Rotterdam en islam

Islam in Rotterdam

 

Door Remco Oosterhoff, fractievoorzitter van de ChristenUnie-SGP in de gemeenteraad van Rotterdam

 

Na vier jaar Leefbaar Rotterdam aan de macht is het hoog tijd voor een terugblik. Welke rol speelde de islam in de afgelopen periode en met welke toon zal het nieuwe college dit debat de komende periode voeren? En welke positie neemt een christenpoliticus in dit debat in?

 

 

In 2002 “denderde” Leefbaar Rotterdam onder leiding van Pim Fortuyn de Rotterdamse politiek binnen. Vanuit het niets werd de partij met 17 zetels de grootste in de gemeenteraad. Met de binnenkomst van Leefbaar Rotterdam kwam het thema Islam definitief op de politieke agenda in de Maasstad. Net als in de rest van het land. Na 9/11 buitelden deskundigen, politici, geleerden en columnisten over elkaar heen in discussies over het dragen van hoofddoekjes in het openbaar, haatzaaiende imams, integratie van moslims, de bouw van de grootste moskee van Nederland in Rotterdam en vele andere onderwerpen.

De discussies werden ook in de politiek soms heftig gevoerd. Het leidde tot het opstappen van fractieleden van Leefbaar Rotterdam omdat standpunten van de partij te ver (raadslid Nico Kok) of juist niet ver genoeg gingen (raadslid Michiel Smit). Marco Pastors moest als wethouder zelfs opstappen na uitlatingen over moslims en een Rooms-katholiek nieuwsblad.

Ook bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen speelde het thema Islam, met daaraan gekoppeld integratie, een belangrijke rol. Het werd voor de kiezer de keuze tussen het voortzetten van het beleid van Leefbaar Rotterdam, met het duidelijke “ik zeg wat ik denk, en doe wat ik zeg”. Of de keuze voor de PvdA die de kloof tussen bevolkingsgroepen zou dichten en het debat op een andere toon zou gaan voeren.

 

De Rotterdammer heeft massaal gekozen voor de PvdA die met 18 zetels in de gemeenteraad nu de grootste partij is in Rotterdam. Ondertussen is er een college van PvdA, CDA, VVD en GroenLinks benoemd en dat presenteerde op 18 september jongstleden haar collegeprogramma. Tijd voor een terugblik op het Leefbaarcollege van de afgelopen 4 jaar en een vooruitblik op de komende 4 jaar. Welke rol speelde de Islam in de afgelopen periode met Leefbaar aan de macht? Met welke andere toon zal het nieuwe college dit debat de komende periode voeren? En welke rol speelt de christelijke politiek in dit debat?

 

Terugblik

In september 2002 presenteerde het toenmalige college haar programma “Het nieuwe elan van Rotterdam…. En zo gaan we het doen”. Een van de actiepunten uit dat programma was het voeren van de dialoog tussen de verschillende bevolkingsgroep. Een belangrijke bevolkingsgroep hierbij waren de moslims. Maar de dialoog is helaas nooit echt goed tot stand gekomen. Voor het voeren van een eerlijke dialoog is het nodig dat gesprekspartners respect voor elkaar hebben en gelijkwaardig zijn ten opzichte van elkaar. Aan deze twee voorwaarden ontbrak het.

 

De Islam speelde een belangrijke rol in de dialoog en werd steeds gekoppeld aan de onderwerpen integratie en emancipatie. Een voorbeeld van deze koppeling is de debattenreeks “Islam en integratie” die door het college georganiseerd werd. Door de Islam steeds zo nadrukkelijk te koppelen aan integratie en emancipatie suggereerde het college dat moslims niet geïntegreerd en geëmancipeerd waren en dat daar nodig de dialoog over gevoerd moest worden.

Moslims stonden daardoor per definitie op achterstand en die achterstand had maar één oorzaak: hun geloof. Tegenover hen stond het college met een houding van “Gij zult emanciperen en integreren” en het liefst net zo worden als wij. Drie voorbeelden laten dat zien.

 

Het hoofddoekjesdebat

Die houding – bij met name Leefbaar Rotterdam - kwam sterk tot uiting in het hoofddoekjesdebat. Het dragen van hoofddoekjes in het openbaar moest verboden worden om een aantal redenen.

Een hoofddoek is een teken van onderdrukking van de vrouw. Een geloof dat vrouwen verplicht een hoofddoek te dragen ondermijnt de keuzevrijheid van de vrouw en onderdrukt haar eigen wil. Dit zorgt ervoor dat moslimvrouwen niet kunnen emanciperen omdat zij zelf niet mogen kiezen. Daarnaast is een hoofddoek een uiting van religie. Religie hoort niet thuis in de openbare ruimte die neutraal zou moeten zijn.

Het is lastig discussiëren met politici die aanhanger zijn van het ‘Verlichtingsfundamentalisme’ en niet kunnen snappen dat de keuze voor religie een vrije keuze kan zijn. En dat je vervolgens vanuit je geloof bepaalde dingen doet of juist nalaat. Geloven bepaalt je dagelijkse handelen, ook op je werk en in de samenleving. Je kunt je geloof niet thuislaten op het moment dat je ’s ochtends de voordeur uitstapt. Daarom zal een neutrale openbare ruimte nooit bestaan.

Leefbaar Rotterdam vond het nodig tijd worden dat de islam een verlichtingsgolf zou meemaken en zich meer zou aanpassen aan de westerse normen en waarden, wat deze ook precies mogen zijn.

 

De Rotterdamcode

Ook met de Rotterdamcode (of de Burgerschapscode) probeerde het college andersdenkenden te bekeren tot hun liberale gedachtegoed. Een citaat uit de code: “Tegenwoordig overleggen en onderhandelen ouders meer met hun kinderen. Deze

manier van opvoeden past bij de moderne samenleving, waarin vrijheid van het individu en de eigen verantwoordelijkheid voorop staan.”  Vervolgens stelde het college: “Deze moderne opvoedingsstijl is niet overal gangbaar.” Het is lastig een andere uitleg te bedenken dan dat het college vond dat moslims hun kinderen maar ouderwets opvoeden.

Het college wilde dit veranderen door iedere Rotterdam de volgende regel op te leggen: “Rotterdamse ouders steunen hun kinderen bij het (leren) maken van hun eigen keuzes - ook ten aanzien van geloof, levensbeschouwing en seksualiteit.”

Hoe moet je dat in de praktijk zien? Dat je als moslim je kind helpt kiezen voor een ander geloof? En hoe leer je je kind een eigen keuze te maken op het gebied van seksualiteit? Leg je aan je kind uit dat er een verschil is tussen heteroseksuele en homeseksuele geaardheid en dat het vervolgens een kwestie van kiezen is?

Hoewel het natuurlijk goed is om af te spreken dat iedereen Nederlands spreekt, was ook de Rotterdamcode doorspekt met regels die met name voor moslims bleken te gelden.

 

Moskeebouw

De bouw van een moskee tenslotte was aanleiding voor politici om te eisen dat mannen en vrouwen gezamenlijk zouden bidden, dat zou de emancipatie van moslimvrouwen ten goede komen. Hoezo scheiding tussen kerk en staat? Daarnaast was de bouw van een moskee aanleiding voor het college om een gebedshuizennota te maken, waarin de hoogte van minaretten en kerktorens gemaximeerd werd. Stel je voor dat die hoger dan 50 meter zou worden in een stad waar woon- en kantoortorens van 150 meter en hoger staan. Dat zou niet passen in een modern westers straatbeeld…

 

De afgelopen vier jaar heeft de Islam een belangrijke rol gespeeld in de politiek en het maatschappelijke debat. Maar wel een rol die steeds in de negatieve hoek zat. De islam zat in de hoek van niet-geïntegreerde en ongeëmancipeerde mensen. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat religie in dat debat een rol speelt. En met religie wist het college zich de afgelopen periode niet zo goed raad. Thuis achter de voordeur mocht je geloven wat je wilde, maar op straat en in het publieke leven géén religie. Dat past niet in een moderne wereld waarin mensen in zichzelf geloven en zelf wel bepalen wat goed en slecht is.

 

Het nieuwe college

Het was niet verwonderlijk dat de verkiezingscampagne voor de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen zich toespitste op de “kloof” tussen de Rotterdammers. Die kloof was door de houding van het vorige college niet gedicht maar eerder groter geworden.

De kiezer koos voor de PvdA, die een andere toon beloofde tijdens de campagne. De PvdA zou de Rotterdammers weer bij elkaar brengen. Geen discussies meer over islam en integratie, maar participatie wordt de nieuwe insteek.

In het nieuwe college is er zelfs een wethouder met participatie in zijn portefeuille. Wethouder Kaya van GroenLinks, die als raadslid in de vorige periode de grootste tegenstander was van het college in de islam- en integratiedebatten. Hooggespannen verwachtingen dus bij de presentatie van het collegeprogramma op 18 september jongstleden.

Het programma heet “De stad van aanpakken – Voor een Rotterdams resultaat”. Het programma kent 4 pijlers van beleid: Sociaal, Veilig, Wonen en Economie. Geen aparte pijler Participatie om de kloof tussen de Rotterdammers, die tijdens de verkiezingscampagne nog zo groot was, weer te dichten.

Het belangrijke verkiezingsitem wat voldoende was voor een wethouderspost blijkt in het collegeprogramma echter tussen de regels verdwenen te zijn. Het enige dat overgebleven is, is een paragraaf over “binding” in de pijler Sociaal. Hierbij wordt met binding bedoeld dat iedereen meetelt en meedoet. In de targets van het nieuwe college vertaald, betekent dit dat er over vier jaar meer mensen deelnemen aan sportactiviteiten en culturele activiteiten.

 

Er is niets te vinden over verschillen tussen bevolkingsgroepen, de rol van religie in de samenleving, emancipatie of integratie. Dat is een tegenvaller. Als dit college echt een andere toon wil laten horen, had ze minimaal moeten aangeven hoe ze met deze thema’s anders wil omgaan ten opzichte van het vorige college. Hoe gaat het college de kloof tussen Rotterdammers dichten? Hoe gaan we om met de diverse en veelkleurige samenleving, waarin religie een belangrijke rol speelt? Vragen waar het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie gelukkig wel een antwoord op geeft. 

 

Positie ChristenUnie

De positie van een christenpoliticus is soms best lastig. Als christen geloof ik in de God van Israël en Jezus Christus als zijn Zoon, die voor mijn zonden gestorven is. Vanuit dat geloof stemt de opkomst van de islam in Nederland mij niet gelukkig en kan het zelfs een bedreiging zijn. Onlangs schreef het Nederlands Dagblad dat steeds meer gereformeerde jongeren de overstap naar de Islam maken. In het politieke werk zorgt dat wel eens voor gemengde gevoelens wanneer er een ontwerpbesluit voorligt voor de bouw van een moskee of een islamitische school.

 

Toch is er ook verbondenheid. De christelijke normen en waarden liggen in de praktijk niet ver weg van die van moslims. In de strijd tegen gokhallen, bordelen en coffeeshops zijn we het snel met elkaar eens. De imam die preekt dat homoseksualiteit een grove zonde is, loopt tegen dezelfde muur van onbegrip op als de politicus die homoseksualiteit gelijkstelt aan diefstal.

De inhoud van de Rotterdamcode was voor christenen net zo onacceptabel als voor moslims. Net als voor islamitische ouders is het voor christelijke ouders vanzelfsprekend dat ze hun kinderen opvoeden vanuit hun geloof in God. Hoe vreemd of ongeëmancipeerd de overheid dat ook kan vinden.

De koppeling tussen islam en integratie gaat net zo hard op voor christenen. Net zo min als een moslim wil ik integreren in een samenleving zonder religie waarin men alleen gelooft in zichzelf als hoogste macht. Een samenleving waarin de overheid vindt dat vrouwen niet geëmancipeerd zijn als ze thuis de zorg voor hun kind op zich nemen, of onderdrukt zouden worden als ze in de kerk het ambt niet mogen bekleden.

Die verbondenheid zorgt voor begrip in de dialoog. In de dialoog moeten we namelijk op zoek naar wat ons samenbindt als christen, moslim, liberaal en socialist. Als we alleen oog hebben voor de onderlinge verschillen kunnen we niet als gelijkwaardige burgers met respect voor elkaar samenleven.