De Nationale Conventie - Enige impressies

De Nationale Conventie – enige impressies

 

Door Prof.dr. Roel Kuiper, bijzonder hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam en lector Samenlevingsvraagstukken aan de GH.

 

Van 1 januari tot 30 september 2006 heb ik deel uit gemaakt van de Nationale Conventie. De veertien leden vertegenwoordigden zo ongeveer alle politieke geledingen. De Conventie was ingesteld door minister Pechtold, ofschoon het oorspronkelijke idee voor de zomer van 2005 door Groen Links in een Kamerdebat was geopperd. Op de achtergrond stond ongetwijfeld de veelbesproken kloof tussen burgers en openbaar bestuur, het maatschappelijk onbehagen dat met het optreden van Pim Fortuyn manifest werd, het debacle van de Europese Grondwet en de vraag of Nederlands democratische instellingen nog wel up-to-date zijn. Immers, als burgers de vertrouwensvraag stellen en zich op afstand voelen staan, deugt de inrichting van het politieke bestel dan nog wel? “Verras ons”, waren de installatiewoorden van minister Pechtold. In dit artikel een terugblik.

 

Bestuurlijke vernieuwing

Nu is dat verrassen niet zo eenvoudig voor een pluriform gezelschap. Het verrassen wordt ook moeilijk als je de geschiedenis tegen hebt. Bestuurlijke vernieuwing in Nederland gaat buitengewoon traag. Iemand gebruikte het beeld van de dichter Marsman: brede rivieren die traag door oneindig laagland gaan. Toch is steeds de nadruk gelegd op de mogelijkheid eigenzinnige voorstellen te doen en was er ruimte voor ieders inbreng.

Het moeilijkst was de omzetting van de vertrouwensvraag naar een werkbaar programma. Natuurlijk: dat er iets aan de hand is, is onmiskenbaar. In 2005 vulden 150.000 Nederlanders het 21minuten-onderzoek in, waaruit bleek dat veel mensen zich zorgen maken over de samenleving en weinig vertrouwen hebben in de politiek. Zo’n 40% verwachtte dat ook hun kinderen ‘ongelukkig’ zouden zijn met de Nederlandse samenleving. Maar hoe duidt je zoiets? Heeft dit te maken met de politiek? Is het een tijdelijke reactie op de puinhopen van Paars? Moeten om deze redenen de staatsinstellingen gewijzigd worden?

De geest in de Conventie was nuchter. Over de volle breedte was er weinig behoefte aan hemelbestormende vernieuwingsprogramma’s. In dat opzicht liet de Conventie zich duidelijk niet gebruiken voor stokpaardjes van een enkele politieke partij. Wanneer er gesleuteld moet worden aan het staatsbestel, moet de zin daarvan voor iedereen vaststaan. Nederland heeft immers een oude democratische traditie die tegen heel wat stormen bestand is gebleken. De uitkomsten van de Conventie kunnen worden beschouwd als een voorafschaduwing van de roep om binding en betrokkenheid die nu na de verkiezingen van 22 november klinkt. Thema’s als identiteit, burgerschap en bestuurlijke zorgvuldigheid zijn door alle voorstellen van de Conventie heen te lezen. Over het algemeen was de Conventie dus helemaal niet pessimistisch over Nederland, maar meende wel dat er steviger accenten mogen worden gelegd en onderhoud moet worden gepleegd van onze democratische cultuur.

 

Vier deelgebieden

De Conventie heeft zich in februari in vier werkgroepen opgesplitst. In het uiteindelijke rapport zijn de vier deelgebieden herkenbaar: (1) burgerschap en samenleving; (2) versterking van de representatieve democratie; (3) de positie van de Grondwet in de samenleving; (4) Nederland in Europa. Zelf nam ik deel aan de werkgroepen over de Grondwet en Europa en heb meegeschreven aan de twee deelrapporten. Interessant was dat al voor de zomer van 2006 de Commissie-Schutte van de ChristenUnie met een eigen rapport kwam. Dat ging vooral in op het functioneren van de representatieve democratie. Dit rapport circuleerde op een gegeven moment onder de leden waarbij opgemerkt werd dat de ChristenUnie een van de weinige partijen was die zoveel werk maakte van het onderwerp.

De deelrapporten waren voor de zomer klaar en zijn besproken in diverse kringen: met leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, met leden van de Eerste en de Tweede Kamer, met vertegenwoordigers van de wetenschappelijke bureaus van politieke partijen, met individuele adviseurs en deskundigen. Na de val van het kabinet Balkenende II werd A. Nicolai (VVD) minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties. Ook hij toonde belangstelling voor het werk van de Conventie. Het was de bedoeling het eindrapport  ruim voor de Tweede Kamerverkiezingen (toen nog voorzien voor mei 2007) gereed te hebben, zodat de uitkomsten een rol konden spelen bij de kabinetsformatie. Met de vervroegde verkiezingen in zicht is er hard gewerkt en kon het eindrapport half oktober gepresenteerd worden. De campagnes stonden op punt van beginnen.   

 

Belangrijke voorstellen

Wat zijn nu naar mijn mening de belangrijkste voorstellen? Met betrekking tot het eerste thema (actief burgerschap) is het winst dat gezocht is naar vergroting van inbreng en eigen verantwoordelijkheid van burgers in de samenleving zonder dat gedacht wordt aan radicale vormen van directe democratie. Geef burgers meer zelfregie over buurt of wijk, neem hun inspraak serieus, geef hen een rol in adviesorganen, leer jongeren maatschappelijke verantwoordelijkheid door een maatschappelijke stage.

Met betrekking tot het tweede thema (versterking representatieve democratie) is uitgebreid gesproken over de relatie tussen de Eerste en Tweede Kamer en de regering. Geconstateerd werd dat de Tweede Kamer teveel wil meeregeren en haar eigen taak van controleur en volksvertegenwoordiging daarbij achterstelt. Dat heeft te maken met de manier waarop regeerakkoorden worden gesloten en ministers worden aangezocht. Aan de Kamer wordt de aanbeveling gedaan themacommissies in te stellen (en dus de departementale commissie-structuur voor een deel los te laten) om zo beter een eigen agenda te volgen. De Eerste Kamer moet een terugzendrecht krijgen. De Eerste Kamer kan daarmee politieke patstellingen voorkomen en de Tweede Kamer dwingen tot grotere zorgvuldigheid. Wanneer de beide Kamers van de Staten-Generaal duidelijker hun eigen rol vervullen, kan dit ook leiden tot groter vertrouwen van de burger in deze democratische organen.

Met betrekking tot het Grondwetsthema is er de inzet om de Grondwet dichter bij de burger te brengen en een duidelijker richtinggevende functie te geven in de samenleving. Dat betekent dat de Grondwet niet alleen een basisreglement moet zijn, maar ook inspirerende en bindende elementen moet  bevatten. De ChristenUnie heeft altijd gepleit voor de Nederlandse taal in de Grondwet. Dat is al iets. Maar er kan nog veel meer worden gedaan: een preambule, een hoofdstuk algemene bepalingen, duidelijker opzet en eenvoudiger taalgebruik. 

Met betrekking tot Europa is gepleit voor een andere benadering. De onvrede met Europa heeft te maken met de sluipende overdracht van bevoegdheden en het verlies van betekenis van de nationale democratische instellingen. Het ‘nee’ tegen de Europese Grondwet kan worden geïnterpreteerd als een ‘ja’ voor een duidelijk herkenbare Nederlandse politieke gemeenschap in Europa. Deze politieke gemeenschap heeft eigen kenmerken en is een van de oudste democratische culturen van Europa. Willen we een versterking van vertrouwen in de eigen democratische instituties dan moeten deze serieus worden genomen en gebruikt bij discussies over Europese bevoegdheden. Dat gebeurt nu veel te weinig. Verder zou Nederland op zoek moeten naar een lossere samenwerkingsstructuur in Europa. Op basis van een uitspraak van het Duitse Bundesverfassungsgericht is Europa veeleer een ‘statenverbond’ dan een federatief geheel. Hier kan dus richting aan worden ontleend voor het vervolg van de Europa-discussie in Nederland en in de Raad van Europa.  

 

Tot slot

De winst van de Nationale Conventie is dat het de discussie over bestuurlijke vernieuwing politiek heeft verbreed. Het heeft de discussie weggehaald uit de verzuurde sfeer die rond het drammerige vernieuwingsprogramma van D66 was ontstaan. De Conventie heeft ook niet gedaan wat D66 deed: controversiële voorstellen doen die toevallige meerderheden nodig hebben om doorgedrukt te kunnen worden. Zeker, er waren binnen de Conventie voorstanders van controversiële voorstellen. Zo is er lang gesproken over de direct gekozen minister-president. Volgens sommigen was dit de oplossing van heel veel politieke problemen. De gekozen minister-president zou echter ons politieke bestel op de kop hebben gezet. Democratie wordt macht, het collegiaal bestuursbeginsel terzijde geschoven, de positie van de Koningin onduidelijk en de relatie tot de Kamer gespannen. Dat past niet bij Nederland. Ik ben er van overtuigd dat veel van de voorstellen van de Conventie wel bij Nederland passen.    

    

 

 

Opdracht Conventie  (IN APART KADER)

“De Nationale Conventie heeft tot taak voorstellen te doen voor de inrichting van het nationaal politieke bestel die kunnen bijdragen aan herstel van vertrouwen tussen burger en politiek en mede ten grondslag kunnen liggen aan de constitutie voor de eenentwintigste eeuw. Zij besteedt daarbij in ieder geval aandacht aan:

  1. het stelsel van het evenwicht van machten op nationaal niveau en betrekken daarin de positie van de Eerste Kamer en de Raad van State in samenhang met het vraagstuk van toetsing van wetten aan de Grondwet;
  2. de vraag of inrichting en bevoegdheden van de Nederlandse staatsinstellingen voldoende zijn toegesneden op de internationale omgeving waarin Nederland functioneert, in het bijzonder de Europese;
  3. de positie en toekomst van de representatieve democratie;
  4. de positie van de Grondwet in samenhang met de wijze waarop de Grondwet kan worden veranderd.”