Terughoudende overheid, zelfbewuste scholen, betrokken ouders

Terughoudende overheid, zelfbewuste scholen, betrokken ouders

Door Wim Lengkeek, beleidsadviseur LVGS

 

Al sinds de jaren negentig van de vorige eeuw (zoals tijdens het Schevenings Beraad in 1993) koerst de overheid voor wat betreft het onderwijsbeleid op drie kernthema’s: autonomie, deregulering en rekenschap. In dit artikel sta ik stil bij de ontwikkeling van dit beleid en hoe deze koers nu in de scholen zichtbaar wordt. Ik sluit af met de vraag of deze ontwikkeling goed is voor principieel-gericht onderwijs.

 

ADR - waar hebben we het over?

De begrippen ‘autonomie, deregulering en rekenschap’ (ADR) vormen in onderwijsland een bekende trits. De begrippen hebben ook alles met elkaar te maken:

-       ‘Autonomie’ staat voor zelfstandigheid, eigen beslissingen kunnen en mogen nemen, keuzes maken op grond van eigen inzichten, zonder dat de staat die van bovenaf oplegt.

-       ‘Deregulering’ staat voor het verminderen van de regels, met name de regels van bovenaf. Een mooi voorbeeld is het opheffen van ‘schotten’ in de bekostiging van het onderwijs: materiële en personele bekostiging mogen door scholen naar eigen inzicht ingezet worden, de bedragen zijn niet meer geoormerkt maar worden via de lumpsumbekostiging als één bedrag beschikbaar gesteld.

-       ‘Rekenschap’ spreekt haast voor zichzelf: hier gaat het over de verantwoording die afgelegd wordt. Verantwoording over gebruik van overheidsmiddelen en verantwoording over behaalde resultaten.

 

Waarom deze koers?

De reden voor deze koers is in de grond van de zaak een maatschappelijke én politieke trend: een terugtredende overheid die zich niet meer overal mee kan of wil bemoeien. Overigens sluit dit aan bij de wens van veel bestuurders uit het onderwijsveld: ‘Overheid, laat ons nou eens zelf beleid ontwikkelen en zelf keuzes maken. Geef ons de ruimte om te laten zien dat we prima in staat zijn het onderwijs op een kwalitatief hoog peil te brengen.’ Ook werd vanuit het veld aangegeven dat scholen  niet uit de voeten kunnen met veelal ‘dwingende’ regelgeving en ‘geoormerkte’ bedragen in de bekostiging. Het belemmert scholen bij het ontwikkelen van eigen beleid.

In deze discussie is het logisch dat ook de wijze van verantwoorden ter sprake werd gebracht. De rol van de inspectie, het zelf aantonen van kwaliteit en daar rekenschap over afleggen in brede zin: de wens groeide vanuit het veld hier eigen verantwoordelijkheid in te dragen. Vanuit de overheid werd daarbij aangesloten: rekenschap vraag je achteraf: je kijkt dus of de school heeft gedaan wat die beloofde te doen en moest doen.

Overigens is het de vraag of het een nou het gevolg van het ander was of andersom, maar dat is een kip-of-het-ei-discussie die er verder weinig toe doet.

Principieel gezien sluit dit aan bij het ideaal dat binnen het bijzonder onderwijs leeft: vrijheid van onderwijs vraagt om een terughoudende overheid en zelfbewuste scholen.

 

Je ziet het verschil…

Er is veel beleid omgezet in concrete maatregelen. Ik noem een paar voorbeelden:

In de afgelopen jaren was dat in het primair onderwijs het duidelijkst te zien met de invoering van de lumpsumfinanciering. Daar zie je zowel autonomie en deregulering als rekenschap op hun plek vallen. Lumpsum vooronderstelt dat de school zelf keuzes mag maken, dat daar dus ook geen beperkende regels voor moeten gelden, en dat je achteraf vraagt: wat heb je nou eigenlijk gedaan? In het kielzog van de lumpsumfinanciering kwamen dan ook enkele andere maatregelen mee: de invoering van het Elektronisch Financieel Jaarverslag, waarbij een verplicht bestuursverslag over het gevoerde beleid is opgenomen en een aangepaste Wet Medezeggenschap Scholen. Deze laatste is vooral toegespitst op de versterking van de positie van ouders en leerkrachten ten opzichte van bestuur en management. En misschien moeten we er ook aan toevoegen: de hernieuwde aandacht voor de positie en rol van het bestuur: (codes voor) goed bestuur, scheiding van bestuur en toezicht, meervoudige publieke verantwoording, zorgplichten, etc.

  

Een andere ontwikkeling die hierbij past is de komst van de Wet op het Onderwijs Toezicht (WOT). Ook hier is de teneur: de scholen bepalen het beleid (behoudens een aantal vaste maatregelen als eindtermen, etc) en verantwoorden zich achteraf over het gevoerde beleid. De jongste voorstellen van de inspectie sluiten hierbij aan: de scholen worden gevolgd op basis van wat ‘Proportioneel Toezicht’ heet. Dat wil zeggen: toezicht op maat en naar behoefte. Scholen die het niet nodig hebben krijgen de inspectie nauwelijks te zien, scholen die achterblijven in kwaliteit en resultaat ontvangen meer inspectietoezicht.

 

In het kader van ADR is ook te noemen: innovatie en ontwikkeling. Bij autonomie past ook dat scholen zelf kunnen bepalen wat hun onderwijskundige koers is. Eind jaren negentig organiseerde OCW een aantal bijeenkomsten voor ‘initiatiefrijke scholen’. Daar konden scholen hun ambities aangeven waarop OCW bekeek of die te realiseren waren. Goede initiatieven werden uitgewerkt in ‘pilots’ waar initiatiefrijke scholen meestal voortrekkers van waren. Voorbeelden van deze pilots zijn het TOM-project: TeamOnderwijs op maat, en ODS: Opleiden in de School.

 

Worden we er beter van?

Over het algemeen genomen is de ADR-koers voor individuele scholen gunstig, dus ook voor bijzondere scholen met een eigen identiteit. Vrijheid van inrichting en vormgeving is nog nooit zo groot geweest!

Toch vallen er kanttekeningen bij te maken. Immers, niet alle scholen weten goed om te gaan met hun vrijheid. Het is kennelijk moeilijk om zelf beleid te maken. Je moet als school aardig wat in huis hebben om veranderingen goed vorm te geven. Leerkrachten schreeuwen om rust en je ziet behoorlijke verschillen ontstaan in kwaliteit tussen scholen. Daar waar de ene school in hoog tempo allerlei vernieuwingen doorvoert, zie je andere scholen die star blijven vasthouden aan oude en vertrouwde patronen.

Het gevolg kan zijn dat de overheid zich toch weer meer gaat bemoeien met de inhoud en het proces. Dat zou een stap terug zijn, maar wel begrijpelijk. In die zin is het op dit moment nog onduidelijk wat bijvoorbeeld het proportionele toezicht nu of in de toekomst precies gaat inhouden: worden slecht presterende scholen straks onder curatele gesteld? Dan hangt het er wel van af hoe en door wie, want anders blijft er van keuzevrijheid niet veel meer over….

 

Overheid, onderwijs en ouders

De overheid is niet de enige partij die bezorgd moet zijn over de kwaliteit van het onderwijs. Met name de ouders moeten hun verantwoordelijkheid ten opzichte van bestuur en medezeggenschap waarmaken om er mede voor te zorgen dat het onderwijs kwalitatief op niveau blijft. Uiteindelijk zijn zij de direct belanghebbenden. Het gaat immers om de scholing en vorming van hún kinderen. Dat zal best lastig zijn, want het valt voor een school niet altijd mee om ouders zowel bij de vorderingen van hun kind, als ook breder bij het welzijn van de school te betrekken. Dat vergt een gerichte investering in het beleid voor ouderbetrokkenheid.

Voor bijzondere scholen blijft daarom meer dan ooit gelden: maak waar wat je uitdraagt.

-       Zorg voor een op openheid en ontwikkeling gerichte schoolcultuur.

-       Investeer in eigen scholing waar dat nodig is.

-       Laat zien dat je het waard bent je eigen koers te bepalen.

En laten de ouders zich actief bezighouden met de zorg om kwalitatief en principieel goed onderwijs.

 

Al met al: deregulering is verantwoorde verantwoordelijkheid verantwoordelijk waarmaken!