Een wiebelstoel met vier poten

Een wiebelstoel met vier poten

Over Speciaal Cluster onderwijs en Passend onderwijs

 

Door Eric Rietkerk, senior adviseur onderwijs bij B.M.C. te Leusden en raadslid in de gemeente Elburg[1]

 

De huidige situatie van het onderwijs aan speciale leerlingen staat volop in de schijnwerpers. Dit artikel schetst vanuit het speciaal onderwijs een beeld over de stand van zaken op dit moment.

 

Hoe zitten we erbij?

Ter inleiding drie vragen die kenmerkend zijn bij het lezen over dit type onderwijs.

 

1. Wat is het verschil tussen speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs?

Leerlingen die onvoldoende baat hebben bij de extra zorg op de basisschool en een intensievere vorm van zorg nodig hebben, gaan naar een school voor speciaal basisonderwijs (sbo). Het zijn leerlingen die in het verleden werden opgevangen op lom-, mlk- en iobk-scholen. Scholen voor speciaal basisonderwijs vallen niet onder de Wet op de Expertise Centra, maar onder de Wet op het Primair Onderwijs.

 

2. Wat is een cluster binnen het speciale onderwijs?

De tien soorten scholen voor speciaal onderwijs zijn verdeeld in vier clusters.

Onder cluster 1 vallen de scholen voor visueel gehandicapte kinderen en/of meervoudige beperking.

Onder cluster 2 vallen scholen voor dove en slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden.

Onder cluster 3 vallen de scholen voor leerlingen met verstandelijke en/of lichamelijke beperkingen en aan leerlingen die langdurig ziek zijn.

Onder cluster 4 vallen de scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen, langdurig zieke kinderen zonder een lichamelijke handicap en kinderen in scholen bij pedologische instituten en bij justitiële jeugdinrichtingen.

 

3. In oktober 2004 werd het begrip zorgplicht voor scholen geïntroduceerd. Wat houdt dat in?

“Ieder schoolbestuur heeft de verantwoordelijkheid een passend onderwijszorg-arrangement aan te bieden aan iedere leerling die zich bij een school van dat schoolbestuur aanmeldt of bij een school van dat bestuur is ingeschreven. Als een school een bepaald arrangement niet zelf in huis heeft, moet het bestuur van die school in samenwerking met besturen die dit arrangement wel kunnen aanbieden zorgen dat de leerling dat onderwijsarrangement aangeboden krijgt, met een gemotiveerde doorverwijzing.”[2]

 

Passend Onderwijs: 4 stoelpoten

Sinds 1998 en 2003 kennen we in Nederland een herziene wettelijke systematiek voor leerlingen met extra onderwijsvragen, zogenaamde rugzakleerlingen. De verdeling van onderwijs aan zorgleerlingen is vergelijkbaar met een stoel met vier poten. De vier onderwijswetten houden de leerling op de zitting van een wiebelende stoel.

 

1e stoelpoot: (Wet Educatie en Beroepsonderwijs)

Leerlingenzorg in het M.B.O. (17-35 jr).

In het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) kennen we geen verplichte samenwerking tussen instellingen. Elk Regionaal Opleidingscentrum (ROC) kent een drempelloze instroom in niveau 1 en 2, iedere leerling is welkom. Voor zorgleerlingen worden allerlei aparte stromen opgezet, vaak in samenwerking met derden.

 

2e stoelpoot: (Wet Voortgezet Onderwijs)

Leerlingenzorg in het V.O. (12-20 jr)

In het voortgezet onderwijs (VO) zijn diverse samenwerkingsverbanden. In de scholen kent men een interne zorgstructuur met bijvoorbeeld een zorgcoördinator.  Voor de toelating tot vormen van gespecialiseerd onderwijs - het leerweg ondersteunend onderwijs (binnen de reguliere leerwegen) - of het Praktijkonderwijs, is een beschikking nodig van een regionale verwijzingscommissie.

 

* 3e stoelpoot: (Wet op de Expertise Centra)

Leerlingen als zorg voor het (V) S.O. (4-20 jr)

In het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs - (V)SO - kennen we de Regionale Expertise Centra (REC) met een commissie van de indicatiestelling (CvI). Deze REC’s worden gevormd door de scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Zoals eerder vermeld bestaan er 4 clusters voor de REC’s . De CvI van een REC kan een beschikking geven die recht geeft op een Rugzak of plaatsing op een (V)SO school

 

* 4e stoelpoot: (Wet op het Primair Onderwijs)

Leerlingenzorg in het P.O. (4-12 jr)

In het primair onderwijs (PO) kennen we basisscholen met een intern begeleider (IB). Deze IB-er coördineert de zorg in de school en is de schakel naar de zorg buiten de school. Basisscholen participeren in samenwerkingsverbanden (SWV) Weer Samen naar School, met een speciale school voor basisonderwijs (Sbao). Om toegelaten te kunnen worden tot de Sbao moet een leerling een beschikking krijgen van een permanente commissie leerlingenzorg (PCL).

 

De staat van de stoel

De stoel bestaat dus uit een ingewikkelde wet- en regelgeving die ook nogal verschilt in de vier wetten. Zo kennen bijvoorbeeld de eerste en vierde stoelpoot een budgetfinanciering, de derde stoelpoot een ‘open eind financiering’ en de tweede stoelpoot een zogenaamd gemengd model. Veel kinderen vallen met stoel en al om, doordat er een ongelijke verantwoordelijkheidsverdeling is voor hun onderwijstraject. Tussen PO en VO en het VMBO en MBO zijn hiaten.

In 2011 wordt bij de invoering van de nieuwe wetgeving de toedeling van de middelen voor (v)so/lgf gebaseerd op de huidige (historisch gegroeide) situatie. Het kabinet vindt verdere groei van de uitgaven voor (v)so en rugzakfinanciering ongewenst. Die groei beperkt de mogelijkheden van scholen om de kwaliteit te verbeteren. Vooral in cluster 4 is die groei enorm sterk. Het kabinet wil daarom inzetten op stabilisatie van de omvang van het (v)so en de rugzakfinanciering in de komende jaren.

Dit jaar is na een ronde van overleg met onder andere de WEC-Raad  door de Minister een nota over passend onderwijs geschreven.[3] De stoel kan aan tafel schuiven…

 

Visie kabinet: regionalisering

Samengevat de belangrijkste elementen uit de Nota van de minister:

• uitgaan van de bestaande (samenwerkings)structuren;

• bieden van lokale/regionale ruimte om een eigen traject te kunnen ontwikkelen;

• vormgeving passend onderwijs als wettelijke resultaatverplichting van schoolbesturen;

• noodzakelijke afstemming met externen (met name gemeenten en Bureaus Jeugdzorg);

• het ministerie van OCW zorgt voor aanpassing van wet- en regelgeving.

 

Op 25 juni jongstleden stuurde staatssecretaris Dijksma een brief naar de Kamer waarin zij het beleid van het Kabinet uitwerkt. In deze brief is het kernpunt eigenlijk een regionale aanpak.

1.Een dekkend geheel van samenwerkende schoolbesturen uit het PO, VO, (V)SO en het liefst ook MBO.

2. Grenzen met andere, naastliggende samenwerkende besturen bepalen.

3. Onderzoek doen of het mogelijk is via de regio deelname aan en de bekostiging van speciale voorzieningen vast te stellen.

 

De tendens is regionalisering voor de leerlingenzorg. In een nog te ontwikkelen samenstelling zal er in zo’n tachtig regio’s voor alle leerlingen zorg worden gecoördineerd. De verwachting is dat de  komende jaren toegewerkt zal worden - middels experimenten en initiatieven - naar de nieuwe situatie voor leerlingenzorg en passend onderwijs in Nederland.

Als men een formele aanvraag voor een experiment indient (conform de Experimentenwet), is in principe alles mogelijk. Bij veldinitiatieven zijn de mogelijkheden beperkter. Arie Slob heeft als lid van de vaste kamercommissie Onderwijs terecht gepleit voor het element identiteit. Bij vernieuwde vormen van samenwerking zal de identiteit een belangrijk element zijn.

 

Hoe organiseert men het traject Passend Onderwijs?

Op dit moment bouwt men aan een stuurgroep, uitwerkingsoverleg en eventuele steunpunten. De Stuurgroep Passend Onderwijs stuurt ontwikkelingen aan. In deze groep vindt het formele overleg plaats tussen het ministerie en de vertegenwoordigers van bestuur- en managementorganisaties PO, VO-raad, MBO-raad, WEC-raad, personeelvakorganisaties en ouderorganisaties.

Het Landelijk Uitwerkingsoverleg is platform voor uitwisseling en bespreking. Het traject Passend Onderwijs wordt breed gedragen. Dit draagvlak is belangrijk en daarom bespreken organisaties samen de uitwerking van vraagstukken. Een Landelijk Steunpunt Passend Onderwijs kan voor de scholen en besturen ondersteunend zijn en een Landelijk Steunpunt Ouders kan voor de vragen van ouders over Passend Onderwijs coördinerend zijn. 

 

Waar leidt deze ‘stoelpotendiscussie’ toe?

Bij Passend Onderwijs staat centraal: welke leerlingenzorg kan er geboden worden in een reguliere school en wanneer komt het speciale onderwijs om de hoek kijken in uw regio? De WEC-raad (belangenbehartiger voor de REC-scholen) geeft in haar visiedocument aan dat de toekomst van het onderwijs en het onderwijsbestel gebaat is bij de borging en toepassing van de kennis en expertise vanuit de speciale scholen.[4] Het vertrekpunt voor leerlingen is regulier primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs. Het is gewenst dat het Speciaal onderwijs alleen wordt aangeboden aan geïndiceerde leerlingen waar dat nodig is. De inzet van gespecialiseerd onderwijs vindt alleen plaats bij ontoereikende kennis en expertise in de reguliere scholen. Daarnaast is de ontwikkeling van nieuwe kennis belangrijk, er ontstaan immers nieuwe zorg/onderwijsarrangementen

 

Leerling georiënteerd onderwijs als basis

Het ‘leerling georiënteerd onderwijs’ is de basis in het speciaal onderwijs. Focus hierbij in de speciale scholen op de geïndiceerde leerling. De leerkracht is en blijft de spil in aanbod onderwijs op maat met ouders als partners. Vanuit het speciale onderwijs is er een onmisbare rol van ambulante begeleiding binnen het PO, VO BE en VSO zelf.

Bij ambulante begeleiding wordt een personeelslid met speciale kennis vanuit het speciale onderwijs ingezet voor een leerling met een complexe hulpvraag binnen een reguliere school.

 

Visie ChristenUnie

De visie van de WEC-raad sluit goed aan bij de aanbevelingen die Frisse lucht doet.[5] In deel vijf van die publicatie wordt het gewenste Nederlandse onderwijsbeleid vanuit ChristenUnie-perspectieven beschreven. Terecht vraagt men daarbij de nodige aandacht voor goede leerlingzorg.

In het huidige regeerakkoord staat dat leerlingen die extra zorg nodig hebben naar een gewone school moeten kunnen, maar dat voldoende expertise bij docenten en voldoende voorzieningen op scholen daarvoor basisvoorwaarden zijn. In dat akkoord staat ook dat speciaal onderwijs een noodzakelijke aanvulling blijft op het reguliere onderwijs.

De verwachting mag zijn dat passend onderwijs de zitting van de stoel en de stoelpoten verstevigd en daarmee de leerling een goede plaats kan geven. De hoop blijft dat iedereen - scholen, ouders, leerlingen, gemeenteraden en organisaties - de leerling zien zitten!

 

 

Samenvatting

¨       Maatschappelijke veranderingen en budgettaire begrenzing van de inzet van het rugzakje maken Passend onderwijs een kans voor scholen.  

¨       Leerlingen die extra zorg nodig hebben moeten naar een gewone school kunnen gaan.

¨       Speciaal onderwijs blijft een noodzakelijke aanvulling op het reguliere onderwijs.

¨       Deze maand (oktober 2007) stuurt de Staatssecretaris een uitgebreide nota over experimenten en initiatieven naar de Tweede Kamer.

¨       Identiteit is en blijft een aandachtspunt bij (her)nieuw(d)e samenwerking.

¨       Het kernpunt bij Passend onderwijs is leerlingenzorg vanuit een regionale aanpak.

¨       De afstemming tussen centra voor jeugd en gezin en passend onderwijs moet vorm krijgen.

 

 

Internet:

http://www.wecraad.nl

http://www.speciaalonderwijs.kennisnet.nl

http://www.minocw.nl/rugzakje

http://www.oudersenrugzak.nl

 

 

 

 

 



[1] Als voorzitter van de Landelijke vereniging voor ZMLK-scholen en als bestuurslid van de Landelijke vereniging cluster 3, participeert hij in het dagelijks bestuur van de WEC-Raad.

[2] Beleidsstukken onder Minister Van der Hoeven (december 2004, april 2005, 30 september 2005, 29 juni 2006, 28 augustus 2006 en januari 2007); en de beleidsbrief van 25 juni 2007 onder staatssecretaris Dijksma.

 

[3] Zie noot 1. 

[4] Speciaal of Specialistisch? De kennis en expertise van gespecialiseerd onderwijs in kaart gebracht. WEC raad visie document, 2006.

 

[5] Frisse lucht,  Wetenschappelijk instituut ChristenUnie, R. Kuiper e.a., 2007.