Tuinstad Europa

Tuinstad in plaats van Fort Europa

Gastvrijheid en nationale soevereiniteit in het Europese immigratiebeleid

 

Door dr. ir. Jan van der Stoep, post-doc onderzoeker aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit Amsterdam en directeur van het Instituut voor CultuurEthiek te Amersfoort

 

‘Een actieve en constructieve rol van Nederland in Europa en de wereld’ zo luidt de eerste pijler onder het regeerakkoord. Tegelijkertijd wordt een pas op de plaats gemaakt daar waar het de uitbreiding van de EU betreft en wordt sterke nadruk gelegd op de eigen soevereiniteit van de verschillende lidstaten. Dat lijkt een tegenstelling, maar is het niet. Aan de hand van het Europese immigratiebeleid wil ik laten zien dat transnationale samenwerking, versterking van nationale identiteit en bevordering van internationale rechtvaardigheid niet los van elkaar gedacht kunnen worden. Mensen hebben grenzen en afbakeningen nodig om gastvrij te kunnen zijn. Maar het omgekeerde geldt ook: zonder gastvrijheid geen legitimatie van de eigen zelfstandigheid en soevereiniteit.

 

 

Een lastig dilemma

Het zijn beelden die op het netvlies blijven hangen: mensen uit Noord-Afrika die met gevaar voor eigen leven in gammele bootjes de overtocht wagen om in Europa een beter bestaan op te bouwen. Wie dergelijke beelden op zich laat inwerken kan moeilijk meer zeggen dat Noord-Afrikaanse migranten slechts willen profiteren van onze welvaart. Eén van hun belangrijkste drijfveren is immers het grote verschil in rijkdom en toekomstmogelijkheden tussen mensen in Noord en Zuid. Wie zijn wij om te oordelen dat dat niet mag? Wordt onze welvaart niet ook mede in stand gehouden door de kloof die deze mensen willen overbruggen? En dan hebben we het op dit moment alleen nog maar gehad over mensen die om economische redenen aan de poorten van Europa aankloppen, niet om mensen die politiek asiel aanvragen.

Keerzijde van de medaille is echter dat de beelden van de Noord-Afrikaanse immigranten veel mensen in Europa ook angstig en onzeker maken. Want pikken deze nieuwe immigranten niet onze banen in en worden we niet nog meer vreemdelingen in onze eigen woonomgeving? Een dergelijke vrees kun je wellicht met schamperheid afdoen wanneer je op het pluche in Den Haag, Brussel of Straatsburg zit, maar is wel heel existentieel voor mensen die in korte tijd door immigratie hun hele buurt hebben zien veranderen en voor wie de mondialisering van de markt slechts met meer arbeidsonzekerheid gepaard is gegaan. In bijna heel Europa zien we dan ook sinds de jaren tachtig een nieuw type radicaal rechtse partijen opkomen die sterk inzetten op het behoud van de eigen nationale identiteit tegenover desintegrerende krachten van buitenaf.[1]

 

 

Het EU-immigratiebeleid

Hoe heeft tot nu toe de Europese Unie gereageerd op dit lastige dilemma? Wanneer we kijken naar het beleid van de Europese Unie inzake immigratie, dan valt op dat de laatste jaren steeds sterker wordt ingezet op samenwerking tussen de verschillende lidstaten. Een van de verdiensten van het Verdrag van Maastricht (1992) is geweest dat het immigratie- en asielbeleid niet langer een kwestie is die door afspraken tussen landen onderling moest worden geregeld, maar dat het samen met het beleid inzake binnenlandse veiligheid en justitie tot één van de pijlers van de Unie werd gemaakt, de pijler van Justitie en Binnenlandse Zaken. Wezenlijk voor deze pijler van het EU-beleid en ook voor de pijler van Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken is dat deze pijlers transnationaal bestuurd worden en niet supranationaal. Dat wil zeggen dat besluitvorming plaatsvindt niet binnen aparte supranationale instituten zoals het Europees Parlement, de Europese Commissie en het Europese Hof, maar door overleg tussen de verschillende landen. Dit in tegenstelling tot de zogenaamde eerste pijler van het EU-beleid, de pijler van de Europese Gemeenschappen.

 

Een volgende stap vond plaats in 1999 toen in het Verdrag van Amsterdam het immigratie- en asielbeleid werd overgeheveld naar de eerste pijler, de pijler van de Europese Gemeenschappen. Tegelijkertijd werd echter in belangrijke mate vastgehouden aan het beginsel dat besluitvorming in deze kwesties tussen de verschillende lidstaten moest plaatsvinden. Ook verraadt het huidige beleid nog sterk de nestgeur van de vroegere Justitie en Binnenlandse Zaken pijler, omdat immigratie haast per definitie in verband wordt gebracht met kwesties van publieke orde en veiligheid.[2] Eén van de doelen die is opgenomen in de in 2002 geconsolideerde versie van het Verdrag betreffende de Europese Unie is ‘de handhaving en ontwikkeling van de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit’.[3] Strenge bewaking aan de buitengrenzen van Europa en een gemeenschappelijk immigratie- en asielbeleid worden noodzakelijk geacht omdat het door het wegvallen van de grenzen tussen de verschillende lidstaten niet alleen voor wetgetrouwe burgers mogelijk wordt om vrij binnen de Europese Unie te reizen, maar ook voor illegale immigranten, mensensmokkelaars, criminelen en terroristen.

 

 

Instemming

Interessant aan het EU-immigratiebeleid is dat het laat zien dat nauwere samenwerking en coördinatie op Europees niveau kan leiden tot versterking en versteviging van de eigenheid en positie van de afzonderlijke lidstaten. Meer Europa betekent niet automatisch minder nationale soevereiniteit. Integendeel, door als lidstaten een gezamenlijk immigratiebeleid te voeren, is men juist in staat om de eigen invloedsfeer uit te breiden. Een ander interessant gegeven is dat betere coördinatie en samenwerking niet per definitie negatief hoeven te zijn voor potentiële immigranten. Voorkomen wordt juist dat er een race to the bottom ontstaat waarin de afzonderlijke lidstaten tegen elkaar opbieden met het meest restrictieve immigratiebeleid. Bovendien wordt door een gezamenlijk front te vormen als lidstaten een meer eenduidige en heldere politiek gevoerd zodat de migranten beter weten waar ze aan toe zijn.

 

 

Kritiek: Fort Europa?

Het EU-immigratiebeleid kan echter lang niet bij iedereen op instemming rekenen. Vaak wordt het verwijt gemaakt dat men op deze manier bezig is om van Europa een fort te maken. Terwijl, zo luidt het bezwaar, de verschillen tussen de burgers van de lidstaten kleiner wordt omdat ze vrij zijn om te reizen en te werken binnen de grenzen van de EU, wordt het onderscheid tussen burgers van de EU en mensen die geen burger zijn van de EU juist groter.[4] De critici van het EU-beleid hebben er vooral problemen mee dat immigranten als een bedreiging worden beschouwd, zowel voor het eigen systeem van sociale zekerheid als voor de onderlinge samenhang en culturele identiteit. Voor wat betreft de sociale zekerheid laat Europa, zo stelt men, zich teveel leiden door de nood en belangen van de eigen burgers, terwijl men de grote verschillen in inkomen tussen Noord en Zuid uit het oog verliest.[5] En voor wat betreft de culturele homogeniteit wordt zóveel nadruk gelegd op waarden die Europa samenbinden - zoals vrijheid, democratie en mensenrechten - dat hierdoor de andersheid van de ander miskent wordt en teveel een absolute loyaliteit van immigranten wordt gevraagd.

 

 

Begrensde vrijheid

In sommige opzichten kan ik me in de bezwaren van de critici van het EU-immigratiebeleid vinden, vooral daar waar de migratie teveel tot een veiligheidsprobleem wordt gereduceerd. Onder invloed van het toenemend nationalisme in Europa wordt de angst en onzekerheid van de eigen burgers teveel tot uitgangspunt genomen en zet men vooral in op het bieden van nog meer zekerheid en veiligheid. De vraag is ook of de angst voor een nieuwe toestroom van immigranten helemaal terecht is.[6] Zo blijkt bijvoorbeeld uit de statistieken dat het percentage migranten op de totale wereldbevolking honderd jaar geleden vrijwel hetzelfde was als tegenwoordig (2½ - 3 %). Bovendien is de migratie van Zuid naar Noord slechts een kleine fractie van het totale aantal migraties dat plaatsvindt. De meeste migratie vindt plaats tussen de verschillende zuidelijke landen onderling.

 

Toch meen ik dat men niet zomaar aan de gevoelens van angst en onzekerheid van de eigen burgers voorbij mag gaan. Het is op z’n minst een signaal dat burgers ook in sociaal en cultureel opzicht houvast nodig hebben om een open en gastvrije samenleving te ontwikkelen. Aldus bezien is het niet zo vreemd dat de Europese Unie sterke nadruk legt juist op de voorwaarden waaronder mensen zich vrij kunnen bewegen en een open houding naar anderen toe kunnen ontwikkelen. Een wereld met open grenzen is interessant wanneer men zelf voldoende maatschappelijke zekerheid en cultureel houvast heeft, maar het wordt anders wanneer men hierdoor een speelbal wordt van mondiale krachten en de grip op de eigen situatie verliest.

 

Om aan de dialectiek tussen vrijheid en controle te ontsnappen, is het van belang ons te realiseren dat vrijheid nooit absoluut is, maar altijd bestaat in gebondenheid. Mensen kunnen pas vrij zijn wanneer ze ook middelen hebben om een bestaan op te bouwen en wanneer ze in sociale en culturele gemeenschappen opgroeien die hen een eigen identiteit en oriëntatie in het leven verschaffen. Dat betekent ook dat grenzen en afbakeningen noodzakelijk zijn en dat onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘wij’ en ‘zij’, hoe arbitrair dat soms ook lijkt. Om de bevolking zeggenschap over hun bestaan te geven, ontkomt men er niet aan om territoria af te bakenen, zodat men zich solidair weet met anderen en samen beslissingen kan nemen, ook om bijvoorbeeld de muren rondom Europa niet te hoog op te trekken.

 

Inzet ChristenUnie

Een belangrijke inzet van de ChristenUnie zal dan ook moeten zijn om het bestuur inzake immigratie- en asielbeleid dichtbij de burger te houden. Ze mag niet in een gemakkelijk anti-Europees populisme vervallen, maar moet burgers wel de mogelijkheid verschaffen om zelf met de beslissingen die genomen worden in te kunnen stemmen. Gastvrij zijn betekent niet alle deuren voor wie dan ook open zetten waardoor je het beheer over de situatie verliest, maar bewust mensen toelaten in je huis zodat je ze ook royaal kan ontvangen. De implicatie hiervan is, in ieder geval voor dit moment, dat een nauwere samenwerking op het gebied van immigratie tussen de verschillende lidstaten zoveel mogelijk bevorderd moet worden, maar dat tegelijkertijd de beslissingsbevoegdheid transnationaal en niet supranationaal moet worden geregeld.

 

 

Migratie en ontwikkeling niet loskoppelen

Echter, hoe belangrijk het ook is om een onderscheid te maken tussen ‘binnen’ en ‘buiten’, een dergelijk onderscheid mag nooit tot een scheiding tussen deze beide compartimenten leiden. Het is de vraag of dat in een geglobaliseerde samenleving als de onze ook nog mogelijk is. We kunnen onze eigen nationale soevereiniteit alleen legitimeren als we een missie in de wereld hebben, niet alleen om bijvoorbeeld vrijheid van geweten en vrijheid van godsdienst te bevorderen, maar ook om te werken aan internationaal rechtvaardige verhoudingen tussen Noord en Zuid.

In dat opzicht mogen we het ons niet te gemakkelijk maken door uit te gaan van een strikt onderscheid tussen politieke en economische vluchtelingen. Natuurlijk, het is waar dat een dergelijk onderscheid in veel opzichten zinvol en gerechtvaardigd is, maar het is ook waar dat niet alle migranten vanuit het Zuiden simpelweg profiteurs zijn die van onze welvaart komen genieten. Vaak worden deze migranten ook door hun families ondersteund en betaald om een kapitaal op te bouwen en zo een beter bestaan voor hun familie thuis op te bouwen en daarmee ook de positie van mensen in hun directe leefomgeving te bevorderen.[7] Als ze slagen zijn ze in hun wijk of dorp de gevierde jongens, slagen ze niet – en dat gebeurt maar al te vaak – dan durven ze hun familie en buurtgenoten nauwelijks meer onder ogen te komen.

 

Door deskundigen wordt er steeds vaker op gewezen dat migratie en ontwikkeling niet te veel van elkaar mogen worden losgekoppeld, als zou het immigratiebeleid vooral een binnenlandse aangelegenheid zijn en ontwikkeling een onderdeel van het internationale beleid. Bovendien wordt steeds vaker door politici geprobeerd om contracten te sluiten met landen van herkomst om tegen ruil voor een scherpere grensbewaking meer ontwikkelingshulp te bieden. Deze veranderingen laten zien dat migratie niet alleen een probleem is, maar ook kansen biedt. Kansen, niet alleen om de vergrijzing in veel Europese landen tegen te gaan, maar ook om op deze wijze indirect de ontwikkeling in landen van het Zuiden te bevorderen. Daarbij moeten we overigen niet te gemakkelijk denken, als zou bijvoorbeeld extra ontwikkelingshulp kunnen helpen om migratie tegen te gaan. De geschiedenis leert juist het omgekeerde, namelijk dat meer ontwikkelingshulp en een stijging van de welvaart leidt tot meer migratie omdat mensen mobieler worden en zich meer van de mogelijkheden elders bewust worden.

 

Braindrain?

Omgekeerd is ook het niet zo dat migratie per definitie zal leiden tot een braindrain. Zo blijken migranten vaak aanzienlijke bedragen naar hun thuisland over te maken en zijn er diverse migranten die met het verworven kapitaal terugkeren naar huis, om daar een goed bestaan op te bouwen, bijvoorbeeld in de handel. Het zou interessant zijn om juist deze vormen van circulaire migratie te stimuleren en zo ondernemerschap te kweken en via de migranten zelf in de landen van herkomst te investeren. Eenvoudig is het ontwikkelen van een dergelijke politiek niet. Want hoe voorkomen we bijvoorbeeld dat er een nieuwe vorm van gastarbeiderschap ontstaat? Dat ontslaat ons echter niet van de verplichting om op dit gebied naar mogelijkheden te zoeken om migratie en ontwikkeling met elkaar te verbinden. De ChristenUnie is al lange tijd geleden deze weg ingeslagen, toen het wilde zoeken naar mogelijkheden om vluchtelingen in de eigen regio op te vangen en hen de mogelijkheden te bieden om in eigen land een goed bestaan op te bouwen. Het is nu de kunst om in dit spoor verder te denken!

 

 

Perspectief

Laat ik tot slot het perspectief schetsen dat mij voor ogen staat als ik denk aan het immigratie beleid van de EU. Het is niet het perspectief van een Fort Europa, dat zoveel mogelijk de eigen burger beschermt en om dat te doen hoge muren opwerpt en met geavanceerde surveillancesystemen het gevaar buiten houdt. Maar het is ook niet het perspectief van een samenleving waarin alle grenzen wegvallen. Uiteindelijk leidt een dergelijk beleid er slechts toe dat volksbuurten en achterstandswijken steeds meer tot jungles worden waarin mensen zo goed en zo kwaad als het gaat moeten zien te overleven en elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Het beeld van Europa dat mij voor ogen staat is veeleer het beeld van een tuinstad, waarin paden worden aangelegd, heggen en schuttingen worden opgericht om wat zwak is te beschermen en waarin voortdurend beheer nodig is om de tuin niet tot een woestenij te laten verworden. En dan hoop ik dat net als bij het Nieuwe Jeruzalem van binnenuit een stroom op gang komt de die de hele aarde bevloeit en die tot zegen is voor alle volken op aarde. Dat is een perspectief dat in deze bedeling verre van haalbaar is (het Nieuwe Jeruzalem komt van boven), maar dat desalniettemin de verwachting is van waaruit we mogen werken, uitziende naar de komst van de Messiaanse Koning.

 

 

SAMENVATTING

  1. De transnationale samenwerking tussen EU-landen op het terrein van migratie zorgt voor versterking van de eigenheid van de afzonderlijke lidstaten en heeft ook positieve gevolgen voor (potentiële) immigranten
  2. Gastvrij zijn betekent niet alle deuren zomaar wijd open zetten, maar bewust mensen toelaten zodat je ze ook royaal kan ontvangen.
  3. Migratie en ontwikkeling moeten niet los van elkaar worden gezien.
  4. De EU moet niet als Fort worden beschouwd, maar als tuinstad.

 

 

 

 

 

Noten



[1] Piero Ignazi, 2003. Extreme right wing parties in western Europe. OxfordUniversity Press, Oxford.

[2] Theodora Kostakopoulou, 2000. ‘The ‘protective union’ : Change and continuity in migration law and policy in post-Amsterdam Europe’, Journal of Common Market Studies, 38 (3), p. 497-518.

[3] http://europa.eu.int/eur-lex/lex/nl/treaties/dat/12002M/htm/C_2002325NL.000501.html.

[4] Seyla Benhabib, 2004. The rights of others. Aliens, residents and citizens. CambridgeUniversity Press, Cambridge, p. 153.

[5] Ulrich Beck, 2002. Macht und Gegenmacht im globalen Zeitalter. Neue weltpolitische Ökonomie. Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, p. 64-65.

[6] Hein de Haas, 2005. ‘Internationalmigration, remittances and development: myths and facts.’ Third World Quarterly, 26 (8), p. 1269-1284.

[7] Annelies Zoomers, 2006. Op zoek naar eldorado. Over internationale migratie, sociale mobiliteit en ontwikkeling. Inaugurele rede Radboud Universiteit Nijmegen.