Twee verschillende werelden. Over de afstand tussen Universiteit en Hogeschool

Twee verschillende werelden

Over de afstand tussen Universiteit en Hogeschool

Door Gerda Visser-Wijnveen, promovenda op het gebied van hoger onderwijs aan de Universiteit Leiden

 

In het hoger onderwijs groeien het hoger beroepsonderwijs (HBO) en het wetenschappelijk onderwijs (WO) steeds dichter naar elkaar toe. Dat is een slechte ontwikkeling, zowel voor de studenten, de arbeidsmarkt als voor de kwaliteit van het onderwijs.

 

Het naar elkaar toegroeien vindt binnen de instellingen plaats, maar de overheid werkt hier aan mee. Dit gebeurt bijvoorbeeld door het instellen van behoorlijk omvangrijke onderzoeksgeldstromen naar het hoger beroepsonderwijs en het wegnemen van drempels voor zeer intensieve samenwerking tussen diverse instellingen. Voorbeelden van die steeds nauwer wordende samenwerking tussen universiteiten en hogescholen zijn het gemeenschappelijk College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam, als ook de bestuurlijke fusie van Vrije Universiteit met Hogeschool Windesheim. De instellingen hopen hiermee de studenten een beter en veelzijdiger aanbod te kunnen bieden en vooral de overstap tussen HBO en universiteit te vergemakkelijken. Maar is het hoger onderwijs hier wel mee gediend? Hoe zit het met de intrinsieke waarde van beide verschillende opleidingssoorten en is de huidige weg van steeds nauwere samenwerking wel het juiste pad?

 

Gegoede burgers naar WO, arbeiders naar HBO

De universiteit en het hoger beroepsonderwijs hebben een sterk verschillende geschiedenis. Terwijl het beroepsonderwijs zich richtte op het opleiden van de arbeidersklasse, was de universiteit exclusief gericht op de kinderen van de notabelen. Heel lang werd het HBO dan ook tot het voortgezet onderwijs gerekend en het gymnasium en de universiteit tot het hoger onderwijs. Pas in 1992 ontstond er een ‘Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek’ waarin zowel het universitaire als het beroepsonderwijs opgenomen waren. Het beroepsonderwijs leidde, zoals de naam al aangeeft, in de eerste plaats op tot een beroep, terwijl de universiteit de algemene vorming van de gegoede burgers op het oog had. Dit in het verlengde van Wilhelm von Humboldt - Duits filosoof, staatsman en oprichter van de universiteit in Berlijn. Hij schetste aan het begin van de negentiende eeuw het plaatje waaraan veel universiteiten zich nog steeds spiegelen, namelijk dat van een gemeenschappelijke zoektocht naar kennis van onderzoeker en student. Nu hoeft het verleden niet bepalend te zijn voor de toekomst en zeker gezien de massificatie die sindsdien heeft plaats gevonden is voortzetting van het oude ideaal geen vanzelfsprekende zaak. De vraag blijft wel hoe de toekomst van het hoger onderwijs er uit moet zien.

 

Strikte scheiding wenselijk

Zowel vanuit de student als vanuit de arbeidsmarkt is mijn antwoord dat het van groot belang is om een strikte scheiding te behouden dan wel te bewaken tussen het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. Het onderscheid biedt verscheidenheid en duidelijkheid aan studenten en arbeidsmarkt. Bovendien leidt een versmelting van verschillende onderwijssoorten vrijwel altijd tot niveaudaling. De onderwijsvormen zijn van oudsher voornamelijk verschillend omdat ze verschillende doelen beogen en dat geldt nog steeds (al zijn de doelen in de loop der jaren verschoven). Beide groepen moeten zich er daarom op richten om hun specifieke taak in het onderwijslandschap zo goed mogelijk uit te voeren, oftewel hoogwaardig beroeps- dan wel wetenschappelijk onderwijs te verzorgen.

 

1. Voor de studenten

Vanuit het oogpunt van de student is het wenselijk dat er keuzemogelijkheden bestaan. Sommige studenten zijn sterk praktijkgeörienteerd en geïnteresseerd in beroepsspecifieke vaardigheden. Deze groep zou verdorren in een universitaire omgeving waarin het aanleren van analytisch denken en theorie centraal staan, maar bloeit op wanneer ze zich in een relatief veilige omgeving ontwikkelen tot professionals. Andere studenten hebben daarentegen juist behoefte aan een academische omgeving, die hen uitdaagt om nieuwe kennis te ontwikkelen en die geen pasklare antwoorden biedt. Natuurlijk zijn er ook studenten die een combinatie van beide wensen, maar door bijvoorbeeld in masters hierop in te spelen kan hieraan tegemoet gekomen worden. Het verschil in niveau is dan zelfs nog onbesproken gebleven. Aansluiten bij het niveau van de student, of hij nu aan de top zit of nog net binnenboord weet te blijven, is beter mogelijk in een divers systeem. Een versmelting van beide onderwijsvormen betekent een verschraling van het onderwijsaanbod.

 

2. Voor de arbeidsmarkt

Vanuit het perspectief van de arbeidsmarkt is er een grote behoefte aan hoger opgeleiden. In die lijn heeft Nederland dan ook ingestemd met de Lissabon-doelstellingen om 50% van de jongeren het hoger onderwijs binnen te halen, waarbij 50% uitstroom uit het hoger onderwijs het werkelijke doel zou moeten zijn. Wanneer we nauwkeuriger kijken naar de vraag vanuit de arbeidsmarkt is er een groot verschil in de typen hoger opgeleiden die de samenleving vraagt. Voor de verschillende functies zijn verschillende groepen afgestudeerden nodig dan wel gewenst. Sommige bedrijfstakken hebben een grote behoefte aan HBO-afgestudeerden die goed zijn voorbereid op het beroepsveld en zich hebben bekwaamd in het toepassen van beroepsgerelateerde kennis en mogelijk vanuit hun schat aan recente kennis en vaardigheden een impuls kunnen geven aan het veld. Op andere plaatsen is juist sterk behoefte aan afgestudeerden die in de eerste plaats academisch gevormd zijn, dat wil zeggen kritisch hebben leren denken om vervolgens hun wetenschappelijke kennis en analytisch vermogen in te zetten in de functie waarin zij terechtkomen. Ook hier geldt dat juist de onderscheiden groepen hun meerwaarde hebben en dat een mengelmoes de zaken nodeloos ingewikkeld en ondoorzichtig maakt.

 

3. Voor de kwaliteit van het onderwijs

Een andere interessante vraag is op welke manier de huidige ontwikkelingen de kwaliteit van het onderwijs beïnvloeden. Een duidelijk verschil tussen HBO en universiteit is bijvoorbeeld dat hogescholen hun studenten in klassen onderbrengen, terwijl universiteiten in jaarlijkse cohorten denken. Op de hogeschool heerst meer dan op de universiteit een voortzetting van het schoolse klimaat. Dit klimaat bindt aan de ene kant studenten samen en is behulpzaam in het vaardigheidsonderwijs, maar het belemmert aan de andere kant het leren omgaan met vrijheid van doen en denken. Universitaire studenten worden bovendien waar mogelijk blootgesteld aan wetenschappelijk onderzoek; dit leert hen op een academische manier omgaan met kennis en dat kan alleen in een hoogwaardige onderzoeksomgeving. De verschoolsing van de universiteit is een trend die vele universitaire docenten en studenten al signaleren en die tegengegaan in plaats van bevorderd moet worden. Evenmin is het overigens wenselijk dat hogescholen veracademiseren, in het bijzonder vanuit het oogpunt van de praktijkgeoriënteerde student.

 

Dus: dichtgemetselde muren?

Dit alles betekent niet dat de muren tussen HBO en universiteit zodanig hoog en dichtgemetseld moeten zijn dat het studenten onmogelijk wordt gemaakt om door te studeren. Het is van belang dat de instellingen zich zeer bewust zijn van het verschil in achtergrond van de studenten en de risico’s voor de kwaliteit van het onderwijs die dat met zich meebrengt, zoals een mogelijke niveaudaling. Vooral het academisch klimaat kan op de tocht komen te staan: medestudenten zijn daar namelijk meer bepalend voor dan de docenten.. Voor de academisch geïnteresseerde studenten met havo-achtergrond is het wenselijk om de route via de HBO-propedeuse naar de universitaire-propedeuse te benutten, zodat zij vier jaar lang de tijd hebben om te ‘academiseren’. De uitdaging blijft staan voor zowel het wetenschappelijk als het beroepsonderwijs om niet op zoek te gaan naar het midden, maar te excelleren in de specifieke functie die zij hebben.