Een vergeten ChristenUnie prioriteit. Aanpak van laaggeletterdheid in Nederland

Een vergeten ChristenUnie-prioriteit

Aanpak van laaggeletterdheid in Nederland

 

Door drs. Wim de Jong, gemeenteraadslid te Deventer

 

 

Er zijn in Nederland schrikbarend veel mensen die moeite hebben met lezen, schrijven of rekenen. Het gaat daarbij zeker niet alleen om allochtonen. In het landelijke verkiezingsprogramma en ook in het model voor een lokaal programma van de CU komt het onderwerp laaggeletterdheid niet voor. Merkwaardig, want laaggeletterdheid is voor maar liefst anderhalf miljoen volwassenen Nederlanders een blokkade voor een volwaardige deelname aan de maatschappij. Als een krant lezen niet gaat en een formulier invullen of een bijsluiter begrijpen te moeilijk is, dan ligt sociale uitsluiting op de loer. Een partij die staat voor sociale gerechtigheid moet opkomen voor deze bij uitstek zwakke groep in de samenleving.

 

Extra schrijnend is dat laaggeletterdheid een verborgen probleem is. Mensen schamen zich vaak en durven er niet mee voor de dag te komen. Openheid erover is echter wel een voorwaarde om er (door scholing) wat aan te gaan doen. Enkele dapperen die er inmiddels wel voor uit durven te komen ontmoette ik onlangs op Nederlandse les aan het ROC Deventer. Eén van hen gaf aan dat hij uiteindelijk besloten had les te nemen omdat hij zijn kind niet kon voorlezen voor het slapen gaan. De leerlingen die ik ontmoette waren rond de veertig jaar en van Nederlandse afkomst. Zij waren juist in staat hun eigen naam schrijven. Tijdens die les leerden ze onder andere de plek op een ansichtkaart waar die naam moet staan en waar de naam en het adres van de geadresseerde.

 

Mijn oogmerk met dit artikel is om binnen de partij aandacht te vragen voor dit maatschappelijke vraagstuk en na te gaan hoe het probleem kan worden aangepakt[1]. Vooral op lokaal niveau kan dit fenomeen effectief worden aangepakt. Een landelijk werkende stichting heeft al veel werk verzet door onderzoek te doen en methodieken te ontwikkelen: de stichting Lezen en Schrijven. In dit artikel maak ik dankbaar gebruik van dat materiaal.

 

Wat is laaggeletterdheid?[2]

Geletterdheid is de vaardigheid om gedrukte en geschreven informatie te gebruiken om te functioneren in de maatschappij, om persoonlijke doelstellingen te bereiken en de persoonlijke kennis en kunde te ontwikkelen. Laaggeletterdheid is het onvermogen daartoe. Zo gedefinieerd omvat geletterdheid een scala aan bekwaamheden. Ook moet ‘lezen’ breed worden opgevat. Ook informatie op een display van een apparaat hoort ertoe.

In studies[3] die de stichting heeft laten uitvoeren is laaggeletterdheid geoperationaliseerd in het bezitten van de vaardigheid om te kunnen lezen, schrijven en rekenen op niveau 2. Dat komt overeen met een opleidingsniveau van slechts maximaal acht jaar primair onderwijs. Ter oriëntatie voor niet-ingewijden: de veel gehanteerde term startkwalificatie komt overeen met niveau 4. 

 

Laaggeletterdheid in het werk

In de setting van de werksituatie zijn de geletterdheidseisen nog hoger geworden, zo blijkt uit het onderzoek Laaggeletterdheid in het werk.[4] In het beroep van schoonmaker bijvoorbeeld spelen tegenwoordig taakkaarten, plattegronden en instructies over het omgaan met schoonmaakmiddelen een rol. Dat vergt taakuitoefening op een hoger niveau dan 2. De hogere eisen zijn ook aan de orde voor een zestal andere beroepen. Onderzocht is welke vaardigheden absoluut nodig zijn om te functioneren in het beroep van beveiliger, helpende thuiszorg, verkoopmedewerker, productiemedewerker, vuilnisman en magazijnmedewerker. Geïnterviewde medewerkers in al deze beroepen geven aan dat er lees-, schrijf- of rekentaken zijn waar ze moeite mee hebben. Voor de directe taakuitoefening moet vaak op niveau 3 worden gefunctioneerd en ook op functiegerichte trainingen wordt dit niveau vaak als aanvangsniveau gehanteerd. Met deze studie heeft de stichting invulling gegeven aan het begrip laaggeletterdheid in de context van het werk. Het zou interessant zijn ook na te gaan welke eisen men impliciet stelt voor het meedraaien in een kerkelijke gemeente of sportvereniging.

 

Ook wethouders en gedeputeerden…?

Maar liefst anderhalf miljoen volwassen Nederlanders zijn laaggeletterd. Dat is ongeveer 11% van de totale bevolking. Het gaat daarbij om allochtonen en autochtonen in alle lagen van de bevolking.[5] Ja, dat leest u goed! Ook in hogere beroepsgroepen komt het voor. Als het gaat om de vaardigheid om informatie uit teksten te begrijpen en te gebruiken (proza-geletterd) dan heeft 6% van de beroepsgroep van managers en bestuurders daar moeite mee. In deze groep zitten ook wethouders en gedeputeerden… Op andere dimensies van geletterdheid scoort deze groep gelukkig beter. Van de totale beroepsbevolking is bijna 6% ongeletterd. Zoals te verwachten scoren de professionals het beste op geletterdheid, onder de 1%. Aan de andere kant van het spectrum zitten de agrarische en visserijwerkers en de elementaire beroepen als belader en kantoorhulp met een percentage boven de 17%.

 

Een op de tien jongeren

Zorgwekkend is dat 1 op de 10 jongeren van 15 jaar laaggeletterd is. Het is dus geen uitstervend probleem. Dat is zorgelijk met het oog op de toekomst van de onze economie. Nederland zal zich internationaal vooral moeten onderscheiden door kennisintensieve productie. Dit gegeven roept de vraag op of ons onderwijsstelsel wel voldoende presteert. Investeringen in het onderwijs gericht op het terugbrengen van de laaggeletterdheid zijn hard nodig. Dit verschijnsel kost Nederland elk jaar ruim een half miljard euro[6]. Laaggeletterden zijn vaker werkloos, doen vaker een beroep op uitkeringen; zij hebben een slechtere gezondheid en doen gemiddeld vaker een beroep op de gezondheidszorg. Ook komen zij vaker in aanraking met politie en justitie. Op al deze terreinen kunnen kosten worden bespaard door bevordering van geletterdheid. Naast deze sterke economische motieven zijn er motieven van andere aard. Ik noem hier zelfvertrouwen, eigenwaarde en volwaardige participatie in de samenleving. Die sluiten nauw aan bij de politieke grondlijnen van de CU.

 

Rol gemeenten

Voor gemeenten is een voorname rol weggelegd in de bestrijding van dit probleem. Zij is in de eerste plaats zelf een grote werkgever met ook lager geschoold personeel. De gemeente is verder uitvoerder van de sociale zekerheid, opdrachtgever van volwasseneneducatie, subsidiegever van de bibliotheek en voert regie op tal van gebieden van sociaal beleid. De stichting Lezen en schrijven onderkent de grote rol die de gemeenten hierin kunnen vervullen en heeft een plan opgesteld met daarin zes ambities:

  • Laaggeletterdheid bespreekbaar maken.
  • Aanpak taalachterstand bij kind, jongeren en ouders
  • Aanpak laaggeletterden zonder werk
  • Aanpak werkende laaggeletterden
  • Leesbevordering
  • Toegankelijkheid van informatie vergroten

 

Voorbeelden

Met vier voorbeelden maak ik concreet wat de gemeente kan doen.

  1. Het vraagstuk bespreekbaar maken door een beroep te doen op lokale huisartsen. Zij zijn als vertrouwenspersonen aangewezen personen om door te verwijzen.[7]
  2. In de contacten met het lokale bedrijfsleven het onderwerp aankaarten. Het is mooi om gezamenlijk werk te maken van versterking van de lokale economie. Ook voor bedrijven is passend materiaal beschikbaar.
  3. Een actieve bibliotheek is goud waard bij de bevordering van een leescultuur in de gemeente. Door bewust gebruik te maken van het subsidie-instrument kan de gemeente op dit vlak veel afdwingen.
  4. Ten slotte is het van het grootste belang dat de gemeente (maar dat geldt ook voor andere overheden) in zijn schriftelijke en digitale communicatie met de burger hoge eisen stelt aan presentatie en taalgebruik.[8] Schrijfcursussen voor ambtenaren kunnen daarbij waarschijnlijk ook in uw gemeente niet gemist worden. Een echte analfabeet is daarbij dan wel niet gebaat, veel laaggeletterden wel!

 

 



[1] In Deventer heeft de CU dit onderwerp op de politieke agenda gezet. Na een startnotitie hierover is nu het wachten op een actieplan van het college.

[2] De term ‘laaggeletterd’ is bruikbaarder dan ‘analfabetisme’. Bij analfabeet denken we aan volwassenen die niet of nauwelijks kunnen lezen en schrijven. In een land met leerplicht hebben de meeste mensen wel wat geleerd in het onderwijs, maar niet genoeg om zich te kunnen redden. Laaggeletterd omvat beide groepen. Voor veel allochtonen geldt immers dat zij in hun land van herkomst zeker geen analfabeet zijn.

[3] Aukje Smit, Ella Bohnenn, Astrid Hazelzet, Laaggeletterdheid in het werk,  een kwalitatief onderzoek naar lees-, schrijf- en rekenvaardigheden in de kenniseconomie, bijlage 1. Wim Groot en Henriëtte Maassen van den Brink, Stil vermogen, een onderzoek naar de maatschappelijke kosten van laaggeletterdheid,, 2006, bijlage 1.

[4] p 64.

 

[5] Van de anderhalf miljoen laaggeletterden in ons land is tweederde in Nederland geboren en opgegroeid.

 

[6] Stil vermogen…, p 60.

[7] Hoe dat moet hoeft niet meer te worden uitgewerkt. Er is materiaal beschikbaar in de vorm van herkenningswijzers voor artsen en bedrijven, gesprekshandleidingen en een kaartje met daarop het landelijke nummer (0800 023444) waarmee men zich kan aanmelden voor een cursus lezen en schrijven bij de ROC’s.

 

[8]Het aspect van effectiviteit van overheidsinformatie laat ik hier bewust liggen.

 

Interessante links:

www.lezenenschrijven.nl (Van 8 t/m 14 september is het de week van alfabetisering. Op deze site is het programma te vinden.)

www.mijnabc.nl, deze site laat ook zien dat internet ook nieuwe mogelijkheden geeft om anoniem met taalverwerving bezig te zijn.