Augustinus en Calvijn over kerk en staat

Augustinus en Calvijn over kerk en staat

 

 

In-Sub Ahn

Augustine and Calvin about Church and State: a comparison.

Proefschrift Kampen, 2003.

363 pagina’s

 

Door drs. Wim Pelt

 

 

De schrijver van het proefschrift is een Zuid-Koreaanse predikant van de Presbyterian Church. Hij werd geboren in 1965 en heeft in Korea eerst geschiedenis en daarna theologie gestudeerd. Na een paar jaar als predikant te hebben gewerkt, is hij in 1998 naar de Theologische Universiteit Kampen gekomen voor een Masterstudie en is daar in 1999 afgestudeerd. Het hier besproken proefschrift bouwt voort op zijn afstudeerwerk.

 

Inleiding

In zijn inleidende hoofdstuk roept Ahn op om de vragen van het Christendom niet Eurocentrisch maar multicultureel te bekijken. Eigenlijk zou dit een overbodige oproep moeten zijn. Het Christendom komt immers uit Azië, en het wint nog steeds snel aan invloed in Afrika en Latijns-Amerika, terwijl zijn invloed in Europa stagneert. Ik denk echter, dat Ahn met deze oproep meer bedoelt, en ook vraagt om begrip voor zijn eigen positie als migrant en Christen-Koreaan. In Europa geldt het Christendom sinds de middeleeuwen behalve als de dominante religie tevens voor velen, ook voor niet-christenen, als hoeder van de Europese beschaving. In Korea wordt het ‘westerse’ christendom door de niet-christelijke meerderheid van de bevolking gezien als inferieur aan de Chinese beschaving. Met dit in het achterhoofd heb ik geprobeerd het boek te lezen, waarbij hier nog een waarschuwing op zijn plaats is: ik ben jurist en amateur-historicus, geen theoloog.

 

Lastig lezen

Ook onder christenen in Korea gelden wat Nederlanders voorkomt als Oosterse omgangsvormen.  Dit impliceert veel eerbied voor autoriteit, vooral voor ouderen en nadrukkelijke bescheidenheid over eigen prestaties. Dit kanleiden tot formuleringen als (p. 52): “Augustine’s thinking may possibly have had some connection with the political situation.” (cursivering van recensent.) Een andere Oosterse deugd is ijver. Beide kenmerken kunnen hinderpalen zijn bij het schrijven van een proefschrift, waarin immers een eigen visie moet worden gepresenteerd, en zorgvuldigheid van de analyse belangrijker is dan volledigheid van inventarisatie.

Het boek is duidelijk in grote haast geschreven. Er komen veel herhalingen in voor; vrijwel elk citaat wordt direct aansluitend geparafraseerd en conclusies worden uitentreuren herhaald. Bij een mondelinge voordracht kan ik dit begrijpen, maar in een boek leidt dit de aandacht van de grote lijn af. Nog storender wordt het wanneer de formulering kennelijk het tegenovergestelde is van wat de schrijver bedoelt. Zo zegt Ahn op p. 158: “de verandering in de opvattingen van Augustinus over dwang had invloed op drie zaken: de politieke en sociale situatie, hermeneutiek en zielszorg.”

 

Opzet boek

Het boek is opgezet als twee parallelle studies met het volgende schema. Eerst wordt een schets gegeven van belangrijke invloeden op de te bespreken denker, eerst Augustinus en daarna Calvijn. Vervolgens wordt diens visie op vijf bijbelteksten geïnventariseerd en geanalyseerd: Psalm 2 (een kroningspsalm), Jeremia 29:1-14 (brief van Jeremia aan de ballingen in Babylon), Daniël 2:31-45 (het beeld met het gouden hoofd), Mattheüs 13:24-43 (onkruid tussen het koren) en Romeinen 13 (overheid is een instelling van God). Daarna volgt een samenvattend hoofdstuk over de teksten die volgens Ahn een licht werpen op de visie van de theoloog op Kerk, Staat of hun relatie. Tot slot volgen enige hoofdstukken over de invloed van Augustinus op Calvijn en enige slotbeschouwingen. De literatuurlijst achterin wijst de weg naar de belangrijkste boeken over beiden.

 

Augustinus - Calvijn

Voor Augustinus komt Ahn tot de conclusie dat hij tot het jaar 395 weinig aandacht besteedde aan de relatie tussen kerk en staat. Vanaf zijn wijding tot bisschop in 396 tot 406 zag Augustinus de christelijke keizer als degene die apocalyptische voorspellingen in vervulling moest doen gaan en als beschermer van de ware kerk. Na de nederlaag tegen de Vandalen (in 407) had hij echter geen vertrouwen meer in de staat en zag er ook geen taak meer voor.

Voor Calvijn kiest Ahn als keerpunten in zijn denken 1541 en 1555. Voor 1541 was Calvijn predikant voor protestantse ballingen en meende hij dat de staat zich terughoudend moest opstellen in kerkelijke zaken. Tussen 1541 en 1555 nam zijn invloed in Geneve toe en kwam er een kentering in deze opvatting. Na 1555 beheersten zijn aanhangers de Geneefse overheid en zag Calvijn de staat als het uitvoeringsorgaan van de kerk, zozeer zelfs, dat hij de staat van Geneve zijn tegenstander Servetus (die een andere opvatting had over de Drievuldigheid) wegens ketterij liet executeren.

 

Kritiekpunten

Ahn draagt voor deze indelingen veel materiaal aan, maar volgens mij doet dit eendimensionale schema geen recht aan het rijke, maar niet steeds systematische werk van beide theologen. Ook op vele kleinere punten trekt Ahn mijns inziens te snel conclusies.

Een voorbeeld: op p. 24 zegt hij dat uit 15 citaten volgt dat Augustinus Tertullianus kende. Tot zover kan ik hem volgen. Maar dat uit Augustinus’ verwerpen van Tertullianus’ opvattingen volgt, dat Augustinus die opvattingen heeft geïncorporeerd in zijn eigen systeem gaat mij te ver.

Uit dit boek blijkt dat zowel Augustinus als Calvijn veel en gevarieerde dingen hebben gezegd over niet zozeer Kerk en Staat, maar vooral de Kerk en haar plaats in de wereld. Ahn maakt helaas geen onderscheid tussen opmerkingen in preken, in brieven en in theologische verhandelingen. Dit kan trendbreuken suggereren waar deze niet zijn.

Mijn voornaamste bezwaar tegen de beschouwingen van Ahn is echter dat hij de begrippen kerk en staat nergens omschrijft en in verschillende betekenissen schijnt te gebruiken. ‘Kerk’ staat de ene keer voor een organisatie, dan weer voor een groep van gelovigen of alle gelovigen, dan weer voor voorgangers. Met ‘staat’ wordt in de hoofdstukken over Augustinus zowel het begrip civitas aangeduid, als het begrip imperium romanum. Het eerste vertaalt hij ook wel met ‘stad’ en het woord heeft ook connotaties van ‘gemeenschap’. Het tweede staat voor het Romeinse rijk, het soevereine gezag van de ambtsdragers daarvan en soms ook de Romeinse keizer. Bij de hoofdstukken over Calvijn wordt ‘staat’ soms gelijkgesteld met vorst, soms met het gehele overheidsapparaat. En zoals we uit Wegbereiders der revolutie -  calvinisme en de strijd om de democratische rechtsstaat door Jan Willem Sap weten, beschouwde Calvijn dit apparaat niet als een homogeen blok. Helaas ontbreekt dit mooie boek, waarvan in 2001 een Engelse vertaling is verschenen, in de Ahn’s literatuurlijst.

 

De moderne staat

De moderne natiestaat als een veelomvattend, onpersoonlijk machtsblok met veel machtsmiddelen en alomvattende pretenties zie ik – in navolging van Groen van Prinsterer - als een product van Verlichting en Revolutie, ontstaan omstreeks 1750-1800. In zijn huidige vorm kunnen we voorlopers hiervan ontwaren vanaf ongeveer 1600. Maar voor 1800 was er bijvoorbeeld nergens politie. En onderwijs, ziekenzorg en familierecht, onderdelen waaraan de staat tegenwoordig veel van zijn invloed ontleent,  waren lange tijd geen staatstaken maar zaken voor de kerk. 

 

Bestond deze staat in de vroegmoderne tijd al?

Ten tijde van Calvijn lijkt de wereldlijke organisatie meer op één die we kennen uit het Oude Testament dan op de huidige: er ontbreekt een staat in de moderne zin van het woord. Er bestaat wel een zeer persoonlijke heerschappij van vorsten. Deze hebben echter buiten hun directe hof- of later  burchtomgeving weinig invloed op het dagelijks leven van de meeste van hun onderdanen. Van absolutisme is in deze tijd in Europa nog geen sprake. De slogans waarmee Ahn de staat ten tijde van Calvijn karakteriseert: “l’état, c’est moi” en “une loi, une foi, un roi”, sprak Lodewijk XIV pas 150 jaar later uit. Voor Frans de Eerste, de Franse koning ten tijde van Calvijn, was het een vanzelfsprekende zaak dat in zijn rijk in de Provence ander recht gold dan in Parijs of in Bretagne. In zo een situatie kan de vorst niet met de staat worden geïdentificeerd, wat Ahn wel doet.

Laat ik als voorbeeld voor deze stelling de toen regerende Karel V nemen. Moet die worden geïdentificeerd met de Nederlanden, met Spanje of met het keizerrijk Duitsland? En dit heeft gevolgen voor beschouwingen over de relatie tussen kerk en staat: het spreken van de kerk tot personen, zelfs als die met overheidsgezag zijn bekleed, is anders dan het spreken tot organisaties.

 

Actualiteit van de opvattingen van Augustinus en Calvijn

In de Romeinse tijd bestond daarentegen tot ongeveer 450 een groot en relatief onpersoonlijk ambtenarenapparaat, dat enigszins op de moderne staat lijkt. Wanneer we zorgvuldig onderscheid zouden maken tussen wat Augustinus zegt over civitas, hier meestal vertaald met ‘stad’ en ‘keizer’, zou dit inspiratie voor huidige problemen van kerk en wereld kunnen geven, paradoxaal genoeg meer dan wat Calvijn over zijn wereldlijke overheid heeft geschreven.

Hierbij is ook te bedenken, dat De civitate dei is geschreven als een verwerping van de stelling dat het Christendom de Romeinse staat bedierf en de Instituties bedoeld zijn als elementair theologisch leerboek. De preken en commentaren van beiden op bijbelboeken waren bedoeld om theologische problemen te behandelen, niet om een politiek systeem te ontwikkelen. Wat uit de citaten van de vergelijkende studies vooral is opgevallen, is hoe tijdloos dit aspect was. Beiden komen terecht naar voren als zeer grote theologen. Ook de moderne lezer vindt bij de beschouwingen van Augustinus en Calvijn over bijbelteksten een startpunt tot nadenken dat nog steeds tot doordenken inspireert. Ik ben inmiddels begonnen De Civitate Dei en de Institutie integraal te gaan lezen (in vertaling).

Deze grote denkers waren echter niet primair staatsrechtgeleerden of politiek filosofen. Als mensen die in het volle leven stonden, maakten zij natuurlijk in hun preken en commentaren opmerkingen over de wereld waarin zij leefden en dus ook over hoe zij dachten over actuele aspecten van de toenmalige overheid. Daar lag hun nadruk echter niet en hun terloopse opmerkingen zijn niet bedoeld om op onze zo andere tijd onverkort te worden toegepast. Dat blijkt alleen al daaruit, dat zij zelf op de veranderende omstandigheden tijdens hun leven reageerden door een andere beoordeling van wat zij beschouwden als de beste houding voor hen en de gemeenten waarvan zij voorganger waren tegenover de overheid, en welke houding zij voor die overheid het beste achtten.

 

Slot

Uit voorwoord en toegevoegde stellingen blijkt dat de schrijver hoog inzet: het gaat om het vinden van niets minder dan een theologisch antwoord op de relatie tussen Kerk en Staat in Oost en West, over culturen heen en door de tijd; en dat aan de hand van geschriften van volgens velen de grootste kerkvader en een van de grote hervormers. Hij belooft beschouwingen over deze vraagstukken vanuit theologie, kerkgeschiedenis en algemene geschiedenis. Uit bovenstaande beschouwing zal duidelijk zijn, dat hij volgens mij deze taak niet heeft verricht. Dit is geen verwijt. Ik betwijfel sterk of zijn doel kan worden bereikt, want ik denk dat op deze grote vragen geen antwoord los van plaats en tijd bestaat. En als dat al zou kunnen, zou het een levenswerk vereisen en niet de 6 jaar studie waarvan dit boek de neerslag is. Het boek toont duidelijk aan, dat Calvijn veel inspiratie heeft gevonden in de werken van Augustinus en dat ook de huidige gelovige bij beiden veel waardevols kan vinden, al gaat het meer over bijbeluitleg dan over de verhouding tussen kerk en staat.