Links, rechts en de vooruitgang

Recensie van

P. Kalma

“Links, Rechts en de Vooruitgang”

Amsterdam, 2004

382 blz.

Uitgevers: Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam en Mets & Schilt, Amsterdam

ISBN 90 5330 420 7.

Links, Rechts en de Vooruitgang

 

Door mr. drs. Martijn van Meppelen Scheppink, voorzitter van het Curatorium van het WI van de ChristenUnie.

 

In “Links, Rechts en de Vooruitgang” levert Paul Kalma een imposante bijdrage aan de inhoudelijke heroriëntatie van de PvdA na de dramatische verkiezingsnederlaag van deze partij in 2002 en het electorale herstel, dat zich vanaf 2003 heeft ingezet. De PvdA moet de  ‘Derde Weg’ vaarwel zeggen en teruggrijpen op de klassieke sociaal-democratische uitgangspunten, aldus Kalma, directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid.

 

Een verademing

“Links, Rechts en de Vooruitgang” is een verademing. In de eerste plaats omdat met dit boek een gedegen en inhoudelijke bijdrage wordt geleverd aan de bezinning op de vormgeving van de Nederlandse samenleving. Dat is een weldaad in een politiek klimaat, waarin helaas vooral “de poppetjes” centraal staan (neem alleen al de lijsttrekkerverkiezingen bij de VVD en D66) en het inhoudelijke debat teveel naar de achtergrond is verdwenen. In een Den Haag, waarin de waan van de dag regeert, is een boek als dat van Kalma meer dan welkom.

In de tweede plaats is het boek van Kalma een verademing omdat het ingaat tegen de stroom van politieke vervlakking en verzakelijking, waarin de ideologische tegenstellingen verdwijnen. “Wat valt er nog te kiezen?”, is de veelgehoorde verzuchting, nu het politieke landschap wordt gekenmerkt door het gevecht om het politieke midden en de grote politieke partijen meer en meer op elkaar gaan lijken. In “Links, Rechts en de Vooruitgang” maakt Kalma haarscherp duidelijk, dat de PvdA daar vooral niet aan mee moet doen. De PvdA moet een duidelijk en onderscheidend sociaal-democratisch geluid laten horen.

Ten slotte is dit boek een verademing omdat de inhoudelijke heroriëntatie, die Kalma na de zakelijke Paarse jaren onder Wim Kok en Ad Melkert voor de PvdA bepleit, mij als betrokken lid van de ChristenUnie aanspreken. De accenten die Kalma daarbij legt, doen mijn christelijk-sociale hart  beslist sneller kloppen. In een tijd van sociale kaalslag, individualisme en commercialisering komt de nadruk die Kalma legt op gerechtigheid en solidariteit als geroepen. Met de PvdA van Kalma zou het - als het voor de ChristenUnie zo ver zou komen na de volgende verkiezingen - prima regeren zijn.

 

Klassieke thema’s

In zijn boek stelt Kalma belangrijke thema’s aan de orde. Zo herontdekt hij de vrijheidsopvatting van de sociaal-democratie. Ten onrechte worden de sociale gerechtigheid van de sociaal-democratie en de individuele gelijkheid van het liberalisme tegen elkaar uitgespeeld. In de sociaal-democratie gaat het om een eerlijke verdeling van kansen, de maatschappelijke voorwaarden waaronder individuele vrijheid gedijt en de richting waarin de vrijheid wordt aangewend, aldus Kalma. Dus ook vrijheid, maar een andere vrijheid dan de rauwe individuele vrijheid van het liberalisme.

Vanzelfsprekend blijft “gelijkheid” de – zoals Kalma dat uitdrukt - ‘core business’ van de sociaal-democratie. Nu de ongelijkheid in de samenleving weer toeneemt, moet het gelijkheidsideaal in ere worden gehouden. Bij gelijkheid gaat het er niet om, dat mensen in alles gelijk moeten worden gemaakt, maar dat wordt voorkomen dat “de scheppende ongelijkheid van de mens, opgesloten in zijn uiterst veelvormige aanleg, overwoekerd wordt door remmende sociale ongelijkheid; door kunstmatige ongelijkheid”. Daarmee grijpt Kalma terug op het PvdA-rapport “De weg naar vrijheid” uit de jaren vijftig.

Een ander thema is “solidariteit”. Doordat de vrijheid en welvaart van de meeste mensen in Nederland is toegenomen en burgers in een sociale achterstandspositie een minderheid vormen, is dit begrip onder druk komen te staan. Anders dan voorheen kan solidariteit daardoor niet meer met een beroep op het eigenbelang (we kunnen immers allemaal werkloos en arbeidsongeschiktheid worden) worden georganiseerd. Meer dan vroeger vraagt hervorming van de samenleving volgens Kalma om “morele overtuigingskracht; om hervormers die de burgers, en dus ook hun eigen achterban, op gerechtigheid en solidariteit durven aanspreken”. Ik reik Kalma op dit punt als lid van de ChristenUnie graag de hand.

 

Verzet tegen commercialisering

Ook ten aanzien van een ander thema trek ik graag met Kalma op. Dat betreft zijn verzet tegen de commercialisering van het onderwijs en de gezondheidszorg. Commercialisering van deze basisvoorzieningen is in flagrante strijd met het belang van deze voorzieningen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van iedere burger en het welzijn van de samenleving. Marktwerking is – zo maakt Kalma duidelijk - echt niet het antwoord op alle vragen.

Natuurlijk is Kalma niet tegen financiële prikkels en verbetering van efficiency van publieke voorzieningen, maar de focus is bij hem toch vooral en terecht gericht op “hoogwaardige opleidingen; goed toegeruste scholen, ziekenhuizen en zorginstellingen; een door samenwerking en vertrouwen gekenmerkt werkklimaat; openheid ten opzichte van de gebruikers en vrijwilligers; een stimulerend overheidsbeleid.” Het streven daarnaar komt ernstig onder druk te staan als het onderscheid tussen publiek en privaat vervaagt en het consumentenbelang van de burger bepalend wordt. 

In het verlengde van zijn kritiek op het onbekommerde marktdenken doet Kalma een drietal aanbevelingen, zich daarbij vooral richtend op het onderwijs. In de eerste plaats: de terugkeer van de professionals. In het onderwijs moet de aandacht weer gericht worden op de onderwijzeres en de leraar. In de afgelopen jaren stond het management teveel centraal. Ten tweede: uit de bestuurskundige fuik. Daarmee bedoelt Kalma dat het in plaats van het bestuur en de procedures weer moet gaan om de doelstellingen en de inhoud van het onderwijs.

De derde aanbeveling van Kalma is de verdediging van het publieke domein. Terecht roept Kalma op tot verzet tegen de sluipende privatisering van het onderwijs. Zeker het basis- en voortgezet onderwijs moeten geheel buiten de commerciële sfeer blijven. In plaats van de schraalheid die gepaard gaat met begrippen als ‘vraagsturing’ en ‘afrekenen op resultaat’ moet de overheid garant staan voor hoogwaardig onderwijs met gemotiveerd en toegewijd personeel op goed toegeruste scholen met een evenwichtig pedagogisch klimaat.

 

Activerende verzorgingsstaat

Kalma signaleert terecht, dat de sociale zekerheid in Nederland door de hervormingen van de afgelopen jaren een meer activerend en verplichtend karakter kreeg. Onder het motto ‘werk boven inkomen’ was het beleid gericht op scholing en begeleiding van werklozen, ondersteund door subsidies en stimulerend economisch beleid. Kalma laat zien dat met dit beleid successen zijn geboekt en dat sociale bescherming een effectieve bestrijding van de werkloosheid niet in de weg hoeft te staan.

Kalma is van mening dat dit beleid voort moet worden gezet. Evenals de ChristenUnie levert Kalma kritiek op het huidige liberale kabinetsbeleid, dat onder het mom van ‘eigen verantwoordelijkheid’ Melkertbanen schrapt en de sociale zekerheid uitkleedt. Op die manier meent men de ‘eigen verantwoordelijkheid’ te prikkelen, maar het is de vraag of daarmee succes wordt geboekt. Kalma wijst er op dat gebrek aan scholing en arbeidservaring en een lage arbeidsproduktiviteit veelal grotere hindernissen zijn om aan werk te komen, dan een uitkering of onwil of gebrek aan motivatie van burgers. Met de publicatie van het WI van de ChristenUnie Over de Schutting van Roel Kuiper en Cors Visser (2005) zou ik daaraan toe willen voegen, dat het huidige vermogen van onze geïndividualiseerde samenleving om die ‘eigen verantwoordelijkheid’, waar het kabinet zich op beroept, waar te kunnen maken, niet overschat moet worden.

Terecht wijst Kalma er nog op, dat men zich dient te realiseren, dat behoorlijk toegankelijke uitkeringen de economische ontwikkeling juist kunnen stimuleren. “In een economie die steeds meer op flexibiliteit en mobiliteit is aangewezen, zijn uitkeringen die voor het overgrote deel van de werkenden toegankelijk zijn en die een behoorlijke omvang en looptijd hebben, een zegen”, aldus Kalma. Een waar woord lijkt me, dat in politiek Den Haag te weinig wordt gehoord. Uitkeringen maken niet alleen maar “lui” en “afhankelijk”, maar kunnen juist ook stimuleren werk of een andere baan te aanvaarden, ook als dat werk of die baan met de nodige risico’s (arbeidsongeschiktheid, werkloosheid) zijn omgeven.  

 

Burgers zijn veel meer dan kiezers

Verfrissend is ook hetgeen Kalma ten aanzien van het streven naar democratische vernieuwing naar voren brengt. Ik citeer de sociaal-democratische agenda van Kalma:

  • democratisering van de verschillende maatschappelijke sectoren, onder het aloude motto: ‘geen machtsuitoefening zonder verantwoordingsplicht en geen grotere machtsconcentratie dan voor de vervulling van de gestelde taken onmisbaar is (denk aan: Europa!, MvMS);
  • participatie van burgers en civil society in de vormgeving van het overheidsbeleid, om de kloof tussen beleidswerkelijkheid en maatschappelijke werkelijkheid te helpen verminderen;
  • versterking van de vitaliteit en invloed van de vertegenwoordigende democratie, die –lokaal, nationaal en Europees- terrein moet terugwinnen op een uitgedijd beleidssapparaat en haar controlerende en richtinggevende functies beter en zichtbaarder moet uitoefenen.

De agenda van Kalma staat haaks op het huidige streven naar ‘personalisering’ van de politiek. Daar horen ideeën over de invoering van een districtenstelsel, een gekozen premier en gekozen burgemeesters bij. Terecht stelt Kalma dat deze benadering de kloof tussen kiezer en gekozene niet dicht en niet tot meer reële betrokkenheid van burgers leidt  (burgers zijn meer dan kiezers) Door die ideeën worden belangrijke democratische tradities als collegiaal bestuur en evenredige vertegenwoordiging juist aangetast en de positie van politieke partijen verzwakt. Partijen moeten hun programmatische, oriënterende rol weer serieus nemen, in plaats van als aanhangsel van prominente politici te gaan fungeren.

 

Roeping sociaal-democratie

Prachtig is hetgeen Kalma ten slotte over de roeping van de sociaal-democratie schrijft. Met instemming citeer ik hetgeen Kalma op blz. 346 van zijn boek aangeeft:

“Terwijl rechts het vooruitgangs- en Verlichtingsoptimisme omhelst, zou links het juist moeten temperen. Economie en technologie kunnen, zoals gebleken is, een grote bijdrage leveren aan vrijheid, welvaart en welzijn, maar ze hebben hun eigen schaduwzijden, bijvoorbeeld in de vorm van een breuk met oude leefvormen en gekoesterde tradities; en ze hebben, behalve het productiepotentieel, ook het destructiepotentieel in de wereld sterk doen toenemen. Technologische en economische vooruitgang leidt niet tot morele vooruitgang, achteruitgang is mogelijk. Tegenover de hybris waarop het geloof in technisch kunnen van de mens vaak uitloopt, zou bescheidenheid in de omgang met techniek en ten opzichte van de maakbaarheid van de samenleving als politieke deugd verdedigd moeten worden.”

Kalma ziet het als de blijvende roeping van de sociaal-democratie om het moderniseringsproces te beteugelen en in goede banen te leiden. Dat is een blijvende strijd. Refererend aan de voortdurende waarschuwing in ChristenUnie-kring tegen de “Babelcultuur” (Schuurman), kan ik Kalma hier van harte bijvallen. Hopelijk beklijft deze boodschap binnen de PvdA en gaat de PvdA ermee aan de slag.

 

Veel overheid

Ondanks veel herkenning en waardering toch een belangrijke kritische kanttekening bij het boek van Kalma. Die kritische kanttekening is, dat Kalma’s heroriëntatie op de klassieke sociaal-democratische waarden een groot beroep op en een grote rol voor de overheid met zich meebrengt. Het beroep dat Kalma op de overheid doet, is zo groot, dat het zicht op de verantwoordelijkheden van andere maatschappelijke verbanden verdwijnt. Heeft Kalma, ondanks zijn terechte scepsis over de maakbaarheid van de samenleving, toch niet een te groot vertrouwen in het sturende vermogen van de overheid?

Natuurlijk speelt de overheid een belangrijke administrerende en regisserende rol in de moderne maatschappij van vandaag. Een simpele terugkeer naar een “nachtwakersstaat”, waarin de overheid zich beperkt tot ordehandhaver is niet mogelijk. Zoals Roel Kuiper in de WI-publicatie “Dienstbare Overheid” terecht constateert, kan de overheid niet -zoals liberalen dat willen- zomaar voor een geheel andere rolopvatting kiezen. Daarvoor is de erfenis van de verzorgingsstaat te groot. Tegelijkertijd is de benadering van Kalma, waarin een groot beroep op de overheid wordt gedaan ook geen oplossing. Terecht constateert Roel Kuiper in de zojuist genoemde publicatie dat centralisatie en etatisme de samenleving in een verlammende greep hebben gehouden en kunnen blijven houden.

Kenmerkend voor de christelijk-staatkundige benadering is altijd geweest, dat naast de overheid ook de samenleving zelf een belangrijke rol speelt. Mensen dragen een eigen verantwoordelijkheid voor de samenleving en moeten daarin ook gestimuleerd worden. Naast de overheid zijn er tal van maatschappelijke verbanden die voor de samenleving van groot belang zijn (gezinnen, kerken, bedrijven, scholen etc.). Terecht constateert Kuiper, dat het zicht daarop in de tijd van de verzorgingsstaat goeddeels verloren is gegaan. Tegelijkertijd geldt volgens hem, dat “de schade die toen ontstaan is niet kan worden goedgemaakt door een rigoureus terugtredende overheid”.

Een nieuw besef van sociale verantwoordelijkheden is nodig. Dat is - en daar ben ik het weer volledig met Kalma eens - niet hetzelfde als lukraak privatiseren en verzelfstandigen. Met Kalma zou ik echter tegelijkertijd het gesprek willen aangaan over de vraag hoe een nieuwe  verantwoordelijke samenleving kan worden opgebouwd en hoe burgers dicht bij huis betrokken kunnen worden bij onderlinge zorg en betrokkenheid. Dat streven mis ik bij Kalma. Het lijkt me een uitdaging om te onderzoeken in hoeverre op dit punt een brug kan worden geslagen tussen het christelijk-staatkundige denken en de klassieke sociaal-democratische waarden. Zeker gezien de herkenning die de oproep van Kalma tot beteugeling van het verlichtingsoptimisme en technicisme oproept.

 

Conclusie

Het boek van Kalma is lezenswaardig en van belang voor de ChristenUnie. Niet alleen omdat het een prachtige heroriëntatie op de klassieke sociaal-democratische waarden biedt en ten aanzien van veel thema’s herkenning oproept. Maar vooral ook omdat het een belangrijk handvat biedt voor de eigen bezinning binnen de ChristenUnie op sociaal-economisch terrein. Bij die bezinning kan het boek van Kalma een belangrijke rol spelen, al was het maar als onderzoeksagenda. Daarnaast kan het boek ons helpen om ons te realiseren waar we in de politieke arena van heden ten dage bondgenoten van de ChristenUnie vinden.