ik wil nog benadrukken dat we ons sterk maken voor speciaal onderwijs. Ook leerlingen die extra zorg behoeven, hebben recht op onderwijs. Maar dat is niet eenvoudig, omdat hun zorgvraag heel veel met zich meebrengt. Ik ben er daarom erg blij om dat dit kabinet – ook in het coalitieakkoord – daar aandacht aan besteedt. Het is eigenlijk geen onderwerp, want de pers en de kamer pakken het niet op, maar het mag best prioriteit hebben. Juist vanuit de verantwoordelijkheid om als overheid op te komen voor de zwakken. Dat is een van mijn speerpunten. Net als de schoolverlaters. Nu er sprake is van hoogconjunctuur vinden die misschien gemakkelijk een baan, maar zodra de conjunctuur iets inzakt, is het de meest kwetsbare groep.