Naar nieuw maakbaarheidsdenken?

Naar nieuw maakbaarheidsdenken? 

De goede bedoelingen van Balkenende IV

 

Door dr. Jan Hoogland, hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte aan de Universiteit Twente

 

Als er één ding kenmerkend is aan politici, dan is het wel de overvloedige mate waarin zij door goede bedoelingen gedreven lijken te worden. Politici hebben altijd het beste met de burger voor en overtroeven elkaar in de beloftes die aan de burger gedaan worden. Maar als er één ding frustrerend is aan politiek dan is het wel de afstand die door de meeste burgers beleefd wordt tussen de goede bedoelingen enerzijds en de politieke realiteit anderzijds. Een voorbeeld daarvan is de ‘bestuurlijke drukte’ en de belofte van tal van politici om daar ‘nu echt’ iets aan te zullen gaan doen. Voor mij als burger valt er echter dikwijls niet veel meer te ontwaren dan de aanwezigheid van goede bedoelingen om daar iets aan te doen. De realiteit blijft er vaak ver bij achter. Dit geldt ook ten aanzien van het nieuwe kabinet. In dit artikel analyseer ik mijn aarzelingen bij de goede bedoelingen van Balkenende IV.

 

De CU als betrouwbare partner

In het nieuwe kabinet heeft tot mijn grote genoegen ook de ChristenUnie zitting genomen. De ChristenUnie staat ondubbelzinnig bekend als een partij die eerlijk is en woord houdt. Ik zeg het maar ronduit: ik ben daar wel trots op. Het geeft aan dat de burgers van de ChristenUnie meer dan van andere partijen verwachten dat er een brug geslagen wordt tussen goede bedoelingen en politieke uitvoering. Een ChristenUnie-politicus wordt meer dan gemiddeld gezien als een politicus die goede bedoelingen niet voorwendt om zich mooier voor te doen dan hij is, maar als iemand met de oprechte intentie zich er ook aan te houden.

            Maar terwijl ik dit schrijf, besef ik dat dit vertrouwen dat de burger volgens opiniepeilingen in ChristenUnie-politici stelt, een uitgesproken kwetsbaar vertrouwen is. Immers, de overtuiging dat bij de ChristenUnie de goede bedoelingen serieuzer genomen worden dan normaal is in de politiek, is maar beperkt houdbaar. Als het niet wordt waargemaakt – dat wil zeggen: als goede bedoelingen onvoldoende worden gerealiseerd – dan zullen mensen hun vertrouwen al snel verliezen. En wie garandeert ons dat de mensen van de ChristenUnie die verwachting inderdaad kunnen waarmaken? Is daarvoor hun macht binnen het huidige kabinet niet veel te klein? En zal de ChristenUnie – ondanks de goede bedoelingen – niet gemakkelijk een speelbal worden van de grotere partijen in dit kabinet?

           

Een aarzeling bij Balkenende IV

En daarmee ben ik dan ook meteen aangeland bij één van mijn aarzelingen bij dit kabinet. Versta mij goed: ik spreek niet van ‘bezwaren’, maar van ‘aarzelingen’. Het gaat bij mij meer om een punt van twijfel dan om een overtuiging. Aanvankelijk deelde ik volledig in de euforie over dit nieuwe kabinet, dat zich in idealisme zo gunstig leek te onderscheiden van het vorige, vooral realistische ‘zakenkabinet’. En zo ging ik met het kabinet vol enthousiasme de ‘100 dagen’ in, waarin het kabinet de dialoog met de samenleving zoekt om de beleidsagenda voor de komende jaren nader in te vullen. Met een focus op de toekomst en met een frisse en creatieve aanpak vond ik de start van het kabinet overtuigend.

            Wanneer is echter de aarzeling gekomen? Toen ik wat kritischer naar dit idealisme ging kijken. Toen ik mij begon af te vragen of idealisme wel krachtig genoeg is om van leidende invloed te zijn op de politieke realiteit. Want moet je van politiek niet vooral zeggen dat het in hoge mate een tactisch-strategisch spel is, waarin mensen op een betrekkelijk opportunistische wijze achterbannen proberen te binden en successen proberen te behalen. Liever nog overdrijft de politicus immers zijn gunstige invloed dan afgeschreven te worden wegens gebrek aan succes. Politici zijn voortdurend geneigd hun invloed te overdrijven. Als je een politicus hoort, krijg je vaak de indruk dat hij alles onder controle zou hebben als de oppositie of de coalitiepartners niet zo zouden tegenwerken.

           

Te goede bedoelingen?

Deze en dergelijke overwegingen riepen bij mij de vraag op in hoeverre het nieuwe kabinet met zijn idealistische elan er nu ook werkelijk in slaagt met een politiek effectief en vernieuwend programma te komen. En doordenkend over die vraag overviel mij toch de gedachte dat er wel sprake is van veel idealisme – noem het: goede bedoelingen –, maar dat er tegelijk sprake is van nieuw elan in oude zakken. Dat blijkt vooral wanneer het gaat om de verwachtingen die het regeerakkoord wekt met betrekking tot de dienst van de overheid.

            Het nieuwe kabinet verving een voorgaand kabinet dat scherp en herkenbaar had ingezet op de actieve inzet en verantwoordelijkheid van de burger. Het zette zich duidelijk af tegen een tijdperk waarin erg veel van de overheid verwacht werd. De burger werd meer en meer tot een calculerende burger, die berekenend omging met de overheidsvoorzieningen zonder zich er zelf nu heel verantwoordelijk voor te voelen. Dit leidde tot een burger die zich ten opzichte van de publieke sector passief opstelde en deze vooral aan de overheid wilde overlaten.

 

Vernieuwend en hardvochtig

In een aantal ingrijpende trajecten heeft het vorige kabinet diep in deze constellatie ingegrepen. Daarbij heeft dat kabinet zich bepaald niet populair gemaakt en veel weerstand opgeroepen. Maar tot op zekere hoogte ging het daarbij wel om de weerstand van een verwende burger die zijn voorrechten dreigde te verliezen. Met een grote standvastigheid zette het kabinet haar beleid van revitalisering van het burgerschap voort en men kan achteraf ook werkelijk spreken van een vernieuwend kabinetsbeleid.

            Tegelijk was er sprake van toenemende kritiek op het beleid van het vorige kabinet en vooral op de hardvochtigheid ervan. Uitgeprocedeerde asielzoekers werden zonder pardon uitgezet. Wie één keer over zijn identiteit gelogen had, kon het verder wel vergeten. Met betrekking tot de WAO werd ingezet op participatie van mensen met een arbeidshandicap in het arbeidsproces zonder dat er overtuigende resultaten werden bereikt. Op particulier initiatief werden er in veel plaatsen voedselbanken opgericht voor mensen die in armoede leven. De zorg kreeg steeds meer de trekken van de commerciële sector. In allerlei opzichten werd duidelijk dat het vorige kabinet betrekkelijk weinig deed aan het bevorderen van sociale gerechtigheid.

 

Eén en ander werd scherp geformuleerd door Doekle Terpstra bij een grote protestmanifestatie van de vakbonden tegen het kabinetsbeleid. In zijn Titus Brandsma lezing 2006 verwoordt hij zijn toenmalige opvatting als volgt:

 

“Het politieke en maatschappelijk signaal van de Museumpleindemonstratie op 2 oktober 2004 was dat burgers het gevoel hebben dat de sociale samenhang op de tocht staat. Het gaat met mij misschien wel goed, maar zijn wij er nog voor elkaar? En worden wij daarin gesteund? Is er nog een overheid die als een schild wil staan voor het kwetsbare? Is er nog die lange arm van geborgenheid en herkenning om ons heen – zoals Ahmed Aboutaleb het zo mooi heeft uitgedrukt. Er lijkt vervreemding te zijn opgetreden, onverschilligheid. Het is de vraag of dit te maken heeft met het feit dat het begrip ‘verantwoordelijkheid’ in zijn oorspronkelijke betekenis is geërodeerd. Of het niet te veel in de context van zelfredzaamheid is komen te staan. Ik ben geneigd hierop ‘ja’ te antwoorden”.[1]

           

Te hoge verwachtingen van de overheid?

Het nieuwe kabinet lijkt met antwoorden te komen op deze vragen. En daarbij heeft het de les van het vorige kabinet niet vergeten. Ook het huidige kabinet hamert op het aambeeld van de verantwoordelijkheid van de burger. Niet voor niets is er voor gekozen om gedurende de eerste 100 dagen de dialoog met de samenleving te zoeken. De oplossingen kunnen nooit van de overheid alleen komen. Het gaat er om onze gezamenlijke verantwoordelijkheid te nemen.

            So far so good. Maar nu de spanning tussen de goede bedoelingen en de politieke realiteit. Goede bedoelingen zijn beslist niet het alleenrecht van christen-sociale politici. Alle politici staan zich er graag op voor ze te hebben, zelfs al zijn ze alleen maar de dekmantel voor andere belangen. En met goede bedoelingen alléén verander je de wereld niet. Wordt er in het regeerakkoord van het huidige kabinet uiteindelijk toch niet weer veel meer verwacht van de overheid? En leidt dat niet weer tot een ‘politiek van de goede bedoelingen’ (de term is van de Twentse filosoof Hans Achterhuis) en een naïef idealisme dat weinig oog heeft voor de politieke realiteit en haar opportunisme?

 

Meer dan goede bedoelingen

Hier ligt dus mijn aarzeling ten aanzien van het huidige kabinet. Goede bedoelingen alléén maken een land niet gezond. Prachtig om Centra voor Jeugd en Gezin in te richten, maar mag de burger er ook van verwachten dat daarmee effectief de ‘bestuurlijke drukte’ rond de zorg en de beschikbaarheid daarvan vermindert en er sprake zal zijn van een effectieve, minder bureaucratische hulpverlening? Heel goed om veertig probleemwijken aan te wijzen en er prachtwijken van te maken. Maar ronkt dit taalgebruik niet te veel? Is hier sprake van een terugkeer naar de idee van de maakbare (wijk-)samenleving? Ook ik besef dat er zonder idealen en goede bedoelingen geen sprake kan zijn van een politiek die ons werkelijk verder brengt. Maar er zijn goede gronden politici die hun eigen goede bedoelingen al te serieus nemen te wantrouwen.

 

Politiek is weerbarstig

Het zijn in de afgelopen periode vooral Pim Fortuyn en zijn volgelingen geweest, die de onvrede van de burgers over de politiek wist te mobiliseren en er een electoraal belangrijke beweging mee wist te initiëren. Veel van hun bezwaren tegen de politiek zijn herkenbaar. Mijn grootste bezwaar tegen Fortuyn is altijd geweest dat hij een veel te simpele oplossing voorspiegelde. De weerbarstigheid, het opportunisme, het compromisgerichte, het stroperige: het is allemaal inherent aan politiek. Het behoort tot haar kern. Zonder al die zaken is politiek niet verkrijgbaar. Ook Fortuyn zou er vroeg of laat mee te maken krijgen als hij de kans gekregen zou hebben iets van zijn idealen waar te maken. Ook hij zou zonder twijfel binnen enkele maanden zijn handen vuil moeten maken en daarbij waarschijnlijk veel sympathie verliezen.

 

Slot

In zekere zin vormen goede bedoelingen en een al te naïef idealisme het negatief van de Fortuynistische oplossing. Beide gezichtspunten hebben iets van de ontkenning van de politieke realiteit en de daaraan inherente weerbarstigheid. Allebei overschatten zij de maakbaarheid van de politiek en de nagestreefde doelen. Ik hoop dat het huidige kabinet voldoende oog zal hebben voor de politieke realiteit om zijn elan niet voortijdig te laten ondergaan. Goede en effectieve politieke vernieuwing zal vooral met die realiteit moeten kunnen omgaan. Ik wens het huidige kabinet veel wijsheid toe in het laveren tussen deze Scylla en Charibdis. Of, om het Bijbels te zeggen: argeloosheid en voorzichtigheid zijn beide deugden (naar Mattheus 10:16).

 

 

 

SAMENVATTING

  1. Het is de vraag of het idealisme van Balkenende IV krachtig genoeg is om van leidende invloed te zijn op de politieke realiteit.
  2. Het lijkt erop dat er in het regeerakkoord uiteindelijk toch weer meer wordt verwacht van de overheid, hetgeen leidt tot een ‘politiek van de goede bedoelingen’.
  3. Het wordt een hele toer voor dit kabinet om te laveren tussen de harde politiek realiteit en de daaraan inherente weerbarstigheid.


[1] Doekle Terpstra, Waar het visioen verdwijnt, verwildert het volk, Valkhof Pers/Titus Brandsma Instituut, Nijmegen 2006, p.13v..