Veilig en beschaafd

Beschaafd en veilig

 

Een interview met Gabriël van den Brink

 

Door Geert Jan Spijker en Koos van der Kolk

 

“Veiligheid is vandaag de dag een allesoverheersend thema. Dat komt niet alleen doordat we met nieuwe gevaren worden geconfronteerd, maar ook en vooral omdat het ons aan innerlijke zekerheden ontbreekt. Ik zou het toejuichen als de elite opnieuw een groot verhaal gebruikt.” Een gesprek over waarheid en veiligheid met cultuursocioloog Gabriël van den Brink, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en lector aan de Politieacademie.

 

In uw oratie heeft u het over het gebrek aan ‘innerlijke zekerheden’. Wat bedoelt u daarmee?

Mensen vergeten wel eens dat het veiligheidsvraagstuk naast een buitenkant ook een binnenkant heeft. Dat is jammer, want beide kanten zijn belangrijk. De buitenkant betreft zaken als terrorisme en georganiseerde criminaliteit. Over deze verschijnselen kun je dag-in-dag-uit in de krant lezen. Dit maakt het begrijpelijk dat burgers zich onveilig voelen en daar veel mee bezig zijn.

De innerlijke kant vind ik echter interessanter. Daarmee doel ik op innerlijke overtuigingen, geestelijke beschaving van mensen. Die wordt gevormd door religieuze overtuigingen, filosofische ideeën en politieke waarden. Heel vaak wordt gedacht dat de innerlijke kant niet van belang is of afwezig, maar dat is onzin. Er is meer dan alleen geld en markt. Ik denk juist dat de geestelijke ontwikkelingen bepalend zijn voor hoe onze culturen zich hebben ontwikkeld. De rijkdom van het Westen komt uiteindelijk niet doordat we in Afrika hebben geroofd - dat hebben we wel gedaan en dat is ook te betreuren - maar die is ook ontstaan doordat een bepaald ethos ingang heeft gevonden in het maatschappelijke leven. De politieke en sociaal-economische verhoudingen die we nu in het westen hebben vloeien voort uit een geestelijke ontwikkeling. Wat het dan precies is geweest, dat ethos, daarover is veel strijd. Was het de joods-christelijke traditie die de moderniteit opleverde of toch meer de humanistische? Waarschijnlijk ligt de waarheid ergens in het midden.

Vooruitgang in het Westen?

Als je naar de geschiedenis van Europa kijkt, kun je niet zonder meer zeggen dat er een voortdurende vooruitgang is geweest. Er waren hele perioden van afschuwelijke barbarij. Op bepaalde dossiers is die vooruitgang echter heel duidelijk: we zijn veel welvarender geworden, hebben veel meer kennis, er is meer vrijheid gekomen om je te ontplooien. Maar er zijn ook nadelen, zoals plat materialisme en het verlies aan respect voor ouderen. Intussen is de Westerse cultuur wel een beschaving, die we moeten verdedigen. Het is meer dan alleen ‘we hebben auto’s en ijskasten’. We hebben ook belangrijke idealen en waarden. We moeten beducht zijn voor eenzijdige visies, voor mensen die alleen maar naar de zonzijden of alleen maar naar de schaduwzijden van het moderne leven kijken. Het interessante aan de ChristenUnie is dat daar die balans ook gezocht wordt. ‘Ik heb een paar keer uitspraken van Rouvoet gelezen. Hij ziet heel goed de donkere kanten van de moderniteit, maar blijft niet hangen in een soort conservatisme. Hij zoekt ook naar die balans. Dat vind ik sympathiek.’

 

De bittere noodzaak van grote verhalen

Het nadenken over deze grote, filosofische vragen is politiek uiterst relevant. Mijn grote probleem met het huidige politieke debat is het gebrek aan strijd over die geestelijke kant, over de filosofie van partijen. Het is teveel alleen maar pragmatisme en materialisme: de argumentatie van fundamentele keuzes ontbreekt. Bijvoorbeeld op het dossier van marktwerking in de zorg. Daar wordt alleen maar over gesproken in termen van ‘het is goed voor dit, of: het is slecht voor dat’, maar er wordt niet echt doorgedacht. Je mensbeeld bijvoorbeeld is van grote invloed op de politieke beleidsvorming. Als je zegt: ‘het ziekenhuis is een bedrijf, de mensen daar zijn klanten en zorg is een economisch product’, dan heeft dat direct gevolg voor je kijk op marktwerking in de zorg. Op zich valt Tweede Kamerleden niet veel te verwijten. Ik vind het erger dat het op andere niveaus, zoals in de top van wetenschap en bedrijfsleven, ook niet gebeurt.

Het grote verhaal is dus hard nodig. Vragen als ‘Hoe zien we het moderne bestaan?’ en ‘Hoe zien we de lijnen van de geschiedenis?’ zijn van grote invloed op de aanpak en benadering van huidige problemen.  Als mensen over deze grote historische lijnen niet nadenken kunnen ze de maatschappelijke kwesties van nu ook niet oplossen. Ikzelf heb een duidelijke visie op het moderne leven.

 

Publiek debat

Waarheid met een hoofdletter is noodzakelijk in het publieke debat. Het debat is er om samen, al worstelend, achter die waarheid te komen. Als we dat niet vasthouden is het einde zoek, want dan worden feiten en argumenten krachteloos gemaakt. ‘Ik maak regelmatig mee dat studenten zich in de discussie terugtrekken met “Ja, maar dit is gewoon mijn mening, daar heb ik recht op”. Dat mag natuurlijk allemaal, maar het is dodelijk voor het debat’.

De vrijheid van meninguiting moet dan ook absoluut zijn. Dit grondrecht is van groot belang voor de ontwikkeling van een cultuur. ‘Ook beledigingen moet je niet bij wet verbieden. Wat de overheid wél moet doen is inzetten op beschaving. Ook ik zeg niet altijd wat ik vind of denk’.

 

Waarden en normen

Het door premier Balkenende aangezwengelde debat over waarden en normen is absoluut noodzakelijk. Opgetogen: ‘Ik was blij verrast toen de Volkskrant onlangs (15-11-2006, GJS/JK) een hele katern aan dat debat wijdde. Gastredacteur James Kennedy toont daarin aan dat we in Nederland bezig zijn met een conservatieve revolutie, waarin normatieve kwesties en het stellen van grenzen weer van belang zijn.’ We lijken hiermee in een identiteitscrisis beland, want eigenlijk past dit ethisch reveil niet bij ons progressieve en tolerante imago. Voor sommigen is dat even wennen. ‘Deze ontwikkeling vindt voornamelijk plaats in de scholen en buurten. De elite van opiniemakers en politici hobbelt daar een beetje achteraan’.

 

Van de Brink nam in 1997 al het woord ‘beschavingsoffensief’ in de mond. Hoe kwam hij daar toen bij? ‘Dat was in eerste instantie meer een hormonenkwestie dan het gevolg van een rationele analyse.’ Het liberale gedoogbeleid was ergens heel feminien: de relatie onderling werd niet op het spel gezet door harde regels te stellen. Dat gebrek aan ruggengraat irriteerde mij. ‘Na zo’n innerlijke reflectie ga je anders naar de samenleving kijken en zie je inderdaad verschijnselen die er op wijzen dat een beschavingsoffensief nodig is.’

Beschavingsoverdracht door professionals

In het verleden zijn meerdere pogingen geweest om de bevolking op te voeden. Bij het vorige beschavingsoffensief, in de negentiende eeuw, waren er belangrijke aangrijpingspunten: de kerk, de familie, het gezin. Dat was soms behoorlijk repressief. ‘Tegen mensen die van de diaconie leefden werd dan bijvoorbeeld gezegd: je krijgt alleen geld als je zondags naar de kerk komt, van de drank afblijft en met twee woorden spreekt.’ Overigens werkte de staat hier ook aan mee. Die aangrijpingspunten waren er toen vooral omdat mensen veel afhankelijker waren van hun directe sociale verbanden. Tegenwoordig zou een dergelijk beleid van ‘de beschaving afdwingen’ niet meer werken. ‘Vandaag de dag zijn er vele instanties die invloed op de jeugd uitoefenen: televisie, andere kinderen in de klas, gedrag in andere milieus.’ Daarbij is de diversiteit tússen de gezinnen zo groot geworden, dat ‘het gezin’ onbruikbaar is geworden voor het beschavingsoffensief. ‘Sterker nog, ik denk dat gezinnen door hun diversiteit eerder een onderdeel van het probleem zijn gaan vormen dan een oplossing’. Er is dan ook een belangrijke rol voor de ‘klassieke gezagsdragers’, zoals de docent op school, de politieagent en de buschauffeur weggelegd.

Maar hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze hun rol in het offensief goed spelen? Allereerst door ze erop te wijzen dat ze daadwerkelijk een publieke taak hebben. ‘Een docent vertegenwoordigt de publieke zaak als hij voor de klas staat. Als een leerling vervolgens een mes trekt, dan moet hij dat mes afpakken. Als een leerling een grote mond opzet, dan moet hij hem aanspreken op zijn gedrag en niet denken “wie ben ik om daar wat van te zeggen?”’

De politiek heeft hier een belangrijke taak. Enerzijds moet ze de professionals wijzen op hun verantwoordelijkheid. Anderzijds moet ze de mogelijkheid bieden om deze verantwoordelijkheid te nemen. ‘Als professionals alleen worden afgerekend op het bedrijfsresultaat, dan komen ze aan hun opvoedingstaken niet toe’. Niet zozeer de politiek, maar de politie heeft een directe belangrijke rol te vervullen in de opvoeding van mensen tot beschaafde burgers. Zo moet de politie niet alleen bonnen schrijven, maar ook het waarom van die bonnen uitleggen aan mensen. Deze boodschap landt niet altijd bij de agenten in spe: ‘Veel mensen zitten nog steeds in de geest van de jaren ’80 en ’90: als je elkaar maar respecteert dan houden we het wel gezellig. Maar met respect kom je niet ver als mensen botsen omdat ze een andere levensopvatting hebben.’

Veiligheid

Als we objectieve maatstaven gebruiken, is het er niet echt onveiliger op geworden in Nederland de afgelopen 25 jaar. Toch nemen gevoelens van onveiligheid toe bij mensen. Dit heeft met name te maken met verwachtingen en beeldvorming door de media: ‘De televisie toont vooral extreme gedragingen van mensen, gedragingen die eigenlijk maar zelden voorkomen in de samenleving. Maar op een gegeven moment gaan veel kijkers toch denken: wat zit die maatschappij raar in elkaar, ik blijf maar binnen.’ Mensen hebben daarnaast ook steeds hogere verwachtingen van het leven, ze zijn ambitieus en willen veel bereiken. De lat ligt dus enorm hoog en dat brengt innerlijke onrust mee.

 

Ook aan Van den Brink gaan deze maatschappelijk trends niet voorbij. Hoe gaat hij daar zelf mee om? Zich eraan onttrekken lukt in ieder geval niet: ‘Soms denk ik: had ik maar een manier om me daaruit los te maken. Een kennis van mij was boeddhist en die kon, door meditatie, helemaal tot rust komen. Ik kan dat niet. Ik doorleef het en probeer het te beschrijven, de oorzaken van stress te duiden in een groter verband. Maar ik heb geen last van existentiële verwarring. Dat komt doordat ik vertrouwen heb in hoe dingen lopen. Dat zie je duidelijk in de geschiedenis: we komen ergens vandaan en we gaan ergens naartoe. Dat geeft mij innerlijke rust.’

Broken windows

Een van de schaduwzijden van de huidige moderne samenleving is de verloedering van het openbare leven. U beschrijft bijvoorbeeld hoe dat in probleemwijken gebeurt en gebruikt daarbij de theorie van ‘broken windows’. Wat houdt dat in? Hoe ziet u de relatie tussen wanorde en onveiligheid?

De theorie van broken windows sluit aan bij het gevoel van gewone mensen in gewone wijken. Mensen beseffen dat er sociale orde nodig is om hun wijk leefbaar te houden.  Verstoringen als autowrakken, hondenpoep op straat, verlaten panden en graffiti zijn onschuldige dingen, maar worden wel ervaren als bedreigend. Waarom is dat? Moeten we ons daar nu druk om maken? In Nederland is lang betoogd dat dat niet hoeft. Maar feit is dat heel wat mensen zich daar aan ergeren. Die mensen zijn niet gek: ze zien in die kleine verstoringen dat de sociale orde en de sociale controle niet meer is wat het geweest is. Natuurlijk, er zit iets nostalgisch in die reacties, maar als je daar de helft vanaf trekt, houd je nog genoeg verloedering over.

Mensen hebben een bepaald beeld van hoe de samenleving, hun eigen omgeving in elkaar moet zitten. Als er teveel dingen in de werkelijkheid niet meer kloppen met dat beeld, veroorzaakt dat gevoelens van onveiligheid bij mensen. ‘Vergelijk het met de orde in huis: als je af en toe iets kwijt bent is dat niet zo erg. Maar stel je nu eens voor dat je voortdurend allemaal dingen kwijt bent. Dat is enorm vervelend en geeft veel spanning.’

Wat zegt nu de theorie van de broken windows? Houd zoveel mogelijk van die orde in stand. Op zich hoeven hangjongeren geen overlast te bezorgen, maar toch moet je dergelijk gedrag minimaal houden, want het zorgt voor onrust. Kapotte telefooncel? Meteen herstellen.

Criminaliteit wordt vaak als het grote probleem gezien, maar in feite is het slechts één vorm van ordeverstoring. De politie moet daarom niet alleen ‘crimefighten’, maar ook iets aan deze kleine ergernissen van mensen doen. Overigens ligt hier niet alleen een taak voor de politie, ook de buurt moet haar verantwoordelijkheid nemen en ook die docent en ook die buschauffeur. Veiligheid is ten slotte een interactieproduct. Het ontstaat in interactie.

Maar ondermijnen dergelijke initiatieven niet het gezag van de politie? Van den Brink: ‘Dat denk ik niet. Mensen hebben van nature veel ontzag voor uniformen, vooral als die gewapend zijn.’

 

Handhaven en voorleven

 

Veiligheid en het handhaven van de sociale orde is dus een product waar burgers een rol bij spelen. Maar kunnen zij dat wel? Kunnen we elkaar wel beperken in deze moderne tijd? Dat hangt ervan af. Sommige burgers kunnen dat wel. Verder is dit in sterke mate afhankelijk van iemands setting: met wie heb je te maken? Welk tijdstip van de dag is het? Waar is het? Handhaving is erg situationeel bepaald. Normovertredingen waar niemand zich aan stoort, zijn zelden een probleem. Pas zodra mensen zich ergens aan storen, wordt optreden noodzakelijk. Je moet wel enige mensenkennis hebben om te bepalen of iets een probleem is: kijk altijd goed naar het concrete geval en de specifieke omstandigheden.

‘Wat ik in ieder geval probeer te zeggen is dat mensen elkaar weer mogen aanspreken op gedrag. Tegelijk moeten we beseffen dat er mensen zijn die dat goed en beschaafd kunnen terwijl er ook mensen zijn die dat niet kunnen. De vraag is waar dat aan ligt. Een interessante vraag, vind ik.’

 

Globaal kunnen we op drie niveaus naar de problematiek kijken. Allereerst dat van de professionals, zoals de politie en onderwijzers. Zij moeten vaker een verhaal paraat hebben over de normatieve kanten van hun werk. Ze moeten grenzen stellen en weten waarom die gesteld worden.

Daarnaast is het gezin van belang. Opvoeding is voor negentig procent een zaak van voorleven. Het gedrag van ouders is hierin doorslaggevend. Als ze zeggen dat je niet mag roken, maar ze doen het zelf wel, dan is dat problematisch. Ouders moeten goed gedrag voorleven aan hun kinderen.

Overigens hebben gezagsdragers in het algemeen een voorbeeldfunctie. Dat Balkenende bij het roddelprogramma RTL Boulevard zat, vond ik buitengewoon onverstandig, net als de bejegening van hem door Ali B. Dat gaat te ver. En dat vind ik niet als enige. Mensen lezen in zulke situaties goed af wat wel en wat niet kan.

Ten slotte is de vraag interessant hoe we in het publieke leven de maatschappelijke verbeelding zodanig vormgeven dat mensen meer aangereikt krijgen over goed en kwaad en de eigen verantwoordelijkheid. Mensen komen tegenwoordig met zoveel stromen van beelden in aanraking: die doen iets met mensen. ‘Dit is een fascinerend probleem, waar ik zelf ook nog lang niet uit ben. Maar dat vergt een heel nieuw onderzoek. We staan nog maar aan de rand van dit landschap.’