Levend in de Polder-Leviatan

Levend in de Polder-Leviatan

 

Naar aanleiding van Ad de Bruijne, Levend in Leviatan. Een onderzoek naar de theorie over ‘christendom’ in de politieke theologie van Oliver O’Donovan. Kampen: Kok 2006, 294pp., ISBN 10 90 435 1329 6

 

Door dr. Govert J. Buijs, docent sociale en politieke filosofie aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit te Amsterdam en tevens coördinator van de internationale masteropleiding Christian Studies of Science and Society.[i]

 

 

1. Op zoek naar Nederland

 

De ChristenUnie maakt deel uit van de regering en dat zal vast wel een van de meest opmerkelijke Nederlandse nieuwsfeiten van 2007 blijven. Over de betekenis van dit nieuwsfeit zal echter nog wel een forse tijd gespeculeerd en geïnterpreteerd worden. Heel helder is die namelijk niet.

Is dit het begin van een herkerstening van Nederland, zoals soms gesuggereerd?

Of toont zich in de centrale rol die christelijke partijvorming momenteel weer speelt een diepe nationale continuïteit die door alle golven van secularisatie niet echt getroffen is (en daarop verder dan ook geen positieve of negatieve invloed zal uitoefenen)? We zijn in culturele zin christelijker dan we denken, maar houden de kerk toch echt voor gezien.

Of zal zich juist nu een definitieve scheiding der geesten gaan voltrekken, omdat de geest in Nederland al te zeer uit de fles is – zodat er binnen enkele jaren een nieuwe uitkristallisatie van de politiek zal plaatsvinden, bijvoorbeeld rond een links blok met de SP als motor en een rechts blok met de formatie rond Wilders als motor? Een definitieve uiteenscheuring van het politieke midden nadat het voor de laatste maal de kans gekregen heeft om te laten zien wat het (niet) kan – daarmee de altijd zich wat op de harmonie van het midden gerichte  christelijke partijen uiteenscheurend?

Of zal zich rond een heel andere as een nieuw nationalisme vormen dat een monoculturele (seculiere) meerderheidsidentiteit wil vestigen, in de private sfeer libertair, maar een krachtig orde-denken in de publieke sfeer, verbonden met een forse anti-buitenland en anti-islam-retoriek? Hierbij kan dan de rechtsstaat al snel onder druk komen te staan bijvoorbeeld omdat naar willekeur Nederlandse nationaliteiten ontnomen worden aan ‘niet langer gewenste’ burgers. Wellicht hebben we in de affaire-Hirsi-Ali en het recente debat over dubbele paspoorten hier de eerste voortekenen van gezien?   

 

Voorspellen is moeilijk – zeker als het de toekomst betreft (aldus ooit Mark Twain of volgens anderen Niels Bohr). Wat we wel weten is dat we in Nederland in feite op een vulkaan leven. Voor het eerst is er in Nederland, een land waarin van oudsher alleen maar minderheden opereerden – zelfs de bewust meelevende Hervormden waren een minderheid - nu een duidelijke meerderheid: de onkerkelijken. De politieke constellatie in Nederland was gedurende de laatste honderd jaren gebaseerd op de onderlinge omgang van religieuze minderheden. Nederland als natie werd daarbinnen vooral gezien als een gedeeld strijdperk. Een strijdperk verbindt en verdeelt tegelijk: men moet het eens zijn over de strijdregels, de rules of engagement, men is het eens over de aard van de strijd (namelijk een religieuze strijd) en er is sprake van wederzijds respect, maar tegelijk is de ander binnen het strijdperk uiteraard ook tegenstander. Ieder had er echter belang bij het strijdperk, Nederland, in stand te houden.

In de laatste decennia zijn al die minderheidsreligies in Nederland in een – ook in internationaal vergelijkend perspectief – onwaarschijnlijk snel tempo in elkaar gezakt. Nederland is koploper van de secularisatie geworden. Tegelijk is in de politiek nog immer sprake van wat de socioloog Van Doorn ooit noemde ‘de onvermijdelijke presentie van de confessionelen’. Deze merkwaardige situatie was uiteraard de directe aanleiding voor het Paarse experiment: even geen confessionelen in de regering. De afloop van het experiment was zo mogelijk nog dramatischer dan het verval van de religieuze minderheden. Sindsdien zijn de confessionelen terug.

 

De achtergrond daarvan is waarschijnlijk mede dat het in Nederland nog niet goed gelukt is om een nieuwe gezamenlijkheid te ontdekken of te construeren, die werkelijk de oude constellatie, die gebaseerd was op de vreedzame coëxistentie van religieuze minderheden, kan vervangen. In de Verenigde Staten heeft men een scheiding van kerk en staat kunnen combineren met een krachtig, de religieuze diversiteit overstijgend, patriottisme, een soort algemene burgerreligie. In veel andere landen heeft men een nationale achtergrondreligie, waar men individueel niet zo veel aan doet (vaak nog weer veel minder dan in het zogenaamd geseculariseerde Nederland) maar waar men ook geen zware anti-gevoelens jegens koestert en waarop men bij tijden van individuele of nationale rampspoed weer gemakkelijk een beroep kan doen (dit lijkt zelfs het geval in Frankrijk). In Nederland zijn beide mogelijkheden uitgesloten. Het lijkt of we daarom – in vergelijking met heel wat andere landen – aan het kortste eind trekken. Binnen afzienbare tijd zitten we én zonder individuele religie én zonder publieke religie. De kerken lijken nauwelijks in staat een publieke rol te vervullen.

 

In een dergelijk angstwekkend spiritueel vacuüm worden we in snel tempo getrakteerd op pogingen om Nederland opnieuw uit te vinden. Wilders verkoopt onder de merknamen ‘Nederlander’ en ‘Nederland’ een mens- en maatschappijtype dat in niets lijkt op wat Nederland in de afgelopen eeuwen geweest is, land van compromis en samenwerking. Dit doet grote vragen rijzen over de vraag of Wilders eigenlijk wel loyaal is aan dit land. Of is hij in diepste zin loyaal aan een nieuw te construeren esthetische eenheid, ontsproten aan zijn brein, waarin geen plaats is voor minderheden?

 

Dit vragencomplex – de interactie tussen de ineenstortende Nederlandse religieuze erfenis en de zoektocht naar een mogelijke Nederlandse ‘identiteit’ – vormt mijns inziens ook de achtergrond van de nieuwe aandacht voor religie in het publieke domein.

 

 

2. Politieke  theologie

 

Deze en dergelijke vragen staan momenteel volop in het centrum van de discussie. En heel langzamerhand komen deze vragen ook op de agenda bij theologen, ook bij theologen uit de kleinere protestantse kerken van orthodoxe snit. In de laatste decennia, de tijd van de razendsnelle secularisatie, hield men zich hier theologisch vooral bezig met kerkgeschiedenis, in mindere mate met de bijbels-theologische vakken en nog wel een beetje met wat vaak micro-ethiek genoemd wordt. De laatste tien jaren is hier veel aandacht voor pastorale vakken en gemeenteopbouw bijgekomen. Het genre ‘cultuurtheologie’ of ‘theologie van cultuur, politiek en  samenleving’ is hier doorgaans veel minder aan de orde geweest.

De recente dissertatie van Ad de Bruijne, docent ethiek aan de Theologische Universiteit te Kampen (vrijgemaakt-gereformeerde kerken) is hierop een uitzondering (en samen met het recente boek van Stefan Paas Vrede stichten misschien het begin van een trendbreuk). In Levend in Leviatan, waarop hij afgelopen najaar te Leiden promoveerde, vraagt De Bruijne volop aandacht voor de verhouding van kerk en samenleving, kerk en politieke orde. Hij doet dat door een uitvoerige analyse van het werk van de Engelse theoloog Oliver O’Donovan. De ondertitel van zijn dissertatie luidt dan ook “Een onderzoek naar de theorie over ‘Christendom’ in de politieke theologie van Oliver O’Donovan”. ‘Leviatan’ is de naam voor een zeemonster in het bijbelboek Job, dat door de vroegmoderne politiek filosoof Thomas Hobbes gebruikt werd als aanduiding voor de staat. In die moderne staat leeft de kerk als Jona in de buik van de vis. Wat doet de kerk in die buik? Is zij voedsel voor de staat, of een zwaar op de maag liggend brok, die ze zo snel mogelijk weer wil uitspuwen? Deze verhouding van kerk en staat, christelijk geloof en politiek is het onderwerp van de politieke theologie.

Nu is de term ‘politieke theologie’ vaak een wat beladen term. De eerste associaties van de term gaan vooral terug naar de jaren zestig, waarin theologen een verbinding zochten tussen marxisme en de christelijke theologie. De bevrijdingstheologie in Zuid-Amerika gold als ‘politieke theologie’. In Duitsland publiceerde Dorothé Sölle een boek(je) met precies deze titel, Politische Theologie. Maar de term heeft een veel oudere achtergrond, die met Marxisme niets te maken heeft en die teruggaat op Augustinus (en daarachter zelfs op de Griekse filosoof Plato). Als we ons tot de christelijke theologie beperken, kan men onder de term ‘politieke theologie’ een genre theologie verstaan waarin expliciet de vraag gesteld wordt naar de verhouding van kerk en staat en breder nog, de verhouding van het christelijke ethos tot het ethos in een bepaalde politieke orde. In deze zin moet het werk van O’Donovan en dus ook de dissertatie van De Bruijne als politieke theologie verstaan worden.

Waarom schuren kerk en staat, en religieuze tradities en politieke ordes steeds zo tegen elkaar aan? In zekere zin is de centrale vraag hier inderdaad de vraag naar loyaliteit. Religies kunnen doorgaans bij mensen loyaliteit oproepen waar een staat alleen maar van kan dromen. Omgekeerd, als een staat een zekere loyaliteit bij onderdanen kan oproepen, kan de diepere, religieuze loyaliteit van mensen daarvoor gemakkelijk een bedreiging vormen. De staat zou dus het liefste de kerk inschakelen voor de eigen loyaliteit. De kerk van haar kant wil graag ruimte voor zichzelf, haar eigen instituut. Maar behalve dat wil de kerk graag dat zaken die zij moreel van groot belang acht, in een bepaalde mate ook gestalte krijgen in de samenleving. Een beginsel als ‘de waardigheid van het leven’ is heel moeilijk alleen maar binnen de muren van de kerk vorm te geven zonder dat iemand ooit met de bril van dat beginsel op ook eens een blik naar buiten werpt. Om een voorbeeld te geven: als men binnen de kerk mensen in principe als gelijke broeders en zusters ziet, is het op termijn heel moeilijk om buiten de kerk steun te blijven verlenen aan iets als slavernij als maatschappelijke institutie.

 

 

 

3. De bijdrage van O’Donovan

 

Wat zijn nu enkele centrale gedachten die O’Donovan, blijkens de dissertatie van De Bruijne, naar voren brengt? Het centrale begrip in zijn denken is ‘christendom’ (een woord dat men in dezelfde vorm zowel in het Engels als in het Nederlands kent). Het staat zowel voor een historische periode als voor een bepaald idee van de verhouding kerk en staat. Om met dat laatste te beginnen: ‘christendom’ slaat op een situatie waarin het christelijk geloof op de een of andere wijze normerende richting geeft aan een samenleving. De historische periode waarin O’Donovan dit gerealiseerd ziet is die beginnend met Constantijn, die het christendom officieel toestaat en ook wetgeving begint om te vormen op basis van christelijke uitgangspunten en eindigend met de Amerikaanse Revolutie (1776), en het ‘First Amendment’ bij de Amerikaanse constitutie (1791) waarbij de formele scheiding tussen kerk en staat (‘disestablishment’) geregeld wordt. Hierbinnen zijn dan wel diverse fasen te onderscheiden, en ook uitlopers na 1791. De grondidee is echter belangrijker dan de historische periode: het christelijk geloof heeft en streeft naar politiek-maatschappelijke relevantie. De vele gedachten en nuanceringen, ook de ontsporingen, die in het kader van ‘christendom’ zijn ontwikkeld, vormen een blijvende inspiratie- en oriëntatiebron ook voor hedendaagse discussies over kerk en staat, aldus O’Donovan – een ‘voorbeeldlezing’, aldus De Bruijne.

Om O’Donovan te begrijpen is het verhelderend om te noteren dat hij zich niet thuis voelt bij andere theologen die vandaag de dag vooral de nadruk leggen op de kerk als radicale tegenbeweging in de samenleving, op de kerk als een eigensoortige community of character waarbinnen mensen leren om ‘vreemdeling’ te zijn met een geheel eigen, van de grote meerderheid afwijkend ethos. Momenteel zijn daarmee vooral de namen van Stanley Hauerwas en Howard Yoder verbonden. Bij hen speelt een duidelijke Anabaptistische inspiratie mee, die uitkomt in een scherpe afwijzing van politieke macht. De christelijke kerk mag zich daar derhalve niet mee besmeuren (De Bruijne kiest er bewust, maar wel helaas,  voor deze tegenpositie niet uitvoerig te behandelen; het had zijn boek spannender gemaakt dit wel te doen). Voor O’Donovan is deze positie niet bevredigend. Zowel met de belijdenis van de wereld als schepping Gods als met de belijdenis van Christus als koning en de verwachting van het Koninkrijk Gods is gegeven dat politiek ook theologisch relevant is. God doet aan politiek, dan kunnen kerk en theologie niet achterblijven. Er vindt nu eenmaal een confrontatie plaats tussen het koninkrijk van God en de aardse koninkrijken. Die confrontatie verdient analyse. Want de aardse koninkrijken blijven door die confrontatie niet zichzelf. Er komt van alles op gang, deels parallel aan het koninkrijk Gods, deels juist in verzet ertegen. Dat betekent dat de kerk in haar relatie tot politiek en samenleving niet kan volstaan met een simpele afwijzing, evenmin met een kritiekloze omarming, maar dat ze moet schiften en ziften. Dat beoogt O’Donovan.

Typerend in dit verband is zijn waardering van ‘de moderniteit’. Vaak worden allerlei moderniseringsprocessen in christelijke kring nogal massief afgewezen. O’Donovan beoogt een meer genuanceerde benadering waarin ook de christelijke bronnen van de modernisering worden erkend. Tegelijk is hij heel kritisch op latere ontwikkelingen in de moderne samenleving, zoals de overheersing van de techniek en het technische denken.

  

 

4. De Bruijne

 

De Bruijne probeert te beoordelen hoe O’Donovan’s bijdragen relevant kunnen zijn in de Nederlandse context. Zijn boek hinkt hier op twee gedachten. Enerzijds wil hij voluit de Nederlandse discussies aan de orde stellen, anderzijds maakt zijn concentratie op O’Donovan dat toch moeilijk. Daarmee is ook de echte relevantie van O’Donovan voor de Nederlandse debatten nog niet geheel scherp aangetoond. Is O’Donovan echt een stem die het hierboven geschetste Nederlandse debat verder helpt? Ik heb op dit punt twijfels, die ik in de slotopmerking iets verder uitwerk.

Wat O’Donovan in de reconstructie van De Bruijne in elk geval wel doet is een nieuwe ronde in de debatten over de verhouding van kerk en samenleving, kerk en politiek, christelijk geloof en politiek inluiden. Hoe nieuw zijn positie specifiek in Nederland is, kan ik niet geheel overzien. Ik vermoed dat O’Donovan mede een nieuwe verwoording geeft van een positie die in Nederland zelf al enigszins geklonken heeft met name in het denken van Van Ruler (De Bruijne bespreekt deze laatste niet, terwijl ik vermoed dat van de Nederlandse theologen juist Van Ruler de grootste affiniteit met O’Donovan vertoont).

De specifieke Nederlandse context moge in De Bruijne’s proefschrift dan wat onderbelicht blijven, boeiend is de wijze waarop hij een typologie ontwikkelt van mogelijke posities in een de eeuwen omspannend debat over de verhouding van kerk en samenleving, om O’Donovan op die wijze te plaatsen en diens relevantie aan te tonen. Dit is beslist verhelderend. Hij onderscheidt de volgende posities:

a. civil religion: een samenleving heeft een samenbindende maar wel heel vage, algemene gedeelde religie nodig.

b. christendomkritiek: kritisch op elke verbinding tussen kerk en macht (vgl. de al genoemde Hauerwas en Yoder), de kerk is een kritische tegenbeweging.

c. liberalisme: de politieke orde dient religieus geheel neutraal te zijn.

d. theocratie: het christendom dient de officiële religie te zijn en de christelijke waarheid dient de samenleving geheel te doortrekken.

e. principieel pluralisme: diverse religies dienen in de publieke ruimte hun eigen gezichtspunten te kunnen etaleren maar dat zal altijd alleen kunnen via het debat waarin steun verworven wordt voor de eigen inzichten bij andersdenkenden

 

In een boeiende vergelijking laat De Bruijne zien dat O’Donovan van al deze posities elementen overneemt maar tegelijk ook overal zijn kritische noten kraakt. Daarom claimt De Bruijne dat O’Donovans positie echt een stap vooruit is in het debat. Geheel overtuigend is deze claim mijns inziens nog niet: neemt een stap vooruit in een debat altijd de vorm aan van integreren en overstijgen? Of komt er daarmee een fletse overall te voorschijn? De Bruijne is van plan in een vervolgstudie hierop nader in te gaan. Daarin zal ook zijn eigen positiekeuze scherper ontwikkeld worden.

 

 

5. Tot slot

 

De bijdrage van O’Donovan en daarmee ook van De Bruijne is een voluit theologische bijdrage, niet alleen van maar ook voor theologen. Daarmee is nog geen bijdrage geleverd aan de politieke discussie over de plaats van religie in de samenleving zelf, en zeker niet in Nederland. Immers, de kerk kan van alles willen, dit moet haar wel gegund worden door de staat en door de publieke opinie. In een context van vergaande de-christianisering, zoals die in Nederland is opgetreden (waar ik kortheidshalve zowel religieuze pluralisering, secularisatie en de-institutionalisering in samenvat), is het de vraag in hoeverre O’Donovan echt behulpzaam kan zijn zowel in het theologische debat (hoe moet de kerk zich als cognitieve minderheid opstellen in een plurale samenleving) als in het politicologische debat (hoeveel religie en welke kan een staat verdragen of heeft ze juist nodig).

De Bruijne maakt in elk geval duidelijk dat O’Donovan wel degelijk interessant is. Maar het kost hem erg veel moeite precies aan te geven waarin het specifieke van diens bijdrage voor de Nederlandse context gelegen is. O’Donovans werk en De Bruijne’s verwerking daarvan vormen daarmee vooral nog onderdeel van het intern-kerkelijke en intern-theologische huiswerk.  

Daarmee is nog niet de echte theologische bijdrage aan het publieke debat in zicht, een bijdrage die uit de aard der zaak niet theologisch getoonzet zal kunnen zijn. Wie in een plurale context over de betekenis van de christelijke traditie wil spreken zal qua taal niet van binnen naar buiten moeten spreken (hopend dat anderen het hiermee meekomende vocabulaire vanzelf wel zullen gaan begrijpen), maar van buiten naar binnen (in een voor ieder toegankelijke taal laten zien dat er in de christelijke traditie buitengewoon belangwekkende inzichten en praktijken zijn ontwikkeld). Dat is geen ‘moreel esperanto’ (Cliteur), die religieuze argumentaties uitsluit, maar wel een taal die probeert met gebruikmaking van breed gewonnen en gedeelde sociologische, antropologische en wijsgerige inzichten te laten zien wat de betekenis van de christelijke traditie kan zijn in concrete discussies. Kortom: naar het christendom toe denken, niet er vanuit vertrekken.

Daarmee levert men, christelijk-theologisch gezien, wel iets in: het externe gezag dat voor de gelovige verbonden is met het Bijbelse spreken. Dit wisselt men dan in voor een soort ‘communicatief gezag’ dat zich waar moet maken in de discussie. Daarbij komt dan direct het risico in zicht dat men slechts dat voor waar en heilzaam houdt, wat zich in de discussie verdedigen laat. Tegelijk is het weer veel spannender om in daad en woord de praktische leefbaarheid van het christelijk geloof te laten zien dan om zich te beroepen op een transcendente instantie die voor anderen geen formeel gezag heeft en daarom weinig aan zelfinzicht toevoegt.

De ontspannenheid die voor die spannende exercitie nodig is, vindt men in het bestaan van de kerk. De kerk is de primaire leefruimte van het christelijk ethos (dat is het gelijk van Hauerwas en Yoder), maar het is zeer wel denkbaar dat datgene wat in de kerk ontdekt en ontwikkeld is, ook voor de bredere samenleving van belang blijkt. Er is dan geen enkel bezwaar tegen dit dan ook aan de samenleving en aan de politiek aan te bieden als heilzame inzichten. Het kan dan voorkomen dat samenleving en politiek die inzichten dankbaar of kriegelig overnemen, het kan ook zijn dat men ze links laat liggen. Beide scenario’s weerhouden de kerk er niet van in eigen gelederen het eigen christelijk ethos gestalte te geven: in principe wordt men in de kerk zelf niet warm of koud van de opiniepeilingen die soms steun laten zien voor een bepaald element van het christelijk ethos, maar dan weer laten zien dat een bepaald ander punt door niemand buiten de kerk gedeeld wordt. En parallel daaraan zal men soms ‘in gunst staat bij het hele volk’, maar soms ook zal blijken dat men zich met bepaalde punten uit het eigen ethos ‘maar beter niet in het theater kan wagen’, zoals Paulus te verstaan kreeg toen hij geldklopperij rond de religieuze kitsch in Efeze aan de kaak stelde (Handelingen 19:31).

O’Donovan lijkt toch te veel een kerkelijk-institutionele hegemonie na te streven die berust op extern gezag, en zich te weinig toe te leggen op het verwerven door de kerk van intern gezag, juist in de publieke discussies.

Voor de ChristenUnie – en breder, voor de christelijke politiek in seculier en postseculier Nederland – lijkt me dat de mate waarin men ‘naar de christelijke traditie toe’ kan denken in plaats van ‘vanuit de christelijke traditie’ voor een belangrijk deel bepalend zal worden voor de vruchtbaarheid van het politieke optreden, ook als regeringspartner. Met welke problemen ziet Nederland zich geconfronteerd? Welke onderstromen manifesteren zich in de publieke opinie? Hoe kan hierop vanuit de christelijke traditie creatief gereageerd worden? Dat is een gezamenlijke zoektocht, waar ‘alle mensen van goede wil’ zich voor gesteld zien. Daarin mag men hopen, bidden en werken voor creatieve invalshoeken die vanuit de christelijke traditie aangereikt worden. Men kan echter niet in de huidige plurale context een soort goddelijk extra gezag claimen. Het zou spannend zijn om te zien of O’Donovan juist op dit punt ook verder kan helpen.

 

 

 

 

 



[i] In deze opleiding kunnen mensen uit allerlei delen van de wereld (dus ook uit Nederland) een jaar bezig zijn met de bestudering van vragen rond wetenschap, technologie, ethiek, politiek en samenleving vanuit christelijk perspectief. Vaak ook gebeurt dit in de vorm van een parttime ‘sabbatical’ door mensen die in diverse sectoren werkzaam zijn, bijvoorbeeld de politiek!