Praten om de lieve vrede wil

Praten om de lieve vrede wil

Onderscheiden waar het in het gesprek met moslims op aankomt

 

Door drs. Gert-Jan Segers. In oktober 2000 werd hij uitgezonden door de GZB naar Cairo, alwaar hij werkte aan een christelijk studie- en toerustingcentrum. Momenteel is hij Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie

 

 

Zolang ik in het Midden-Oosten woon, is het hommeles. Voorzover ik kan nagaan komt dat niet door mijn aanwezigheid, maar ondertussen bepaalt het mijn verblijf hier wel. En als ik kijk naar de brokstukken van het vredesproces, het mislukkende democratiseringsproces en de groeiende kloof tussen de islamitische wereld en het Westen, dan vraag ik me vooral af hoe we de dialoog met onze moslimnaasten nog aan kunnen gaan. Wat is een christelijk antwoord op de crisis in het gesprek met onze moslimnaaste?

 

Het lijkt een en al ellende de afgelopen zes jaar. Het begon met de tweede Intifada in 2000, werd gevolgd door Palestijnse zelfmoordaanslagen, 9/11, Pim Fortuyn en zijn Koude Oorlog met de islam, de oorlog in Afghanistan in 2001, de oorlog tegen Irak in 2003, de moord op Theo van Gogh in 2004, bloedige aanslagen in Madrid en Londen in 2005, cartoonrellen en ophef over een belegen citaat van de Paus, dit jaar. Het is dat ik christen ben, maar anders zou ik er moedeloos van worden. Want van de krantenkoppen word je niet vrolijk.

 

Tijd en wijze weten

Omdat ik God vertrouw dat Hij zijn wereld in de hand houdt, geef ik de moed niet op. Geïnspireerd door wat Paulus schrijft aan de Filippenzen (1:9, 10), denk ik dat liefde, inzicht en fijnzinnigheid ons leren om te onderscheiden waar het op aankomt in onze dialoog met moslims. Preciezer gezegd, het is onze taak om te onderscheiden wanneer het waar op aankomt en wanneer ik wat zeg. Wat wij moeten leren, is om tijd en wijze te weten. Het is mijn ervaring dat ik alles wat ik op mijn hart heb tegen moslims kan zeggen, ook mijn heftigste kritiek op de islam. Ik heb gemerkt dat de meeste moslims tegen een stootje kunnen, maar wel als we tijd en wijze weten, als er respect en vertrouwen is. Als we een appeltje met de islam te schillen hebben – en als je je verdiept in de islam is dat onvermijdelijk – zal de liefde ons leren wanneer we moeten spreken.

 

Ik denk dat het cruciaal is om in het gesprek met moslims drie niveaus te onderscheiden: de politieke dialoog (over de samenleving), de theologische dialoog (over het kennen van God, ethiek, omgang met de schriften) en de persoonlijke ontmoeting. De meeste problemen ontstaan als we de drie dialogen verwarren, als we goede dingen op het verkeerde moment zeggen. Als we bijvoorbeeld onze theologische bezwaren tegen de islam inbrengen in een politieke discussie, of als we van onze persoonlijke afkeer van een hoofddoek een politiek punt maken.

 

Uitglijders in politieke debat

Als je geen rekening houdt met de eigen aard van het politieke debat[1], loopt het snel uit de hand. Als Ayaan Hirsi Ali in de krant zegt dat Mohammed naar de huidige maatstaven een perverse man was omdat hij met een zesjarig meisje trouwde  (Trouw, 25 januari 2003), dan is dat een voorbeeld van iemand die niet weet te onderscheiden wanneer het waar op aankomt. Je duwt als (toenmalige) politica zo alle moslims van je af, kwetst ze en bereikt er geen enkel politiek doel mee. Het seksuele gedrag van een Arabier uit de zevende eeuw is politiek niet relevant, tenzij zijn volgelingen pleitbezorgers van pedofilie zijn. Maar dat is niet het geval. Daarom lijkt het mij heilzaam dat een politicus in het publieke gesprek zich niet tot in detail uitlaat over de profeten en heiligen van andere religies.

Maar in een persoonlijk gesprek, of zelfs in een theologische discussie, kunnen moeilijk verteerbare aspecten van Mohammed’s leven worden gedeeld. Ik denk dat het legitiem is om moslims te vragen naar hun kijk op bepaalde gebeurtenissen uit Mohammed’s leven, zoals het feit dat Mohammed alle mannen van een joodse stam heeft laten ombrengen (Banu Qurayza).[2] Het is wat mij betreft een voorbeeld aan de hand waarvan ik kan uitleggen dat Jezus en Mohammed voor mij twee onverenigbare grootheden zijn. Ik heb daarna nog nooit doodsbedreigingen gehad, nooit ruzie gekregen zelfs.

Maar als je zoals Geert Wilders niet nalaat om ‘de islam’ als het grote politiek probleem te benoemen, dan veroordeel je ook de gematigde en tolerante moslims tot het ongure gezelschap van haatpredikers en extremisten die altijd al hebben beweerd dat ‘het Westen’ het op ‘de islam’ heeft gemunt. Dan wordt je angst vanzelf een self-fulfilling prophecy.

 

Uitglijders in het theologische debat

Andersom kan het ook gebeuren dat een politiek correct standpunt het theologische debat op een oneigenlijke manier beïnvloedt. Zo wordt het verlangen naar het vreedzaam samenleven van moslims en christenen nogal eens onderbouwd met de stelling dat moslims toch ook in God geloven. Alsof je alleen maar vreedzaam kunt samenleven wanneer je een vorm van godsgeloof deelt. Alsof je alleen een theologische dialoog kunt aangaan als je een soort inclusieve, allesomvattende en dus vage waarheid deelt. Er is bijvoorbeeld een Stichting voor interreligieuze dialoog, die het gesprek tussen joden, moslims en christenen wil bevorderen. Dat is natuurlijk een mooi streven, want zolang er gepraat wordt, vallen er geen doden. Alleen, op de website van deze stichting staan niet slechts theologische ontmoetingen aangekondigd, maar ook interreligieuze vieringen. Alsof je alleen met elkaar kunt praten als je van alle overtuigingen een vaag soort potpourri maakt en een gezamenlijk ‘respect voor het Hogere’ overhoudt. Waar het interreligieuze gesprek overgaat in een interreligieuze viering, daar ontstaat een nieuwe religie die volgens mij weinig met Jezus Christus te maken heeft.

Er zijn ook islamitische versies van hetzelfde misverstand dat je alleen maar samen verder kunt als je een gezamenlijke geestelijke noemer hebt. Abdelwahab Meddeb, een Parijse wetenschapper van Tunesische afkomst, schreef het essay Islam and its Discontents. Hij beschrijft hoe de islam vanaf ongeveer de dertiende eeuw is veranderd van een creatieve en verlichtende beschaving die ‘ja’ zegt, in een beschaving die alleen maar ‘nee’ zegt, die weigert, reactionair is en voornamelijk haat opkropt en wacht tot het moment waarop ze sterk genoeg is om zich te kunnen wreken. Meddeb beschrijft het geestelijke gezwel dat in de dertiende eeuw in de islam is geplant door Ibn Taymiyya uit Syrië en via Abd El-Wahhab in de achttiende eeuw en de latere Saoedische Wahabieten nu een groot deel van de islam heeft aangetast. Hij noemt Osama Bin Laden ook geen toevallige extremist, geen islamitisch ongelukje, maar het logische product van een zieke theologie die vanuit Saoedi-Arabië de hele islamitische wereld beïnvloedt. Op iedere pagina van zijn essay lees je zijn verdriet over deze ontwikkeling en lees je zijn hoop dat de islam ooit weer verder kan waar het in de twaalfde eeuw is gebleven.

Meddeb hoopt opnieuw op een islam die openstaat voor de antieke filosofie, christendom, jodendom en zelfs voor vormen van Hindoeïsme. Meddeb hoopt dan dat ‘het universele zal schijnen in de verschillende uitdrukkingen ervan’. Dat zou ertoe moeten leiden dat christenen ook Mohammed erkennen als een heilige persoon. Kortom, het komt goed als de verschillende religies elkaar respecteren als heilige, goddelijke religies die alleen maar samen en met elkaar de universele waarheid reflecteren.

 

Tolerantie

Het is dezelfde vreemde voorwaarde voor tolerantie, voor een vreedzame samenleving, namelijk dat je eerst een vorm van geestelijke en theologische eenheid moeten hebben bereikt, voordat je met de ander kunt samenleven en andermans geloof kunt tolereren. Dat lijkt mij een misvatting. Ware tolerantie verdraagt namelijk ook de leugen, tenzij die leugen natuurlijk levensbedreigend wordt. Jezus leert dat God het kruid en het onkruid samen laat opgroeien en dat het laatste oordeel God toekomt. Er moet in de samenleving ruimte zijn voor kruid en onkruid.[3] Je hoeft de waarheid niet eerst te verdraaien voordat je de leugen kunt tolereren, maar je laat ze juist naast elkaar staan en spreekt af dat je elkaar de hersens niet inslaat.

 

Kortom: als we het politieke gesprek, het theologische gesprek en het persoonlijke geloofsgesprek door elkaar halen, maken we brokken. De politieke discussie raakt vergiftigd, de theologie raakt verduisterd en zelfs het persoonlijke gesprek verstomt. Want als zowel christendom als islam goddelijke religies zijn, dan valt er weinig meer te bespreken als je bij elkaar over de vloer bent. Dan valt het persoonlijke gesprek stil en blijven er hoogstens nog interreligieuze vieringen over. Maar ondertussen wordt een eenheid gesuggereerd die er niet is, een eenheid waar de islam weinig ruimte voor geeft en een eenheid die afbreuk doet aan de uniciteit van Jezus Christus’ lijden, sterven en opstanding.

 

Als we daarentegen weten waar het in de politiek, in de theologische ontmoeting en in onze persoonlijke ontmoeting met moslims op aankomt, dan komen we werkelijk verder. Alleen zo kunnen we in de samenleving de boel bij elkaar houden en recht doen aan het evangelie.

 

Politieke agenda

De islam zal in toenemende mate onze politieke, theologische en missionaire agenda bepalen. In dit verband laat ik de theologische dialoog even voor wat die is. Maar als het om de politieke agenda gaat, is de islam een belangrijk punt. De verhouding tussen de islam en de westerse democratie zal van cruciaal belang zijn voor onze toekomst. En de positie van moslims in onze samenleving zal steeds belangrijker worden in ons gesprek over de inrichting van de samenleving.

Het is de grote vraag in hoeverre de islam en de westerse democratie kunnen samengaan. Islam heeft een oude traditie van ongelijke behandeling van minderheden. In een westerse islam kan daar geen sprake van zijn. Vrijheid van meningsuiting en de vrijheid om je tot een ander geloof te bekeren zijn fundamentele vrijheden in het Westen. Als er geen westerse islam ontstaat, dan zal ofwel de islam uit het Westen verdwijnen, ofwel de westerse vrijheid. Het zou zeer op zijn plaats zijn als christenpolitici samen met islamitische politici en maatschappelijke vertegenwoordigers om de tafel zouden gaan zitten om elkaar op deze onderwerpen te bevragen.

 

Taak ChristenUnie

Laat de ChristenUniehierin maar het voortouw nemen. Je kunt met zo’n gesprek laten zien dat je je nieuwe landgenoten volstrekt serieus neemt, maar tegelijk ook dat de onderwerpen je ernst zijn. Het zal geen vrijblijvend gesprekje bij een kopje thee zijn. Maar het zal erom gaan dat ook de Europese islam godsdienstvrijheid omarmt, niet als een middel om een eigen plaats te bevechten, maar als een fundamenteel mensenrecht voor alle mensen in alle landen.

Daarmee komt vanzelfsprekend ook het gebrek aan vrijheden in de islamitische landen aan de orde. In ons gesprek over vrijheden, over islam en democratie, kunnen we er niet omheen dat christenen en andere minderheden in islamitische landen in meer of mindere mate verdrukt worden. Het is de taak van de christelijke politiek om onvermoeibaar voor onze christenbroeders en -zusters op te komen. Want zonder de betrokkenheid van christenpolitici zal er niet veel van terechtkomen.

 

Geldstroom

Daarnaast is er vanuit landen als Saoedi-Arabië, Koeweit en andere Golfstaten een constante stroom van geld naar het Westen, waarmee moskeeën worden gebouwd en islamitische stichtingen worden opgericht. Wat mij betreft is dat een uiterst ongewenste situatie. Als we weten dat al die landen ondemocratische staten zijn, waarin minderheden en vrouwen bijna rechteloos zijn en er geen godsdienstvrijheid is, dan graven we ons eigen graf door alle ruimte te geven om vanuit die landen een onvrije ideologie te laten importeren. Dat lijkt me een goed voorbeeld van een heet hangijzer dat we volledig politiek kunnen houden en waar we geen belediging bij nodig hebben. We hoeven geen enkele moslim op het hart te trappen als we zeggen dat godsdienstvrijheid en andere mensenrechten ons ernst zijn en wanneer we geldstromen vanuit het buitenland daarop controleren.

Onvrijheid is een politiek probleem. Ongelijke rechten van meerderheden en minderheden zijn een politiek probleem. Ongelijke rechten tussen mannen en vrouwen zijn een politiek probleem. Zolang we het politiek houden, kunnen politici zonder gevaar voor eigen leven zich sterk maken voor vrijheid.

 

Persoonlijke ontmoeting

In mijn Egyptische jaren heb ik er inmiddels heel wat politieke discussies op zitten. Over 11 september, over Israël, over Irak, Bush, Zarqawi en Osama Bin Laden, over godsdienstvrijheid. Meestal ging het goed, maar soms eindigde het ook in gehakketak. Ik heb ook heel wat theologische discussies gevoerd met taxichauffeurs. Als zij mij vertelden dat ik in drie goden geloof en dat Mohammed al in de Bijbel is aangekondigd, dan was ik natuurlijk geroepen om dat recht te zetten. Maar de beste herinneringen bewaar ik aan de gesprekken van hart tot hart. Dan lieten we Bin Laden, Bush, Sharon en de mogelijke vervalsing van de Bijbel er buiten.

 

Ik reed een keer mee met een taxichauffeur met een dikke baard, een serieuze moslim dus. We spraken over de Drie-eenheid en de menswording van God. Toen we bij ons huis waren, zette hij zijn auto stil en de motor af. Hij wilde weten hoe het zat. Hij keek me recht aan en vroeg me hoe dat dan toch kon, een Almachtige God aan een kruis. Ik heb hem proberen uit te leggen dat Gods komst vanuit de hemel naar de aarde Hem alleen maar groter maakte. En dat het kruis, Gods vrijwillige lijden, geen onmacht was, maar juist het zichtbare bewijs dat God van ons houdt. Hij vroeg me voor hem te bidden en dat heb ik gedaan. God weet wat dat uitgewerkt heeft. Dat soort ontmoetingen zijn de beste.

Ook ChristenUnie-vertegenwoordigers kunnen eigenlijk alleen maar het politieke gesprek op het scherp van de snede aangaan als ze niet ook persoonlijke contact met moslims hebben. Ik kan alleen maar hopen dat CU’ers (nog) meer uit hun comfort zone willen kruipen. Nog meer het contact zoeken met de Achmeds om hen heen. Om werkelijk samen te leven, om te streven naar vrede in ons land, om kennis te maken met de wereld van de islam, om moslims uit te dagen en om zelf uitgedaagd te worden.

Dat allemaal in het geloof dat God ook Achmed zo lief heeft dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat Achmed niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

 

 

Bron: Denkwijzer 2006 / september

 

Dit artikel is een verkorte versie van een lezing die Gert-Jan Segers 7 april 2006 hield voor Sensor. De lezing is in druk verschenen onder de titel Achmed en ik, hoe werkt de dialoog tussen christenen en moslims?.



[1] Naar mijn opvatting gaat het politieke gesprek naar ‘de eigen aard’ meer over publieke gerechtigheid dan over private geloofsopvattingen waar je al dan niet in kunt geloven. Zie bijvoorbeeld: A. Rouvoet, Reformatorische Staatsvisie, 1992.

[2] Maxime Rodinson, Muhammad, 2002, p. 213

[3] Vgl. Mattheus 13,30