Indonesië: strijd om de ziel van de natie

Indonesië: strijd om de ziel van de natie

 

Door Reinier Koppelaar, ontwikkelingswerker voor De Verre Naasten in Indonesië

 

 

De vraag of het verbond tussen democratie en islam kan slagen is in Indonesië geen theoretische exercitie, maar een dagelijkse strijd. Een strijd die nog volop gaande is.

 

De grootste islamitische democratie

Het is niet zo lang geleden dat naar Indonesië werd gewezen als het bewijs dat islam en democratie goed kunnen samengaan, en daarmee ten voorbeeld werd gesteld aan de rest van de moslimwereld. In de opmaat naar de val van dictator Soeharto in 1998 speelden moslimgroeperingen namelijk een belangrijke rol. Het opmerkelijke was dat deze groepen democratische gezindheid combineerden met rechtlijnige interpretaties van de islam. En dat was niet zonder betekenis, gezien het feit dat Indonesië het grootste moslimland ter wereld is: er wonen 220 miljoen mensen, waarvan zo’n 90% de islam aanhangt. Met dit bevolkingsaantal is Indonesië na de Verenigde Staten en India tevens de grootste democratie ter wereld. De meerderheid van de Indonesische varianten van de islam – er bestaan ook hier vele stromingen - staat nog steeds bekend als gematigd, tolerant en open voor democratische hervormingen. Nergens ter wereld is onder moslimgeleerden zo’n belangstelling voor democratie aan de dag gelegd als hier.

 

Deuk in imago

Recent heeft het imago van de Indonesische islam als tolerant en democratisch gezind echter een deuk opgelopen. Met geweldsuitbarstingen, zoals de bomaanslagen in Jakarta en Bali, en hevige botsingen tussen moslims en christenen op de Molukken en Sulawesi, kreeg de islam in Indonesië een dreigender gezicht. Behalve terreur trokken binnenlandse politieke ontwikkelingen internationaal de aandacht: de bescherming van godsdienstige minderheden kwam in het gedrang door gedwongen sluiting van christelijke kerken en geweld tegen liberale islamitische organisaties. Momenteel woedt een nationale discussie over de zogenaamde anti-pornowet: de oorspronkelijke versie verbood niet alleen al te blote culturele uitingen, maar ook het kussen in het openbaar en teveel bloot vel op het strand. En in bepaalde delen van het uitgestrekte eilandenrijk, zoals het gepacificeerde Atjeh, zijn onderdelen van de sharia ingevoerd. Lokale bestuurders maken zo gebruik van de ingezette decentralisatiepolitiek om plaatselijk een islamitisch regime in te voeren, compleet met het verplicht dragen van hoofddoekjes in het openbare leven. En internationaal speelde Indonesië recent een bedenkelijk spel door op het moment dat de hele wereld druk uitoefent op Iran om zijn nucleaire programma te staken, een overeenkomst over samenwerking op het gebied van kerntechnologie te sluiten met dat land!

 

Strijd om de ziel

Vandaag de dag is een strijd om de ziel van de natie gaande in Indonesië. In grote lijnen is dat een strijd tussen nationalisten en islamisten. De nationalisten – onder wie heel veel gematigde moslims - willen dat de Indonesische republiek de multi-religieuze staat blijft die het sinds de oprichting in 1945 is geworden. De huidige grondwet en staatsideologie (de Pancasila) garanderen de vrijheid van godsdienst, al is die beperkt tot zes officieel erkende godsdiensten die de Enige God[1] erkennen. De islamisten daarentegen willen dat Indonesië een islamstaat wordt, waarin de islam de enige grondslag voor de staat vormt.

Deze strijd om de ziel van de natie heeft al gewoed vanaf de oprichting van de republiek, maar ging onder het bewind van Soeharto ondergronds. De aanhangers van een islamstaat (voorheen verenigd in de Masjumi-partij) verloren hun politieke invloed en  fundamentalistische gewelddadige splinterbewegingen werden hardhandig onderdrukt. Hun aanhangers trokken zich terug uit de politiek, maar begonnen een missionaire campagne voor de verbreiding van de strikte interpretatie van de islam onder het volk. Eén van de vehikels van deze beweging, de DDII[2], schrok er daarbij niet voor terug om het geloofsvuur onder de laagopgeleide stedelijke onderklassen op te stoken door te waarschuwen voor de Amerikaans-Zionistisch-Chinees[3]-seculier-liberaal geïnspireerde samenzwering om Indonesië te ‘christianiseren’ (kristenisasi).

Sinds de jaren tachtig kreeg deze beweging weer meer politieke invloed, onder meer doordat Soeharto in die tijd op zoek was naar uitbreiding van zijn politieke steun. Ook binnen het leger, een machtige factor in het Indonesische politieke leven, bleek een vleugel te bestaan van legerleiders die een grotere invloed van de islam op de staat wensten na te streven.

 

Toenemende invloed islamisten

Na de val van Soeharto in 1998 overheersten echter de nationalistische en democratisch gezinde krachten het politieke toneel. Daarbij voerden de twee grootste moslimbewegingen van het land de boventoon: dat zijn Nahdlatul Ulama (NU), die onder leiding staat van Abdurahman Wahid (die ook heel even president werd) en de Muhammadiya, lang onder leiding van Amien Rais. Vanwege de grote invloed van deze gematigde organisaties lijkt de kans dat Indonesië alsnog veranderd van een democratie in een islamitische staat niet groot.

Toch lijkt het er vandaag de dag op dat in het schimmenspel, dat het Indonesische openbare leven kenmerkt, de invloed van de islamisten in kracht is toegenomen. Opvallend is bijvoorbeeld het uitblijven van een krachtige reactie van de autoriteiten op het optreden van de FPI[4], een radicale islamitische groep die straatgeweld niet schuwt en verantwoordelijk is voor de meeste kerksluitingen op Java. Ook manipuleert de groep rechtszaken tegen christenen door massaal op de tribune de rechter te intimideren. Al is hun optreden in flagrante strijd met de rechtsstaat, een adequaat antwoord van autoriteiten blijft uit. Teleurstellend was ook de recente strafvermindering voor de veroordeelden van de Bali-bombing, alsmede de vrijlating van Abu Bakar Ba’ashi, aangemerkt als brein achter de aanslagen. Het lijkt erop dat lokale en nationale politici afwachten tot duidelijk wordt welke kant de wind uitwaait: wordt het Indonesië van na de Reformasi een vrije democratie waar religieuze minderheden beschermd worden, of één waar in feite één godsdienst in het openbare leven de dienst uitmaakt? Ook de rechtstreeks, dus democratisch, gekozen president Susilo Bambang Yudhoyono, hult zich in stilzwijgen omtrent deze kwestie. Vermoedelijk doet hij dat omdat hij de kwetsbare eenheid van de natie wil bewaren. Tegelijk is het bekend dat hij op de nationalistische lijn zit, en een gematigde islam voorstaat. Het valt te hopen dat hij tijdig leiderschap zal tonen, zodat Indonesië inderdaad een lichtend voorbeeld voor de moslimwereld kan worden.

 

Conclusie

De kans dat de republiek Indonesië, 61 jaar na haar stichting, verandert in een islamstaat is niet groot. Maar of Indonesië inderdaad het voorbeeld wordt van een geslaagde combinatie van democratie en islam, is nog een open vraag.



[1] Dat met dit monotheïstisch beginsel flexibel wordt omgegaan blijkt wel uit het feit dat behalve Islam, Katholicisme en Protestantisme ook het Hindoeïsme, Boeddhisme en het Confucianisme zijn toegestaan.

[2] Dewan Dakwah Islamiyah Indonesia = Indonesische islamitische raad voor geloofsverbreiding

[3] De Chinezen domineren als ethnische minderheid feitelijk het economisch leven. Bovendien zijn velen van hen Katholiek. Vandaar het op één hoop gooien van Chinezen, Amerikanen en christenen. En Joden zijn in de ogen van fanatieke islamieten de natuurlijke vijand vanwege de ‘bezetting’ van Palestina.

[4] Fron Pembela Islam = Verdedigingsfront voor de islam