Mediakwaliteit: van fatsoen naar maatschappelijk belang

Media-kwaliteit: van fatsoen naar maatschappelijk belang

Door Rob Nijhoff, medewerker WI ChristenUnie

 

Nieuwe media komen, oude media gaan, maar de TV blijft voorlopig als hoofdrolspeler staan. Ondanks het aantal kanalen en omroepen munt het aanbod op de buis echter niet uit in afwisseling. Mediakwaliteit staat daarom in dit artikel centraal, met focus op TV. Waar bestaat mediakwaliteit uit? Moet de overheid deze willen bevorderen? Tegen het einde volgen een aantal concrete aanbevelingen voor ‘Balkenende IV’.

 

 

  1. Mediakwaliteit: meer dan fatsoen of betamelijkheid

De kwaliteit van de massamedia in Nederland is veel meer dan alleen een kwestie van fatsoen. In allerlei beroepsgroepen die centrale publieke belangen dienen is toezicht of een tuchtcollege normaal (bij vertrouwensberoepen als artsen, advocaten en accountants, maar ook bij topsporters). Het journaille claimt graag de waakhond te zijn van de democratie – maar zich verantwoorden bij de Raad voor de Journalistiek vindt ze een lachertje.[1] Landen om ons heen kennen journalistieke gedragscodes, in Nederland ontbreekt deze op landelijk niveau.

Waarover zouden journalisten, of breder: mediaprofessionals, zich moeten verantwoorden richting de samenleving? Op internet is immers alles te vinden. Maakt dat niet elke begrenzing werkelijk een overbodig lachertje? Journalisten en programmamakers in Nederland, net zo goed als providers of internetgebruikers, vallen onder de Nederlandse grondwet. Elke rechtsstaat kent juridische grenzen. Elke rechtstaat kent ook mazen in de wet. Die kan men soms dichten door nieuwe wetgeving, maar soms ook niet. De grenshekken van de vrijheid zijn juridisch immers nooit waterdicht.

Wat doet een beroepsgroep met heel het speelveld – dus niet alleen de grenzen - van haar vrijheid? Elke beroepgroep heeft immers opvattingen over de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Goede, gemiddelde en slechte beroepuitoefening. Ook de mediasector kent dergelijke standaarden; al dan niet vastgelegd gelden beroepsmores,  zoals terughoudende berichtgeving rond zelfdoding. Het is transparant wanneer een aantal do’s en don’ts in een mediacode terug te vinden zijn. Zinnig – mits bij klachten ook een afzienbare procedure volgt die zowel de professionele beroepsuitoefening in een specifiek geval recht doet als de klacht serieus neemt. Zo mogen in Duitsland de media drugsgebruik niet goedpraten. Het is de vraag of Spuiten en slikken daar had gekund.

Gaat het in dat soort regels om fatsoen? Uiteraard is wellevendheid, goede smaak en kiesheid rond precaire zaken als zelfdoding en de omgang met nabestaanden een goede zaak. Wanneer en hoe film je bijvoorbeeld een begrafenis? Ook de wet maakt een beroep mogelijk op wat ‘in het maatschappelijk verkeer betaamt’. Maar dat omvat veel meer dan fatsoen. Het gaat om wat ergens gebruikelijk is; wat redelijkerwijs verwacht mag worden in een bepaalde situatie. Is bepaald gedrag van een huurder nog normaal? Wat hoort in een jaarrekening?

Mediakwaliteit gaat nog verder. Verder dan de betamelijkheid waar een rechter mee rekent. Het gaat om wat de mediasector zelf afweegt. Welke idealen streven programmamakers na in hun werk? Waarin verschilt ‘goede televisie’ van ‘goede radio’? In medialand getuigt bijvoorbeeld ‘meer van hetzelfde’ niet van veel creativiteit. Als mediakwaliteit dan zo breed is, wat omvat deze dan zoal?

 

 

2          Mediakwaliteit: professionele waarden en publieke belangen

 

2.1       Professionaliteit

Professionele waarden duiden aan wat binnen een beroepssector belangrijk is om de samenleving op zijn manier van dienst te zijn. Nu wordt de publieke omroep geacht “een pluriform en kwalitatief hoogstaand aanbod van programma’s” te verzorgen “op het gebied van informatie, cultuur, educatie en verstrooiing” (Mediawet, zie kader 2). Ook geeft de publieke omroep als het goed is “op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving en van de onder de bevolking levende interesses en inzichten op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied” (idem). Welke ‘vakwaarden’ spreken uit deze noties?

Volgens de WRR (zie noot 1) verwacht de samenleving van de media nieuws, informatie, opinies, kunst & cultuur, vermaak en commerciële of ideële reclame. Terecht stelt de WRR vervolgens niet kortweg ‘mediakwaliteit bestaat uit het leveren van wat de samenleving verwacht’. Want ook volgens de WRR is mediakwaliteit meer. Naast het eerbiedigen van juridische grenzen (‘juridische kwaliteit’) zijn professionele waarden en publieke belangen in geding. Als zo’n waarde valt primair te noemen de vrije en gelijkwaardige toegang tot de media, zowel voor producent als consument.

Pluriformiteit is daarmee tegelijk gegeven: pluriformiteit in zowel de samenleving als omroepland (in aanbieders – omroepen –, in aanbod – genres aan programma’s –, en ook in visies die binnen één programma mediatijd krijgen). Wie deze pluriformiteit wil opofferen aan homogenisering doet zowel de eigen professionaliteit van de mediasector geweld aan als de samenleving.

Ook onafhankelijkheid is een ‘klassieke’ waarde in medialand. Veelal denkt men dan aan onafhankelijkheid ten opzichte van de overheid. Minstens zo belangrijk is echter de  onafhankelijkheid van economische eigenaren, adverteerders (reclame) of sponsors. ‘Redactiestatuten’ bevatten bijvoorbeeld bepalingen om redacties en medewerkers onafhankelijk te laten werken van hun broodheren. Toch roepen geldstromen spanningsvelden op. Bedrijven als Unilever zijn sponsors van programma’s en krijgen zo toch vaak inhoudelijk een vinger in de pap.

Vanzelfsprekend beïnvloedt technische vakbekwaamheid de totale kwaliteit van een mediaproduct. Elke keus van camerapositie heeft immers gewenste of ongewenste effecten. Onder ditzelfde vakmatig-professionele gedrag valt ook de omgang met personen die ter sprake of in beeld komen. Daarbij spelen, om niet meer te noemen, professionele waarden als privacy-bescherming en, daaraan gerelateerd, bescherming van bronnen.

 

2.2       Publieke belangen

Mediakwaliteit heeft niet alleen een interne kant – de professionele waarden binnen de mediasector –, extern telt de mate waarin de media het publieke belang dienen. Immers,  belangrijk blijft dat de media de functies vervullen die de samenleving - terecht - verwacht: nieuws, informatie, opinie, kunst & cultuur, vermaak en reclame. Als men de wat eigensoortige commerciële reclame buiten beschouwing laat, kan men de publieke belangen waarop deze functies gericht zijn samenvatten als vorming en ontspanning. Natuurlijk kan men erover discussiëren hoe vormend (of misvormend) bepaalde programma’s zijn, blijft staan dat een deel van het media-aanbod vorming bedoelt en een ander deel ontspanning. Aan beide heeft een samenleving behoefte.

Daarnaast kan men achter de professionele waarden uit 2.1 nog andere publieke belangen ontdekken. Zo zijn vrijheid, gelijkwaardigheid en verscheidenheid juist in een pluriforme samenleving publieke ‘goederen’ om te koesteren. Ook privacy-bescherming correspondeert met een publiek belang, breed gedeeld in de samenleving.

Media zijn vormen van communicatie. Daarom is de mediasector vooral voor één publiek belang een vitale drager: sociale samenhang. De landelijke media leveren een forse bijdrage aan de sociale samenhang in Nederland, alleen al door het 8 uur journaal. Niet alleen de publieke omroep, ook de commerciële omroepen hebben daarin hun aandeel. Internet groeit als tijdbesteding, maar de rol van vooral TV is bepaald niet uitgespeeld.

Wanneer door media-uitlatingen veiligheid en openbare orde in gevaar komen, kan men  dat opvatten als aantasting van sociale samenhang. Media-uitingen kunnen polariseren, maakten Van Gogh en de Deense cartoons duidelijk. Maar dat kunnen ze dankzij hun aard als communicatievormen met breed bereik. Het bevorderen van sociale samenhang is een geëigende taak voor de media.

Het unieke Nederlandse omroepland heeft een pluriform karakter. Een diversiteit aan groepen in de samenleving kan men mediatijd gunnen en ook met elkaar in contact brengen. Daarnaast bieden de media een scala aan programma’s die gedeelde interesses voeden of anderszins gespreksstof opleveren. Zelfs commerciële reclames kan men opvatten als pogingen economische relaties te leggen tussen aanbieders en consumenten.

Media, kortom, faciliteren vooral sociale samenhang in een moderne, complexe en geschakeerde samenleving. Daarnaast bieden media vorming en ontspanning, en waken zij over vrijheid en gelijkheid, privacy, veiligheid en openbare orde.

 

 

  1. Mediakwaliteit bevorderen  - een overheidstaak?

 

3.1              Geen zelfregulering zonder draagvlak

Kort en goed: mediakwaliteit groeit waar de professionele waarden en publieke belangen beter tot hun recht komen. De vraag is nu: kan de politiek daar iets aan doen?

Om een relatie tussen politiek en de mediasector te zien, hoeft men niet onmiddellijk te denken aan excessen zoals rond Van Gogh en de Deense cartoons. Terwille van het publieke belang (de diverse functies van de media en vooral de sociale samenhang)  investeert Nederland sowieso in de publieke omroep. Zo’n relatie tussen politiek en mediasector, waarbij de overheid zelfs een controlerende of bijsturende rol kent, betekent niet automatisch een instrumentalisering van de media voor politieke doeleinden. Er zit wel iets tussen het afzien van enige mediapolitiek en deze instrumentaliseren of annexeren.

In het coalitieakkoord van Balkenende IV ligt veel nadruk op het creëren van draagvlak. Per thema doet de politiek er goed aan zo breed mogelijk consensus[1] te zoeken en te bevorderen. Vrijwel altijd zal tenminste een kleine minderheid ‘tegen’ blijven, maar bij een volgend thema loopt de scheidslijn tussen voor- en tegenstanders wellicht weer anders. Door al deze wisselende overeenstemming en herkenning blijft een samenleving gezond. In een gepolariseerde samenleving vallen tweedelingen op teveel fronten samen, zodat de bevolking in blokken tegenover elkaar komt te staan.

Wanneer de overheid zelfregulering van de media aktief wil bevorderen, zal zonder draagvlak of meerderheid niets gebeuren. Woorden als ‘bevoogding’ of ‘betutteling’ suggereren een autoritaire overheid en doen geen recht aan het democratisch proces in Nederland. Als een meerderheid van de bevolking positief is over de Kijkwijzer, zal een minderheid zich betutteld voelen. Terecht? Komt de overheid daarmee achter de voordeur? Nee, Kijkwijzer is een initiatief van de mediasector zelf. Maar zelfs als het wel de overheid was die deze classificatie afdwong, dan nog is dat geen ‘huisvredebreuk’. Privacy-bescherming is niet absoluut. Een voordeur maakt gezinsleden niet vogelvrij. De overheid behoort immers ook bij bijvoorbeeld kindermishandeling achter de voordeur in te grijpen.

Kindermishandeling ligt op het vlak van het strafrecht. De overheid – met steun van een Kamermeerderheid – of de mediasector zelf kan ook bijsturend optreden bij contents die mogelijk aanzet tot ongewenst of overmatig gebruik van alcohol, drugs, seks, geweld, (religieus) beledigende of anderszins polariserende taal. Zolang kinderporno, het aanzetten tot geweld of haat niet juridisch hard gemaakt kunnen worden, blijft dit bijsturend optreden niet-juridisch van aard: met morele oproepen wordt een beroep gedaan op prudentie, wellevendheid en zelfregulering. Is dat ongewenst of overbodig? Of toch betuttelend?

 

3.2       Een mediacode

Het terugdringen van polarisatie en misbruik van mensen in de samenleving kan niemand afdoen als fatsoensrakkerij of overbodig. Uiteraard zal er discussie zijn over categorieën ‘ongewenste inhoud’. Dat soort discussie is er ook bij de leeftijdcodering van de Kijkwijzer. Toch kan in grote lijnen overeenstemming ontstaan. Op grond daarvan kan een ‘NICAM-plus’, desnoods het Commissariaat voor de Media, een mediacode opstellen en actueel houden. Dat geeft houvast, zowel aan de mediaproducent als aan de mediaconsument (de burger), waneer die aanleiding meent te zien tot klachten.

Codes met weinig draagvlak werken moeizaam. Maar eindeloos uitstellen is zinloos. Hier geldt: beter iets dan niets. Desnoods betekent dit dat de overheid zelf wetgeving moet voorbereiden, te beginnen met de minst omstreden categorieën. Al was het maar als ‘dreiging’ om de mediasector tot actie te bewegen. Zo is de Reclame Code er ook gekomen.

Stimuleert, bijvoorbeeld, gedrag van soapsterren alcoholmisbruik onder tieners, met hersenbeschadiging of erger letsel onder de gevolgen? Zoiets moet niet in de doofpot verdwijnen. Draagvlak is één. Daadkracht is twee. De eerste stap is het bundelen van politieke wil. De tweede stap het zo richten van deze wil dat concrete veranderingen tot stand komen.

Intussen moet de overheid niet meer willen zijn dan stok achter de deur. De eigen professionaliteit van de sector is en blijft immers primair. Bij voorkeur ook bij het opstellen van een mediacode. De sector heeft allereerst een eigen verantwoordelijkheid – met het oog op het publieke belang, de kwaliteit van de samenleving.

 

  1. Aanbevelingen voor de periode Balkenende IV

 

Welke concrete veranderingen zou de ChristenUnie nu moeten nastreven?

  1. Het Commissariaat voor de Media zal in gesprek met omroepbestuurders of verwante organisaties, zoals het NICAM, tot een mediabrede toezichthouder en (daarnaast een)  klachtencommissie of ombudsman moeten komen, in staat tot werkelijke sancties, werkend op basis van een hanteerbare mediacode. Voor een klachtencommissie of ombudsman geldt bemiddeling als eerste insteek.
  2. Een mediacode kan de Mediawet gedeeltelijk ontlasten en is flexibeler aanpasbaar dan een wet. Bovendien geeft een mediacode de consument houvast op welke punten hij of zijn klachten kan indienen. Europese afstemming in wetgeving en code moet vestiging door media in het buitenland als ontsnappingsroute ontmoedigen.
  3. Een jaarlijks mediaberaad van mediaorganisaties met betrokken maatschappelijke instellingen (ouderverenigingen, politieke partijen, etc.) levert mediabeslissers zicht op de wensen en klachten die rond de publieke media leven in de samenleving. Met een ‘mediatop’ kan men dit periodieke mediaberaad opstarten.
  4. Naast een klachtencommissie kan de overheid de positie van de mediaconsument versterken door voor scholen materiaal ter beschikking te stellen voor mediaopvoeding. Doel is dat scholen bij leerlingen vaardig en zinnig gebruik van de media geïntegreerd bevorderen.

 

 

  1. Tot slot: bureaucratie of maatschappelijke relevantie?

Niemand wil toenemende of overbodige bureaucratie. De vraag is echter per aanbeveling: is deze overbodig of zinnig en uitvoerbaar? Inbreng van mediaprofessionals zelf is daarbij onmisbaar. Financiële facilitering door de overheid ook, zeker bij de publieke omroep. Wie kiezen voor de media als opium – ‘wij bieden wat men wil’ –, zal zich door geen overheid of zelfregulering laten tegenhouden. Aan anderen de creatieve taak om te laten zien dat media ook maatschappelijk relevante programma’s kunnen bieden. Kijkcijfers moet men niet negeren, maar leidend zijn ze alleen als beslissers ze zo hanteren. Leidend voor alle publieke, landelijke media is het maatschappelijk belang. Hoe dat in te vullen, zal debat opleveren. Maar de belastingbetaler heeft recht op media die zijn of haar horizon niet dichtsmeren maar verbreden.

 

 



[1] Maximale consensus is unanimiteit. Dat bereikt een overheid zelden.



[1]  Zo beschrijft Hans Mentink het in zijn proefschrift Veel raad, weinig baat (2006). Zie ook het interview met hem elders in dit nummer.