'Het kan allemaal wel wat ondernemender'

“Het kan allemaal wel wat ondernemender

 

Door Benne van Popta, Directeur Financiën en Interne Zaken van MKB-Nederland en werkgeversvoorzitter van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen

 

Pijler 2 over de ondernemende economie is een van de kleinere pijlers, maar wel een van de belangrijkste. De huidige tijd van globalisering en vergrijzing vraagt om meer in plaats van minder innovatie, om ondernemerschap en risico-geneigdheid. Het regeerakkoord ademt te veel de sfeer van nationale knusheid, terwijl we ons juist moeten oriënteren op buiten.

 

Het verschil tussen Balkenende II en Balkenende IV is groter dan het verschil tussen Lubbers II en Lubbers III. Lubbers III startte wel heel anders dan Lubbers II, maar werd al snel tot koersverandering gedwongen door verslechterende economische ontwikkelingen. Uiteindelijk bezuinigde Lubbers III meer dan Lubbers II, overigens vooral dankzij Wim Kok. Balkenende II had een stijl van overrulen, niet polderen, primaat van de politiek, doorpakken als het probleem zich aandient, niet vooruitschuiven. Alle pijn aan het begin en daarna het zoet. Balkenende IV begint met te luisteren naar de samenleving – waarbij het onaffe regeerakkoord overigens een groot probleem is. Pas honderd dagen na het bordes wordt er begonnen met regeren. De tussentijdse besluiten doen zwakjes aan: budgettaire problemen niet meteen oplossen; geen gedwongen ontslagen bij reorganisatie rijksdienst, hetgeen betekent gokken op natuurlijk verloop (i.e. geen keuzes maken). De slinger lijkt wel erg ver door te slaan.

 

Visie is nog geen beleid

Het regeerakkoord bestaat uit een af en een onaf gedeelte. Af is de algemeen politiek-maatschappelijke situatieschets. Het kabinet heeft daar terecht veel krediet voor gekregen, de schets ontmoette veel instemming. Velen vonden het een verademing na de vorige kabinetsperiode. Maar het krediet raakt snel op door allerlei gebeurtenissen: de dubbele nationaliteiten-kwestie, de crisis in de PvdA, incidenten rondom de bikini-poster en de trouwambtenaren, de zwakke financiële besluiten, het zoeken naar een rol in de ABN-AMRO kwestie (wat niet zo eenvoudig is overigens). En het onaffe gedeelte – de losse opsomming van intenties tot maatregelen bij elk van de zes pijlers – geeft beleidsmatig onvoldoende houvast. Het is waar: zonder visie geen beleid. Maar ook: alleen maar visie is ook geen beleid.

 

Moeizame start

De drie partijen waarop het kabinet rust hebben hun draai nog niet gevonden, zacht gezegd. De PvdA heeft zich in de oppositie onvoldoende voorbereid op opnieuw regeren. Voeg daarbij de verkiezingsnederlagen plus de onderlinge verschillen. En het probleem is geduid en niet snel opgelost.

De CU moet aan alle kanten nog wennen. Elke dag een besluit nemen is heel iets anders dan dagelijks oppositievoeren. Een brede agenda voeren is dringend nodig, waarbij men vooral niet moet blijven hangen aan de klassieke ethische thema’s. Een aansprekend gezinsbeleid kan het tij snel doen keren. Maar met dat ik dit schrijf aarzel ik: de CU moet ook in personele zin verbreden en niet alles van André Rouvoet afhankelijk maken. Dat vraagt bovenmatig veel van hem en is niet goed voor de partij.

Het CDA zit waar het zat: in het centrum van de macht. Meer om dingen tegen te houden – denk aan de AOW-uitkering en -leeftijd, hypotheekrenteaftrek, een onderzoek naar redenen voor de deelname aan de Irak-oorlog - dan om te bevorderen. Het CDA heeft overigens wel de sleutel in handen om van dit kabinet een succes te maken. Een regenteske houding, waarbij vooral de eigen macht centraal staat en posities worden beschermd, werkt averechts en op termijn als een boemerang. Evenals het slaafs volgen van de wet van de koestal.

Kortom: de coalitie heeft nog het een en ander te doen om samenwerking en beleid tot een succes te maken. Op een goed verblijf in Lauswolt kun je geen vier jaren teren, zelfs geen honderd dagen.

 

Pijler II: innovatieve, concurrerende en ondernemende economie

Pijler II van het regeerakkoord (RA) gaat over de economie. Het is met de pijlers Buitenlands beleid en Duurzame omgeving een van de wat smallere pijlers van het RA (naar aantal pagina’s gemeten). Sociale samenhang (IV) en Overheid en dienstbare publieke sector (VI) zijn de dikste pijlers; zij vormen het boegbeeld van het nieuwe kabinet. Hier is het verband met de politiek-maatschappelijke situatieschets ook het sterkst.

Een vitale en innovatieve economie, aldus het RA, is nodig als basis voor een duurzame ontwikkeling van onze welvaart. Het concurrerend vermogen van de Nederlandse economie moet worden versterkt (vergrijzing, globalisering). Dan gaat het om een goed opgeleide en toegeruste beroepsbevolking, hoogwaardige kennis en kunde, ondernemingszin, gunstig investeringsklimaat en verantwoorde ontwikkeling van de loonkosten. Vervolgens worden vierenveertig punten opgesomd, variërend van intenties tot min of meer concrete maatregelen, verdeeld over vijf terreinen: ondernemerschap, kennis en innovatie, mobiliteit en infrastructuur, regionale economische ontwikkeling en onderwijs.

 

Regeldrukte

Dit alles oogt niet spectaculair en urgent, maar ook weer niet verkeerd. Voorzover ik kan overzien is er vaak sprake van continuïteit van beleid. Op sommige punten is de (bestuurlijk-politieke) praktijk overigens veel weerbarstiger dan uit een enkel zinnetje blijkt. Om een voorbeeld te noemen. De regeldruk zal opnieuw met 25% dalen in de komende kabinetsperiode, stelt het RA. Dat is in de huidige periode evenwel niet gebeurd. Soms is slechts sprake geweest van een – letterlijk – papieren maatregel. Daarnaast moet de aanpak breder: niet alleen focussen op de nalevingskosten van regelgeving, maar ook op de economische impact van regelgeving. Ook moet de insteek van regelgeving kantelen. Nu is het uitgangspunt: zonder regelgeving gaat alles verkeerd en lopen burgers, consumenten en werknemers onverantwoorde risico’s. Dit uitgangspunt leidt tot voortgaande stapeling van regelgeving. Na elk incident komt er weer een laag bovenop. Die brei van regels beperkt de risico’s evenwel niet en dood veel creativiteit en initiatief om problemen in de samenleving op te lossen.

 

Verkiezingsprogramma mager

Het verkiezingsprogramma van de CU is op dit onderwerp ook nogal mager. De beginparagrafen van hoofdstuk 3 (“werken”) komen het dichtst in de buurt. “Particulier initiatief wordt gekoesterd. Bedrijven zijn essentieel voor een gezonde economie. Een gunstig vestigings- en investeringsklimaat is van wezenlijk belang, juist in een tijd van globalisering.” Economisch beleid moet gericht zijn op duurzame ontwikkeling, op maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het is by far niet de kernboodschap van het programma.

 

Ondernemender

Het mag wat mij betreft allemaal wel wat ondernemender. Zowel het beleid in het algemeen, als het economische beleid in het bijzonder. Want het verleggen van de doelstellingen van het oude economische beleid (groei, werkgelegenheid en koopkracht) naar de doelstellingen van het nieuwe economische beleid (people, planet, profit) – waar ik het van harte mee eens ben - vraagt in een tijd van vergrijzing en globalisering om meer in plaats van minder innovatie, ondernemerschap, risico-geneigdheid, initiatief, e.d. Het leidt tot meer in plaats van minder onzekerheid, maar ook tot spannender resultaten. Maar het RA ademt te veel de sfeer van nationale knusheid, van geborgenheid, van zorg.

 

Open economie, niet navelstaren

Bij mijn weten heeft van de politieke partijen alleen het CDA een publicatie uitgegeven over ondernemerschap.[1] Dit rapport beargumenteert waarom ondernemers en een ondernemende houding in de komende periode broodnodig zijn, zowel om de oude als de nieuwe economische doelstellingen te realiseren. En het stelt dat Nederland dit kan, omdat het van vroegs af aan (politieke en maatschappelijke) condities heeft gesteld waarin ondernemerschap kan bloeien. Vanaf het begin van de Republiek tot aan het einde van de twintigste eeuw. In een klein land met een open economie waarin we gewend zijn alles met elkaar te doen in plaats van zonder elkaar of tegen elkaar. In een klein land met een open economie waarin we ons altijd op buiten oriënteerden in plaats van navelstaarden. Met een positief gevoel: al sinds eeuwen spelen we boven aan in de champions league van innovatieve, rijke landen; waarom zou dat nu opeens niet meer kunnen!? Maar goed, je moet er wel wat (veel) voor doen.[2]

De staatssecretaris van Economische Zaken, Frank Heemskerk, heeft namens het kabinet een adviesaanvrage naar de SER gestuurd (op 26 april jl.). Hij vraagt om advies terzake van een houding tegenover globalisering. Korte inhoud: (1) globalisering is van deze tijd en niet terug te draaien, (2) wij in Nederland hebben daar altijd voordeel van gehad, (3) maar geen voordeel bestaat zonder nadeel, (4) hoe kunnen wij de voordelen beter realiseren en de nadelen beter het hoofd bieden. Gaarne over een jaar antwoord. Een specifiek thema, maar met een brede uitwaaiering en/of plaatsbepaling.

 

Oproep aan CU

De CU zou gelijk op kunnen werken. De partij zou een commissie kunnen instellen met veel – maar niet alleen – praktijkmensen die zich over (een deel van) dezelfde vragen buigt. Opdat de CU begin volgend jaar beslagen ten ijs kan komen als deze issues om een plaatsbepaling vragen van het kabinet, niet alleen wat betreft visie, maar ook wat betreft concrete beleidspakketten. Naast integratie en dienstbare overheid blijft dit een van de hoofdthema’s van beleid.

 

 

 

SAMENVATTING

  1. De visie van het kabinet is goed, maar een goede visie is nog geen goed beleid.
  2. De doelstellingen people, planet, profit zijn uitstekend, maar het akkoord ademt als geheel te veel de sfeer uit van nationale knusheid. 
  3. Onze tijd van vergrijzing en globalisering vraagt om meer in plaats van minder innovatie.


[1] CDA-Wetenschappelijk Instituut, Vertrouwen in ondernemers, september 2006. Op verzoek van het CDA-WI ben ik de schrijver van dit rapport geweest.

[2] A.w., de box op pagina 40/41.