Islamitisch onderwijs: bijzonder en gewoon

Islamitisch onderwijs: bijzonder en gewoon

 

Door drs. Remmelt de Boer, oud-wethouder gemeente Kampen en daarvoor o.a. voorzitter van de centrale directie van een hogeschool en lid van de Onderwijsraad

 

 

Islamitisch onderwijs is juridisch toegestaan in Nederland. Maar is het wel zo goed voor integratie? En ondermijnt het niet de democratische rechtsstaat? Onderzoek wijst uit dat het wel meevalt met de negatieve gevolgen van islamitisch onderwijs.   

 

 

Inleiding

Islamitische scholen staan de laatste tijd voortdurend in de aandacht. Dat geldt ook voor activiteiten die met dat onderwijs te maken hebben. Zo hebben recent, dat wil zeggen in juni 2006, de kamerleden Wilders (groep Wilders) en Lambrechts (D66) schriftelijke vragen gesteld aan onderwijsminister Van der Hoeven over reizen die islamitische scholen organiseerden naar Mekka. Uit de antwoorden van de minister blijkt dat deze reizen door ouders buiten de schooltijden zijn georganiseerd en vooral een religieuze insteek hebben. Van der Hoeven stelt daarbij onder andere terecht, dat het ouders vrij staat reizen voor hun kinderen te organiseren.[1] Gezien de insteek die dikwijls gekozen wordt, namelijk of islamitisch onderwijs wel de integratie van kinderen in de Nederlandse samenleving bevordert, is het zinvol na te gaan of dat onderwijs een reguliere plaats in het Nederlandse schoolstelsel toekomt. Deze vraag is overigens gemakkelijk uit te breiden naar bijvoorbeeld Joodse, gereformeerde, reformatorische en ook openbare scholen

 

Geschiedenis

Wat zijn Islamitische scholen eigenlijk? Allereerst willen we opmerken, dat islamitisch onderwijs niet van zeer recente datum is. Al in 1971 werd in Amsterdam de Bouschraschool geopend. Deze school werd in 1981 gesubsidieerd door de rijksoverheid. Aan het eind van de jaren ‘80 van de vorige eeuw nam het aantal islamitische scholen echter toe en gingen de scholen zich samen organiseren. In een aantal gemeenten stond het gemeentebestuur niet te trappelen om mee te werken aan de stichting van Islamitische scholen. In 1989 adviseerde de Onderwijsraad  aan de toenmalige staatssecretaris, mevrouw Ginjaar-Maas, over de stichting van islamitische basisscholen en ook over hindoe-scholen. De Onderwijsraad gaf aan, dat voor- en tegenstanders van dit onderwijs wijzen op de onderwijskundige en maatschappelijke gevolgen van deze scholen. “Vrijwel steeds staat echter één ding vast: artikel 23 van de Grondwet biedt de ruimte voor de stichting van de meer genoemde scholen. Mits en voor zover aan de eisen van de Wet op het basisonderwijs wordt voldaan, komen dergelijke scholen ook voor bekostiging in aanmerking.” De Onderwijsraad deelt dit standpunt, dat vervolgens ook door de staatssecretaris wordt overgenomen. De staatssecretaris sluit overigens niet uit, dat “op termijn aanzienlijke aantallen leerlingen scholen van deze signaturen zullen bezoeken”.[2] Op dit moment zijn er in ons land volgens opgave van de ISBO, de Islamitische Besturenorganisatie, 47 Islamitische scholen, namelijk 2 scholen voor voortgezet onderwijs en 45 scholen voor basisonderwijs. De scholen samen worden door plusminus 10.000 leerlingen bezocht.[3]

Uit onderzoek blijkt dat er overigens nog een flinke groep ouders is die overweegt hun kinderen naar Islamitische scholen te sturen. Toch kan gesteld worden, dat van het islamitische volksdeel in ons land nog steeds een gering aantal ouders hun kind naar een islamitische school stuurt.

 

Artikel 23 van de Grondwet

Bij de beoordeling van het recht op islamitisch onderwijs speelt artikel 23 van de Grondwet een centrale rol. Dat geldt trouwens voor heel het bijzonder onderwijs. Artikel 23 regelt de vrijheid van onderwijs. Als voldaan wordt aan de wettelijke regels hebben ouders de vrijheid om scholen te stichten en de inrichting ervan te bepalen. We hebben het over een recht van burgers tegenover de overheid. De vrijheid van onderwijs is te plaatsen in een rijtje met de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vergadering, het kiesrecht en nog meerdere vrijheden die burgers in onze democratie bezitten. Daarbij heeft artikel 23 een bijzondere structuur. De Onderwijsraad formuleert dat in 2002 als volgt: ’Het onderwijsartikel is door zijn wordingsgeschiedenis en zijn uitvoerigheid een complexe bepaling. Maar ook door zijn juridische structuur valt dit artikel op. Het bevat zowel sociale grondrechten  (aanspraken van de burger op overheidsactiviteiten) als klassieke grondrechten (vrijheids- of afweerrechten van de burger tegenover de overheid). Een dergelijke combinatie van legitieme verwachtingen over “overheidshanden uit de mouwen” en “overheidshanden thuis” vindt men in deze pregnante en uitgewerkte vorm niet bij de andere grondrechten.’[4]

Zeker nu de vrijheid van onderwijs in programma’s van sommige politieke partijen onder druk komt te staan is het goed voor de ChristenUnie deze vrijheid als een van de centrale grondrechten van de burger te verdedigen, ook al worden er inhoudelijke bezwaren ingebracht tegen islamitisch onderwijs.

 

Bezwaren tegen islamitische scholen

Naast de beperkingen die zowel artikel 23 van de Grondwet als de onderwijswetten aanbrengen (denk bijvoorbeeld aan het verplichte toezicht van de inspectie en de eisen die gesteld worden aan leerkrachten en aan het voldoen aan de kerndoelen) is de vrees aanwezig dat de groei van het aantal islamitische scholen een negatief effect zal hebben op met name  de sociale cohesie en de integratie van de kinderen die deze scholen bezoeken. Toen enkele jaren geleden de Binnenlandse Veiligheidsdienst (de huidige AIVD) met een rapport kwam, waarin gesproken werd over buitenlandse inmenging en tendensen die de integratie tegengaan bij een aantal islamitische scholen, werd daar terecht veel politieke aandacht aan besteed. Het kan immers niet zo zijn, dat met artikel 23 van de Grondwet in de hand schoolbesturen een verregaande vrijheid zouden hebben om activiteiten te ontplooien die gezagsondermijnend en antidemocratisch zijn.[5] Natuurlijk mogen scholen geen voedingsplaatsen zijn voor terrorisme of aanzetten tot geweld tegen onze maatschappij. CDA-fractieleider Verhagen stelde in 2005 dan ook terecht, dat moskeeën en islamitische scholen de waarden voor de rechtsstaat moeten erkennen. De overheid moet erop toezien dat religieuze instellingen zich aan de rechtsstaat “committeren”.[6]

De vraag is natuurlijk of dat op islamitische scholen niet ook het geval is.

 

Bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs

De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt regelmatig de stand van zaken bij de diverse scholen in ons land. De laatste jaren zijn de islamitische scholen in opdracht van minister Van der Hoeven nauwlettend gevolgd. Diverse rapporten zijn gepubliceerd. Het rapport Islamitische scholen nader onderzocht bevat een vervolgonderzoek, waarbij de inspectie zich met name richtte op de leergebieden, waarin mens- en wereldbeelden een rol spelen. Te denken is aan godsdienstonderwijs en wereldoriëntatie. De inspectie heeft lessen bezocht, methoden beoordeeld, bibliotheken bekeken en geanalyseerd. De conclusie is dat de islamitische scholen in meer of mindere mate de integratie van hun leerlingen bevorderen. De onderwijskansen van deze leerlingen zijn niet anders, soms zelfs beter, dan op scholen met een vergelijkbare leerlingenpopulatie. Er blijven verbeterpunten over, zoals het  professionaliseren van de besturen en verbetering van de didactiek van het godsdienstonderwijs.

Een andere belangrijke conclusie van de inspectie is de volgende: het onderwijs op islamitische scholen is nergens in strijd met de beginselen van de democratie.[7] Deze conclusie komt overeen met die van de Onderwijsraad. Deze stelt immers onder andere dat de vrees dat op islamitische scholen structureel gezagsondermijnend of fundamentalistisch onderwijs zou worden gegeven door BVD-onderzoek is ontkracht. Bovendien, aldus de raad, is de vrijheid van onderwijs, dus ook de vrijheid van richting, niet onbegrensd maar onderworpen aan de principes van de democratische rechtsstaat en algemene strafrechtelijke en burgerrechtelijke normen.[8]

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat islamitische scholen integratie van de leerlingen in de Nederlandse samenleving niet in de weg staan. De vrijheid die artikel 23 van de Grondwet als grondrecht biedt, maakt het terecht mogelijk dat er scholen van Islamitische signatuur kunnen worden opgericht. Deze scholen zullen moeten voldoen aan alle eisen die ook aan andere door de overheid bekostigde scholen worden gesteld. Dat geldt zowel voor de kwaliteit van de onderwijsgevenden, als voor de inhoud van het onderwijs. Daarvoor is het instrument van de Inspectie van het Onderwijs het geëigende middel. Dat de integratie van kinderen in de Nederlandse samenleving een belangrijk opvoedingsdoel is, mag duidelijk zijn. Overigens niet alleen bij islamitische scholen, maar bij alle door de overheid bekostigde scholen. Mocht het wel nodig zijn dat er aanvullende wet- en regelgeving komt om de cohesiebevorderende taak van het onderwijs te bevorderen, dan zal dat moeten gelden voor het totale basis- en voortgezet onderwijs in ons land. Juist op deze manier kan de gewaarborgde vrijheid van onderwijs het best tot zijn recht komen.

 

 



[1] Brief van Minister M.J.A. van der Hoeven aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met als onderwerp Vragen van het lid Wilders en Lambrechts, Den Haag 12 juni 2006.

 

[2] Brief van de Staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Zoetermeer 25 april 1989.

[3] Voor verder informatie zie: www.deisbo.nl. Een interessante site is ook die van de Stichting Primair Onderwijs op Islamitische Grondslag in Midden- en Oost-Nederland: www.simonscholen.nl. Ter vergelijking: het totaal aantal leerlingen op het (vrijgemaakt) gereformeerd basis- en voortgezet onderwijs, een kleine erkende richting binnen het Nederlandse onderwijsbestel, is te stellen op afgerond 30.000.

 

[4] Onderwijsraad, Vaste grond onder de voeten. Een verkenning inzake artikel 23 Grondwet, Den Haag, juni 2002, pag. 16.

 

[5] Uitgebreider: Onderwijsraad, a.w., par. 5.4.

 

[6] Aldus Verhagen in zijn bijdrage aan het boek “Hoe nu verder”, waarin tientallen schrijvers, politici en wetenschappers hun visie geven op de toekomst van Nederland na de moord op Theo van Gogh.

 

[7] Inspectie van het Onderwijs, Islamitische scholen nader onderzocht, oktober 2003.

 

[8] Onderwijsraad, a.w., pag. 97 en 98.