Burgerparticipatie in de buurt

Burgerparticipatie in de buurt[1]

 

Door drs. Bernadette van den Berg, beleidsmedewerker BestuurdersVereniging

 

Begrippen als burgerparticipatie en sociale cohesie worden veel gebruikt door politici en beleidsmakers als het gaat om buurtbeleid. De reden daarvoor is dat door burgerparticipatie in de buurt, de buurt veiliger wordt en de kwaliteit van de leefomgeving wordt verbeterd. In dit artikel worden handvatten gegeven om burgers te betrekken bij hun buurt.

 

Inleiding

De laatste tijd is er in Nederland veel aandacht voor buurt- en wijkbeleid, en dan voornamelijk op het gebied van het betrekken van burger daarbij, oftewel burgerparticipatie. ‘Burgerparticipatie’ is een breed begrip dat veel gebruikt wordt. Zo heeft de Nationale Conventie in haar onlangs verschenen rapport[2] voorgesteld dat burgers die zich inzetten voor de maatschappij recht zouden moeten hebben op een belastingkorting. En het is niet toevallig dat het eerste prestatieveld (er zijn er negen geformuleerd) van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten omvat.

Maar wat is burgerparticipatie nou precies en wat moet je ermee als bestuurder? In dit artikel wordt nader ingegaan op burgerparticipatie in samenhang met buurtbeleid en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en burgers. Daarbij wordt allereerst ingegaan op de vraag waarom burgerparticipatie als een geliefd ‘beleidsinstrument’ wordt gezien, waarbij ook vormen van burgerparticipatie beschreven worden. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag hoe je burgers zover krijgt dat ze participeren in de buurt. Tot slot wordt beschreven hoe ChristenUnie-raadsleden aankijken tegen de verantwoordelijkheid van de lokale overheid in relatie tot burgerparticipatie.

 

 

Waarom burgerparticipatie?

 

Vormen van burgerparticipatie

Onder burgerparticipatie in de buurt wordt verstaan dat burgers deelnemen aan buurtprojecten. Burgers kunnen op verschillende manieren participeren in de buurt. Zo kunnen ze

-       betrokken zijn bij de besluitvorming rond buurtbeleid

-       betrokken zijn bij de uitvoering van beleid

-       eigen initiatieven nemen.

Betrokkenheid bij de besluitvorming houdt in dat burgers meedenken en/of meebeslissen rond beleidvorming, zoals vormen van inspraak. Ze kunnen op verschillende momenten betrokken worden bij de besluitvorming rond buurtbeleid, bijvoorbeeld in de ontwerpfase of in de besluitvormingsfase. Betrokkenheid bij de uitvoering van beleid houdt in dat burgers helpen bij de uitvoering: zo kunnen ze helpen bij het inrichten van een speeltuin of een deel van het groen onderhouden.

Burgers kunnen echter ook betrokken zijn bij zowel de besluitvorming als de uitvoering van beleid. Zo zullen burgers eerder meewerken aan de uitvoering van beleid als ze op de een of andere manier betrokken zijn geweest bij de besluitvorming.

Naast deze vormen van participatie kunnen burgers zelf initiatieven nemen om tot beleid te komen. Ze bedenken zelf een plan en voeren het eventueel ook zelf uit. Ze hebben de overheid daarbij echter vaak nodig, omdat deze de middelen heeft om het beleid uit te voeren.

 

Elk van deze vormen van participatie vraagt een eigen aanpak. Het is daarom belangrijk om eerst te kijken waar je burgers bij wilt betrekken: is dat bij de besluitvorming, bij de uitvoering, of bij beide? Ook moeten gemeenten nadenken op welke manier ze burgers de ruimte kunnen geven om met eigen initiatieven te komen. Hier kunnen beleidsinstrumenten voor bedacht worden, zoals een wijk- of buurtbudget.

 

Waarom burgerparticipatie?

Burgerparticipatie wordt om meerdere redenen als wenselijk gezien. Zo wordt burgerparticipatie gezien als een middel om burgers verantwoordelijkheid te laten nemen voor hun omgeving. Het huidige kabinet Balkenende heeft het in dat kader over ‘eigen verantwoordelijkheid’ in haar regeringsverklaring. De ChristenUnie spreekt daarentegen over ‘onderlinge verantwoordelijkheid’. Beide concepten hebben als uitgangspunt dat het wenselijk is dat burgers verantwoordelijkheid nemen voor hun omgeving. Burgers hebben immers niet alleen rechten, maar ook plichten.

Voordelen van betrokkenheid van burgers bij de besluitvorming zijn onder andere dat de kwaliteit van het beleid verbeterd en dat het draagvlak voor het beleid vergroot wordt. Zo weet een buurtbewoner vaak beter dan een gemeenteambtenaar waaraan behoefte is in de buurt. Ook kan door betrokkenheid van burgers de doorlooptijd van projecten verkort worden. Het begrip tussen verschillende doelgroepen voor hun verschillende standpunten zal toenemen.

Als burgers betrokken zijn bij de uitvoering van beleid kan dat kosten besparen en is het gemakkelijker om draagvlak te vinden voor beleid. Ook zullen burgers de buurt hierdoor meer als hun buurt beschouwen.

Voordelen van eigen initiatieven van burgers zijn dat ze de afstand tussen burger en politiek verkleinen en dat de relatie tussen burger en politiek er zelfs door kan verbeteren. Bovendien hebben burgers soms ideeën die niet bij gemeenteambtenaren opkomen omdat burgers veel dichter bij de praktijk staan. Zo kan een brug geslagen worden tussen ideeën in de samenleving en discussies in de gemeenteraad. Ook biedt het burgers de mogelijkheid om buiten verkiezingen om onderwerpen op de lokale politieke agenda te plaatsen. Bovendien kan het leiden tot verrassende oplossingen voor oude problemen en bijdragen aan een gezonde sociale infrastructuur. Het is belangrijk dat er goed wordt omgegaan met initiatieven van burgers, anders kan dat een averechts effect hebben op de relatie tussen burger en politiek. Een voorbeeld van een beleidsinstrument om burgers te stimuleren tot het nemen van initiatief is het als gemeente beschikbaar stellen van een klein (wijk)budget voor burgers die een goed plan hebben voor hun buurt. Er moeten wel voorwaarden gesteld worden door de gemeente, zoals: buurtgenoten moeten het idee ondersteunen (door middel van handtekeningen) en er moet een projectplan aangeleverd worden.

Burgerparticipatie in de buurt draagt ook bij aan de veiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving in de buurt. Het lukt de overheid zelf niet om alle aspecten van de kwaliteit van de leefomgeving en de veiligheid te verbeteren. Een idee achter burgerparticipatie in de buurt is dat het de sociale cohesie in de buurt vergroot, doordat burgers met elkaar in contact komen en samen gaan werken. Wanneer er sprake is van een vorm van gemeenschap in de buurt (sociale cohesie) dan kan dit op verschillende manieren bijdragen aan de veiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving. In gemeenschappen heersen altijd bepaalde normen en waarden. Daardoor zullen buurtbewoners elkaar eerder aanspreken bij bijvoorbeeld het verwaarlozen van de buurt en ook zullen ze meer op elkaar letten, wat het gevoel van veiligheid kan vergroten. Ook het feit dat je mensen in de buurt kent, geeft een veilig gevoel.

 

 

Hoe krijg je burgers zover dat ze participeren in de buurt?

Het klinkt allemaal heel mooi om burgers te betrekken bij de buurt. In de praktijk blijkt het echter moeilijk om burgers zover te krijgen. Door de toegenomen individualisering hebben veel mensen zich teruggetrokken achter hun eigen voordeur. Toch zijn er handvatten te geven voor het betrekken van burgers.

 

1. Verwezenlijken van doelen

Mensen zijn eerder geneigd iets te doen voor de buurt als ze daarmee doelen kunnen verwezenlijken. Er zijn twee soorten doelen van het meedoen aan activiteiten voor de buurt:

  1. Instrumentele doelen. Deze zijn functioneel voor de participant. Hierbij kan gedacht worden aan het nut dat een bewoner ontleent aan de nieuwe speeltuin die mede dankzij zijn of haar participatie is gekomen. Instrumentele doelen zijn dus doelen waarbij nut wordt ontleend aan de verbetering van de leefomgeving.
  2. Sociaal-expressieve doelen. Iemand doet mee zonder doel buiten de participatie: de interactie met buurtgenoten is een doel op zichzelf.

De doelen kunnen overigens ook gezamenlijk nagestreefd worden door activiteiten die beide soorten doelen hebben[3].

 

Enkele voorbeelden van doelen die burgers kunnen hebben met het participeren in hun buurt zijn het vergroten van hun autonomie, bijdragen aan de verbetering van de eigen leefomgeving of hun gemeenschappelijke omstandigheden. Door zelf te participeren kan dit gerealiseerd worden. Nog een motief om te participeren kan zijn dat ze hun ontplooiingsmogelijkheden willen vergroten of vorm willen geven aan burgerschap.

 

2. Sociale cohesie in de buurt

Naast het feit dat onderlinge contacten in de buurt een doel kunnen zijn voor mensen om mee te doen in de buurt, kan het ook een middel zijn om mensen betrokken te krijgen. Het sociale netwerk van mensen in de buurt is om twee redenen van belang voor participatie in de buurt. Het heeft een rekruteringsfunctie en motivatiefunctie. Men kan uit het sociale netwerk deelnemers werven (rekruteringsfunctie) en het netwerk kan iemand een motivatie geven om mee te doen (motiveringsfunctie). De kwaliteit van de sociale contacten is daarbij van belang. Zo zijn mensen eerder bereid tot participatie bij projecten met betrekking tot de fysieke omgeving als er een sense of community  (=gemeenschapsgevoel) in de buurt heerst[4]. Beleid moet daarom gericht zijn op het bevorderen van onderlinge contacten in de buurt. Dit kan door ontmoetingsgelegenheden te creëren, maar ook door burgers mee te laten doen in de buurt. Hierbij kan gedacht worden aan een buurtschoonmaakactie. Hierdoor leren burgers elkaar eerder en beter kennen. Zo kan een vorm van gemeenschap ontstaan, met een patroon van normen en waarden. Dit voorkomt bijvoorbeeld dat sommige mensen profiteren van het werk van andere mensen. Ook wordt ander ongewenst gedrag, zoals vandalisme, eerder gecorrigeerd als er normen en waarden heersen die dit afkeuren.

 

3. Mate van gebondenheid aan de buurt

De mate van gebondenheid aan de buurt is een andere belangrijke voorwaarde voor betrokkenheid van burgers bij hun buurt. Als burgers meer gebonden zijn aan hun buurt zullen ze eerder bereid zijn in de buurt te investeren. Zo zijn ouders met kinderen en mensen met een koopwoning eerder bereid om wat te doen in de buurt.

Men kan ‘mate van gebondenheid aan de buurt’ ook definiëren als de tijd die mensen in de buurt doorbrengen. Jongeren en ouderen brengen meer tijd door in de buurt dan anderen. Daardoor hebben ze meer contacten met buren dan andere leeftijdsgroepen[5]. Ook families met kinderen en vrouwen brengen veel tijd door in de buurt en hebben om die reden ook meer contacten met buren. Omdat vaak de vrouw het meest in de buurt aanwezig is, zijn vrouwen meer dan mannen gebonden aan de buurt. Als mensen niet over vervoer beschikken of hun leeftijd niet toelaat dat ze contacten buiten de buurt kunnen opzoeken, zullen mensen eerder contacten in de buurt zoeken. Wanneer mensen geen relationele alternatieven buiten de buurt hebben, zoeken ze eerder contacten in de buurt[6]

 

 

Visie ChristenUnie-raadsleden op verantwoordelijkheid van de lokale overheid

In 2005 heeft ondergetekende onderzoek[7] gedaan onder de ChristenUnie-raadsleden. Er is onderzocht welke visie ChristenUnie-raadsleden hebben op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen lokale overheid en burgers en hun visie op de verantwoordelijkheid van de lokale overheid als het gaat om het betrekken van burgers bij hun buurt.

Uit dit onderzoek bleek dat raadsleden van de ChristenUnie over het algemeen niet afwijzend tegenover participatie van burgers in de buurt staan. Als het gaat om de verantwoordelijkheidsverdeling tussen burgers en overheid vinden de raadsleden dat burgers bij zaken als de organisatie van buurthuizen, buurtfeesten, buurtbarbecues, sportverenigingen, kunst in de buurt, speelvoorzieningen betrokken moeten worden, of zelfs zelf het initiatief daartoe moeten nemen. Ook vinden de raadsleden dat burgers een zekere mate van eigen verantwoordelijkheid hebben voor hun buurt, vooral als het gaat om (eerdergenoemde) zaken als de organisatie van het buurthuis en het organiseren van buurtbarbecues, buurtfeesten, het onderwijs en de inrichting van het groen.

Enkele zaken waarvan raadsleden vinden dat ze echt door de overheid geregeld moeten worden, zijn het inrichten van groenvoorzieningen, het onderhoud van het groen, het ophalen van het huisvuil en het onderwijs.

Als gekeken wordt naar de gewenste mate van burgerparticipatie (met behulp van de participatieladder: informeren, consulteren, adviseren, co-produceren, mee-beslissen) dan vinden ze iets wat tussen ‘adviseren’ en ‘co-produceren’ in zit. Dit typeert de visie van de raadsleden: burgers moeten zeker meedenken, zij wonen tenslotte in de buurt, maar de lokale overheid blijft eindverantwoordelijk.

 

De meeste raadsleden vinden het duidelijk een overheidstaak om burgers te betrekken bij hun buurt. De overheid moet volgens hen burgers activeren om betrokken te zijn bij hun buurt, zowel als het gaat om buurtbeleid als het uitvoeren van beleid.

Als het gaat om de rolverdeling tussen overheid en burgers in de buurt valt op dat raadsleden meer voor participatie van burgers zijn dan voor het overhevelen van verantwoordelijkheden van de overheid naar burgers. De raadsleden zijn bereid de verantwoordelijkheid voor ontspanningsfaciliteiten wel deels over te dragen aan burgers, terwijl ze dat niet willen voor huishoudelijke taken, zorgtaken en beleidstaken in de buurt.

Raadsleden vinden een wijkraad en inspraakavonden goede manieren om burgers te betrekken bij de besluitvorming in hun buurt. Verder vindt het merendeel dat buurtbetrokkenheid niet iets eenmaligs moet zijn en dat niet telkens dezelfde burgers uit de buurt betrokken moeten zijn bij de besluitvorming rond hun buurt.

Er is gezocht naar een verklaring voor het feit dat de raadsleden voor sommige zaken meer verantwoordelijkheid aan burgers willen geven dan voor andere zaken. Het lijkt er op dat de raadsleden bij hun overwegingen het risicoprofiel van een bepaalde voorziening meenemen. Hiermee wordt de schade bedoeld die kan ontstaan als beleid niet goed uitgevoerd wordt. Zo heeft het organiseren van een buurtbarbecue een veel lager risicopotentieel dan het onderwijsbeleid. Als het risico op schade laag is zijn raadsleden eerder geneigd burgers meer verantwoordelijkheid te geven en meer te laten participeren.

 

 

Aanbevelingen voor de ChristenUnie

 

1. Ontwerp beleid waar burgers er belang bij hebben om te participeren

Het nastreven van doelen is een belangrijk motief voor gedrag. Burgers moeten er een belang bij hebben om te participeren. Beleid dat de ChristenUnie nastreeft, is erop gericht dat burgers ook iets voor een ander doen. Hoewel dit tegenstrijdig lijkt met het eerder genoemde eigenbelang hoeft dit niet onverenigbaar te zijn. De ChristenUnie moet beleid ontwerpen waarbij burgers er belang bij hebben om iets voor een ander te doen. Dit kan door ervoor te zorgen dat burgers, door iets voor een ander te doen, sociaal welzijn ondervinden. Doordat ze een ander helpen kunnen burgers zich bijvoorbeeld nuttig voelen en waardering ontvangen. Belangrijk daarbij is dat de overheid geen initiatieven van burgers overneemt: als de overheid een initiatief van burgers ‘afpakt’ en er zelf mee aan het werk gaat dan kan dat burgers erg demotiveren om met het initiatief door te gaan[8].

 

2.Richt de gemeentelijke organisatie zo in dat deze ingesteld is op burgerparticipatie

De gemeentelijke organisatie moet daarnaast goed ingesteld zijn op initiatieven van burgers. Zo zouden gemeenten een potje met geld voor burgerinitiatieven beschikbaar kunnen stellen om het eigen initiatief van burgers te stimuleren. Daarnaast zou een protocol voor de behandeling van burgerinitiatieven klaar moeten liggen.

 

3. Werk samen

De ChristenUnie-raadsleden moeten de gemeentelijke organisatie er toe bewegen om met andere organisaties, zoals wooncorporaties, te gaan samenwerken om burgerparticipatie te bevorderen. Ook kunnen raadsleden de kerken betrekken bij het buurtwerk[9]. In kerken is immers vaak al sprake van een vorm van gemeenschap.

 

4. Versterk de sociale cohesie in de buurt

Onderlinge contacten in de buurt zijn erg belangrijk. Zo kunnen mensen via hun sociale netwerk in de buurt gemotiveerd raken om mee te doen aan buurtactiviteiten. Ook kan het de kwaliteit van de leefomgeving en de veiligheid vergroten. Buurtactiviteiten kunnen onderlinge contacten te versterken. Hierbij kan gedacht worden aan een buurtbarbecue of een grote schoonmaakactie van de buurt, georganiseerd door buurtbewoners. Ook kan gedacht worden aan beleid dat ervoor zorgt dat burgers met elkaar in contact komen, door ontmoetingsgelegenheden te creëren, zoals buurthuizen, speeltuinen, cursussen of het winkelcentrum. Een andere manier om de onderlinge contacten tussen burgers te bevorderen is burgers te stimuleren om lang in een buurt te blijven wonen en een koopwoning te nemen in plaats van een huurwoning.

 



[1]Dit artikel is een verkorte versie van de doctoraalscriptie ‘Participatie in de buurt. Onderzoek naar burgerparticipatie en rol van de lokale overheid daarbij’. Door drs. B. van den Berg-Slagter (2006).

[2] Hart voor de publieke zaak, aanbevelingen van de Nationale Conventie voor de 21e eeuw, 2006.

[3] Edwards & Booth, 1973

[4]Zanetell and Knuth, 2004

[5] Campbell & Lee, 1992; Bridge, 1994

[6] (De Vos & Knol, 1994).

[7] Er hebben 180 raadsleden meegewerkt aan het onderzoek (een schriftelijke enquête, verstuurd aan 371 raadsleden). Dit is een respons van 48,5%.

 

[8] Ostrom, 1990

[9]Roorda-Lukkien, Jager-Vreugdenhil & Kuiper, 2006