Democratie en opvoeding

Opvoeding in democratie

Micha de Winter, Thomas Schillemans & Rienk Janssens (red.)

ISBN: 90 6665 741 3

Aantal pagina’s: 95

 

Door Tirza van Laar-Jochemsen, als docent Pedagogiek verbonden aan de Academie voor Sociale Studies aan de Christelijke Hogeschool Ede.

 

 

Wat is de rol van opvoeding en onderwijs in de vormgeving van democratisch burgerschap? Kunnen ouders en leerkrachten hun kinderen burgerschap bijbrengen? Zijn ze daartoe in staat, willen ze dat en onder welke omstandigheden? Deze intrigerende vragen komen aan de orde in de prettig leesbare bundel onder redactie van de Utrechtse faculteitshoogleraar Maatschappelijke opvoedingsvraagstukken Micha de Winter. Een interessante vraag daarbij is: wat is de taak van de overheid in deze kwestie? Ik daag u uit mee te gaan op reis door dit boek en open te staan voor een verrassend antwoord op de bovenstaande vragen.

 

Democratische persoonlijkheid

“Een democratie-gen is nog niet ontdekt. Er zal dus opgevoed moeten worden”, aldus De Winter in zijn bijdrage. Hij bestrijdt echter het idee dat democratie overgedragen zou kunnen worden door middel van een les maatschappijleer of geschiedenis. Het gaat er vooral om dat bij kinderen de ‘wil’ gecultiveerd wordt om democratisch te zijn. Dat betekent dat opvoeding en onderwijs gericht behoren te zijn op het vormen van democratische persoonlijkheden.

Prachtige woorden, maar hoe kan dit bereikt worden? Volgens De Winter alleen door het scheppen van situaties waarin democratisch gedrag voor kinderen een aantrekkelijk perspectief vormt, of, winst oplevert. Want slechts wanneer kinderen zien dat zij via het nemen van initiatieven en verantwoordelijkheid zelf invloed kunnen uitoefenen op hun leefomgeving, zullen zij democratisch burgerschap ‘willen’.

Voor onderwijs en opvoeding betekent dit dat zij de contexten zijn waarbinnen de leerling de randvoorwaarden van democratie aangereikt krijgt: kennis, vaardigheden, begrip, etc. Maar de vorming van de wil tot democratie en tot een democratische persoonlijkheid kan slechts bereikt worden als de algehele context waarbinnen de jongere zich beweegt gekenmerkt wordt door democratie. Pas dan kan hij zich demonstreren en oefenen als democratisch burger. Dat kan beginnen bij een school: in hoeverre is de schoolgemeenschap zelf een democratische context waarin de leerling gehoord en geactiveerd wordt? Volgens De Winter zijn er grote investeringen in de sociale, fysieke en economische infrastructuur van ons land nodig, willen wij kinderen opvoeden tot democratische persoonlijkheden.

 

Wiens verantwoordelijkheid?

Zoals het een pedagoog betaamt, kijkt hij/zij nooit slechts naar het op te voeden kind als individu, maar betrekt in opvoeding en onderwijs de hele context van het kind erbij. Hier wordt precies een van de problemen aangestipt die Gert Biesta (hoogleraar Educational Theory aan de University of Exeter) heeft met het hedendaagse ‘burgerschapsonderwijs’: het is te veel gericht op het individu. Alsof een democratisch burger simpelweg de uitkomst is van het verwerven van een bepaalde set aan kennis, vaardigheden en disposities. Hij sluit hiermee aan bij De Winter. Bovendien benadrukt hij dat geen enkele pedagogische strategie garandeert dat datgene wat onderwezen wordt, ook geleerd wordt. Pedagogisch gezien ontstaat de relatie tussen onderwijzen en leren pas wanneer een leerling actief betekenis geeft aan datgene wat wordt onderwezen.

Welke consequenties heeft dit voor de samenleving? Heel eenvoudig: de prioriteit moet liggen bij de verbetering van de burgerschapssituatie van de jongeren. Dit houdt in dat de materiële condities en het democratische gehalte van de leefwereld van de jongeren moeten verbeteren, zodat zij betekenis kunnen geven aan democratische begrippen (zoals respect en tolerantie) in hun eigen omgeving. Biesta weerlegt hiermee het idee dat vorming tot burgerschap primair de verantwoordelijkheid van onderwijzers en opvoeders is. Uit onderzoek blijkt zelfs dat ‘school’ het laagste scoort als context om democratie te leren. Democratie wordt overal en voortdurend geleerd. Het is de primaire verantwoordelijkheid van de samenleving als geheel en van de overheid om de burgerschapssituatie van de jongeren te begunstigen.

 

Jeugdbeleid

Een kritische noot ten aanzien van de verantwoordelijkheid van opvoeding en onderwijs in de vorming van de democratische burger is ook te horen in de bijdrage van Wilma Vollebergh, hoogleraar Algemene Sociale Wetenschappen te Utrecht. Zij benadert het echter vanuit een compleet ander, namelijk ontwikkelingspsychologisch perspectief. Volgens haar is er weinig zelfbewustzijn en een zekere naïviteit over de mate waarin wij allen geneigd zijn ons door negatieve, intolerante emoties te laten leiden (‘andersdenkenden zijn oké, zolang zij maar veel op ons lijken’). De neiging om te denken in termen van ‘wij’ en ‘zij’ is zeer krachtig en sturend voor het menselijk gedrag. Het ontkennen van deze neiging is een wijdverbreid fenomeen.

Vollebergh komt tot de conclusie dat intolerantie geworteld is in individueel-psychologische, sociaal-psychologische en sociale wetmatigheden, en dat de beïnvloeding hiervan in tolerante richting een collectieve verantwoordelijkheid is. De uitdaging is daarom niet zozeer het aanleren van een democratische houding, als wel het afleren van antidemocratische emoties. En dat is de verantwoordelijkheid van de samenleving als geheel.

 

Heel concreet omtrent deze collectieve verantwoordelijkheid wordt Sadik Harchaoui (voorzitter Raad van Bestuur van FORUM) als hij zegt dat het grootste probleem tegenwoordig is dat volwassenen zo’n slecht voorbeeld geven. “De jeugd is het slachtoffer van het niet meer weten, het niet meer kunnen, het niet meer begrijpen van de ouderen”. Om deze kloof te dichten hebben we de kinderen en jongeren zelf nodig. Harchaoui bepleit de peermethode, welke het toekennen inhoudt van een actieve en sturende rol van jongeren bij de vormgeving en uitvoering van jeugdbeleid.

Harchaoui legt hier een boeiend en mijns inziens noodzakelijk plan neer. Ik ben ervan overtuigd dat jongeren, beter dan volwassenen, in staat zijn aan te geven waar zij behoefte aan hebben om als ‘goed burger’ te leven. Een actieve rol voor jongeren in het jeugdbeleid gaat echter niet op voor de verantwoordelijkheid van het beleid; die is uiteraard in goede handen bij de nieuwe minister voor Jeugd en Gezin…

 

Conclusie

Terugkomend op de vragen die in het begin genoemd zijn, kan het antwoord mijns inziens als volgt worden samengevat: een effectieve aanpak van democratisch burgerschap vraagt niet om meer opvoeding of meer onderwijs, maar allereerst om meer democratie.

De verschillende auteurs zien wel degelijk een rol weggelegd voor opvoeding en onderwijs in de vorming van een democratisch burger. Deze rol is echter beperkt tot een aantal noodzakelijke  voorwaarden, die tezamen echter geen voldoende voorwaarde vormen. Enkele noodzakelijke voorwaarden zijn het aanreiken van kennis, vaardigheden en disposities aangaande democratie, het stimuleren en ondersteunen van reflectie op de fragiele condities waaronder democratie mogelijk is en het afleren van antidemocratische emoties. Zoals gezegd zijn deze voorwaarden niet voldoende en zullen zij niet in staat zijn democratie te garanderen.

De enige voldoende voorwaarde voor het voortbestaan van een democratische samenleving is een hoog democratiegehalte in de samenleving en dus de feitelijke context van kinderen en jongeren zelf. In een dergelijke context worden kinderen en jongeren in staat gesteld betekenis te geven aan wat in opvoeding en onderwijs onderwezen wordt, invloed uit te oefenen, sturing te geven in zaken die hen aangaan en de wil te ontwikkelen democratisch te zijn, om uiteindelijk gevormd te worden tot een democratische persoonlijkheid. Het creëren van een dergelijke samenleving is onze collectieve verantwoordelijkheid, met een bijzondere rol voor de overheid in het realiseren van een verbetering van de materiële condities van jongeren en het investeren in de sociale, fysieke en economische infrastructuur die hiervoor nodig is.

 

Slot

Het boek heeft mij in het bijzonder aangesproken vanwege het op zijn kop zetten van de relatie tussen democratie en opvoeding/onderwijs. De auteurs doorbreken namelijk de gebruikelijke gedachtegang dat burgerschapsvorming een taak is van ouders en leerkrachten. We moeten niet denken dat democratie wordt geleerd in het gezin en de school en dat wanneer de ‘juiste’ opvoeding en het ’juiste’ onderwijs de ‘goede burger’ hebben geproduceerd, de jongere klaar is om de democratie binnen te stappen. Dit boek doet een beroep op een ieder die het leest. Ik wens onze minister voor Jeugd en Gezin veel wijsheid toe in het daadkrachtig concretiseren van het appèl dat uitgaat van dit boek.