Het nieuwe islamitische geweld

HET NIEUWE ISLAMITISCHE GEWELD

 

Door dr mr Maurits S. Berger, senior research fellow Instituut Clingendael

 

Er bestaat met name in het westen de neiging om de hedendaagse djihad te vereenzelvigen met alle vormen van modern ‘islamitisch geweld’. Dat verdient nuancering.

 

Ten eerste is er een verschil tussen geweld gepleegd door moslims, en geweld dat wordt gepleegd in naam van de islam. De meeste Palestijnen die in de zestiger en zeventiger jaren terroristische acties uitvoerden tegen Israël waren moslim, maar hun strijd werd gevoerd in naam van nationaal verzet. Religie, en islam in het bijzonder, speelde in deze strijd geen rol. Dat blijkt ook uit het feit dat een van de meest gezochte Palestijnse terroristen, George Habbash, een christen was. Ook revoluties, zoals die van Egypte (1952), Irak (1958) en Syrië (1963) werden gepleegd door moslims, maar in naam van nationalisme en socialisme.

            Het is pas sinds de tachtiger jaren dat de islam als een motivator en rechtvaardiging wordt gebruikt voor gewelddadige acties als verzet en revolutie. Dat deze omslag in deze periode is gekomen is niet zo verwonderlijk: juist het einde van de zeventiger jaren en het begin van de tachtiger is het moment geweest dat islamitisch activisme aan populariteit won en van invloed werd op alle maatschappelijke en politieke terreinen. Ook het geweld werd voorzien van een islamitische ideologie. Dit wordt vaak gemakshalve samengevat onder de noemer ‘islamitisch terrorisme’, maar daar past de tweede en belangrijkste nuancering. Door islamitisch militante groeperingen worden namelijk verschillende soorten doelen nagestreefd. De twee belangijkste daarvan zijn de omverwerping van het eigen regime, en verzet tegen een buitenlandse bezetter. Inmiddels is daar ook een ander doel bijgekomen dat we zouden kunnen samenvatten als de verdediging van de islam. Dat verschilt met de eerste twee doordat het veel minder concreet is, en bovendien een verontrustend internationale dimensie heeft gekregen. In dit artikel zullen de kenmerken van deze drie uitingen van islamitisch geweld besproken worden.

 

1. Omverwerping van eigen overheid

Het omverwerpen van het eigen regime gebeurt door een coup of een revolutie. Militaire coups met een islamitische ideologie zijn gepleegd in Pakistan (1977) en Sudan (1983). Een ‘islamitische’ revolutie heeft alleen plaatsgevonden in Iran (1979). Afghanistan onder de Taliban (1994-2001) en de huidige gebeurtenissen in Somalië zijn van weer een andere orde: daar was noch sprake van een militaire coup, noch van een revolutie, maar eerder van een tussenstand in een al jarenlang voortslepende burgeroorlog.

De Iraanse revolutie verdient nadere aandacht, al was het maar omdat zij de inspiratie is geweest voor vele islamitische bewegingen. De vergelijking met de andere twee grote revoluties, de Franse en de Russische, dringt zich hierbij op. Ook daar was een krachtige ideologie nodig om de breed gedragen onvrede over een despotisch regime gecombineerd met een algehele politieke, economische en sociale crisis, te bundelen. In Iran bleek de islam het beste bindmiddel te vormen voor de revolutionaire krachten, ofschoon niet alle revolutionairen de denkbeelden van Khomeini deelden. Maar Khomeini appelleerde wel aan de grote massa door te hameren op de typisch shi’itische beleving van de islam die zich verzet tegen onderdrukkers en ontfermt over de armen en misdeelden. Dit, en allerlei andere omstandigheden, maakte de situatie in Iran uniek. En ofschoon de regimes van veel omliggende moslimlanden lange tijd bevreesd zijn geweest dat de revolutie naar hun landen zou overslaan, is het zeer de vraag of de omstandigheden bij hen voldoende voedingsbodem leverden voor een volksopstand zoals deze in Iran heeft plaatsgevonden.

            Wel hebben enkele van deze landen, zoals Egypte of Algerije, en later ook Saudi-Arabië, te maken gekregen met kleine groeperingen die door aanslagen trachten de regimes van die landen te destabiliseren. De ideologie en omstandigheden van deze groepen zijn echter anders dan die van Iran. De islamitisch-terroristische organisaties richten zich niet alleen tegen het regime, maar tegen de maatschappij als geheel die in hun ogen alleen door geweld teruggevoerd kan worden naar de islam. Zij ontberen daardoor het brede draagvlak zoals de revolutionaire beweging in Iran die had, al was het maar omdat zij hun aanslagen ook richten tegen mede-burgers en mede-moslims. Ook hun ideologie is anders dan die van Khomeini. Khomeini’s slogans als ‘de Islam komt voort uit de massa’s en niet de rijken’, en ‘de Profeet waardeert het zweet van de arbeider meer dan het bloed van de martelaar’ maakte de islam in Iran tot een ideologie waarin klassenstrijd een belangrijke rol speelde.

 

2. Nationaal verzet

De meest voorkomende vorm van islamitisch geweld is de militante islam tegen een buitenlandse bezettingsmacht. Het bekende voorbeeld is dat van de mudjahideen (letterlijk ‘djihad-voerders’, maar in de de jaren ‘80 en ‘90 in het westen bekend als vrijheidstrijders) in Afghanistan die vanaf de Sovjetinval in 1979 tot de terugtrekking in 1989 tegen de Sovjettroepen hebben gevochten. De islam was ook de bron van inspiratie voor de Hizbollah in Libanon, dat vanaf 1983 tot 2000 tegen de Israëlische bezettingsmacht in Zuid-Libanon vocht[1], en Hamas, dat vanaf 1989 de verzetsrol tegen Israël overnam van de PLO. Inmiddels hebben ook guerillabewegingen in landen als Rusland (Tjetjenië) en India en Pakistan (Kashmir) de islamitische mantel omgeslagen.

Overigens staan zij niet altijd alleen in hun strijd tegen de buitenlandse bezetter - andere organisaties met afwijkende ideologieën voeren dezelfde strijd vaak al veel langer. De ideologie van islamitisch verzet won echter enorm aan populariteit door zijn succes: de Sovjet-Unie trok zich in 1989 terug uit Afghanistan, en Israël in 2000 uit Libanon. Of dit werkelijk het gevolg is van deze verzetsbewegingen doet op zichzelf niet ter zake. Van belang is dat zij dat zelf zo ervaarden, wat een euforisch gevoel teweeg bracht van de David die Goliath kan verslaan - mits hij maar in naam van de islam vecht. Hetzelfde geloof geeft de islamitische militanten het vertrouwen dat zij ook de andere militaire supermacht, Amerika, uit Irak zullen verjagen.

            Met dat uitgangspunt worden met terugwerkende kracht de eerdere verliezen van Arabische landen verklaard, met name het traumatische en onverwachte verlies van de gezamenlijke Arabische strijdkrachten van Egypte, Jordanië en Syrië tegen Israël in de Zesdaagse Oorlog van 1967. In de optiek van de militante moslims was dit verlies het rechtstreekse gevolg van het onislamitische karakter van de Arabische staten die slechts gedreven werden door de perverse ideologie van socialisme en nationalisme. De overwinning van het piepkleine staatje Israël, daarentegen, was volgens deze moslims het logische uitvloeisel van het religieuze karakter van Israël.

            De nationale verzetsorganisaties die uit deze ideologie zijn voortgekomen hebben twee kenmerken. Ten eerste zijn hun doelen gebonden aan nationale grenzen: het gaat hun om de bevrijding van ‘hun’ land, niet om allerlei wereldwijde of abstract-ideologische aspiraties. Ten tweede zijn zij naast een militaire organisatie vooral ook een civiele organisatie: het welzijn van hun eigen volk staat voorop, en zij zijn vaak degenen die zorg dragen voor allerlei basisvoorzieningen, zoals gezondheidszorg, scholing, pensioenen en ziekteuitkeringen, welke door de bezetting zijn komen weg te vallen. Dit geeft deze organisaties bij de bevolking niet alleen populariteit, maar vooral ook een enorme legitimiteit.

 

3. Verdediging van de islam

Heel anders dan de nationaal-georiënteerde islamitische militante bewegingen zijn de groeperingen die de verdediging van de islam als centrale doelstelling hebben. Dit hangt samen met de ideologie die met name door Al Qaeda bekendheid heeft gekregen. Diens leider, de Saudiër Osama ben Laden, verzorgde lange tijd de opleiding van de Arabische recruten die samen met tienduizenden andere jonge internationale mudjahideen naar Afghanistan trokken om mee te doen aan de djihad. Geleidelijk ontwikkelde hij zich ook als ideoloog voor een nieuwe vorm van djihad, waarbij hij wordt gedreven door zijn verwijt aan de moslimwereld – en hij lijkt zich dan vooral tot de Arabische wereld te richten – dat zij on-islamitisch is. Hij voert daarvoor twee redenen aan: de regimes van deze landen voldoen niet aan de islamitische eisen van goed bestuur, en zij laten zich gebruiken als stromannen voor de imperialistische politiek van het westen (met name de Verenigde Staten) in de regio.

            Ofschoon Ben Ladens terroristische methoden door de meeste moslims worden afgekeurd, delen zij wel zijn kritiek op de Arabische regimes. Als men namelijk de recente geschiedenis van westerse politieke en militaire interventies van de afgelopen eeuw in het Midden-Oosten op een rijtje zet, ontstaat makkelijk het beeld van een agressief en cynisch westers schaakspel in de regio, dat er in de optiek van veel Arabieren als volgt uitziet: nagenoeg alle Arabische landen zijn in de negentiende en twintigste eeuw bezet geweest door het westen, dat na zijn terugtrekking halverwege de twintigste eeuw niet alleen een eigen enclave heeft achtergelaten in de vorm van Israël (dat zelf de agressieve koloniale uitbreidingspolitiek voortzet), maar herhaaldelijk militaire interventies heeft uitgevoerd. In de ogen van Ben Laden en veel moslims zijn de Amerikaanse troepen die zijn achtergebleven in Saudi-Arabië na de Golfoorlog van 1991, en de Amerikaanse invallen in Afghanistan in 2001 en in Irak in 2003, duidelijke aanwijzingen van een westerse veroveringstocht van moslimgebied. Ook de beslissing om een westerse (want VN) militaire interventie te laten plaatsvinden in Darfur, het westelijk gebied van Sudan, wordt in dat licht gezien. Gemakshalve wordt er dan wel aan voorbij gegaan dat de oorzaak voor dergelijk militair optreden juist het Arabisch of islamitisch despotisme zou kunnen zijn.

            De feiten over westerse gedragingen mogen op zichzelf juist zijn, maar worden vaak in een eenzijdig perspectief gezet waarbij alle schuld bij het westen komt te liggen. Veel moslims, en met name Arabieren, voelen zich een speelbal van westerse krachten, en beschouwen zichzelf als machteloze slachtoffers die al het slechte dat hen overkomt toeschrijven aan het grote kwaad dat buiten hen ligt. Dit nu is het doelwit van Ben Ladens djihad tegen het westen. Daarbij lijkt hij vooral door wraak gedreven te worden: ‘Waarom zou angst, dood, verderf, verdrijving, verwezing en weduwschap alleen ons lot zijn, terwijl veiligheid, stabiliteit en geluk jullie lot is? Dat is niet eerlijk. Het wordt tijd dat dit gelijk wordt getrokken. Jullie zullen gedood worden net zoals jullie doden, en jullie zullen gebombardeerd worden net zoals jullie bombarderen’, verklaarde hij in november 2002. Deze wraak is niet uitsluitend tegen het westen gericht, maar ook tegen alle moslims die zich op een of andere wijze met het westen inlaten. Dit blijkt vooral in Irak, waar Osama heeft verklaard dat alle moslims die de Amerikanen op een of andere wijze helpen, ‘afvalligen zijn en zich daarmee buiten de gemeenschap der moslims plaatsen; het is [volgens de islam] toegestaan om hun bloed te laten vloeien en hun bezittingen af te nemen’.

 

Samenloop van islamitisch geweld: Irak als illustratie

Hoe de hiervoor beschreven vormen van islamitisch geweld kunnen samenlopen blijkt uit de situatie in Irak. Daar is namelijk zowel het nationale Irakese verzet actief als de internationale djihad. Het nationale Irakese verzet richt zich tegen de buitenlandse bezetter, Amerika en Engeland. Enkele groeperingen zijn bovendien bezig om het land te destabiliseren om zo de Irakese overheid uit te schakelen en de weg te bereiden voor een theocratisch systeem (waarvan overigens volstrekt onduidelijk is hoe dat er uit zou moeten zien).

De derde groep, de internationale mudjahideen komen, net als in de tijd van Afghanistan, uit alle delen van de wereld naar Irak om te vechten tegen de Amerikanen. Zij vechten echter niet voor Irak, maar voor de islam. Het verschil met het nationaal verzet blijkt ook al uit het enkele feit dat de nationaliteit van de mudjahideen niet relevant is: zij zijn moslims, hun enige relatie is met God en hun medemoslims, en hun enige doel is de islam te verdedigen en als een martelaar te sterven fi sabil Allah, ‘voor de zaak van God’. In de woorden van Ben Laden tot zijn strijders: ‘U moet uw goede intenties laten zien. Dat betekent dat u alleen voor de zaak van God vecht, en niet voor die van etnische groeperingen, of on-islamitische regeringen van Arabische landen, inclusief Irak zelf’.

            De strijd in Irak is in de visie van de internationale djihad de strijd van ware moslims tegen het kwaad, en iedereen die zich met het kwaad inlaat. De Amerikanen vertegenwoordigen het kwaad – niet omdat zij Amerikaan zijn, maar omdat zij de bezetter zijn. En dat geldt volgens deze militante visie ook voor iedere moslim of Irakees, militair of burger, die zich op een of andere wijze met de Amerikanen inlaat. De internationale mudjahideen hebben daarom minder moeite dan het Irakese nationale verzet met grootschalig geweld dat ook levens van onschuldige Irakezen kan kosten: hadden zij maar niet in de buurt van de Amerikanen moeten komen.

 

Tot slot

Vanuit deze optiek gezien is de strijd ter verdediging van de islam een internationale strijd, want zij vindt overal ter wereld plaats waar de militante moslim vindt dat de islam bedreigd wordt. De interpretatie daarvan wordt overigens steeds meer opgerekt, en daardoor ongrijpbaar. De vermeende bedreiging hoeft bijvoorbeeld niet alleen militaire vormen aan te nemen. De belediging van de islam door de Nederlandse filmmaker en columnist van Gogh was reden voor een Nederlandse moslim om hem te vermoorden. Moordaanslagen met soortgelijke motieven hadden ook al plaatsgevonden op schrijvers in Egypte. En ook wordt de kring van degenen die verantwoordelijk worden gehouden voor de dreiging steeds ruimer uitgelegd. Aanslagen worden bijvoorbeeld niet alleen gepleegd tegen westerse militairen in Irak, maar ook tegen burgers in Madrid en Londen omdat hun regeringen deze militairen hebben gestuurd. Bij de aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania en de aanslag van 11 september moesten Amerikaanse burgers (en veel niet-Amerikanen) boeten voor het buitenlandbeleid van hun regering. Soms is niet geheel duidelijk waar de terroristen zich nu tegen richten. Zijn de aanslagen op toeristen in Egypte en Indonesië tegen de aanwezigheid van de toeristen zelf gericht, of dienden zij slechts als een macaber signaal naar de eigen regering dat zij zich niet zoveel moeten inlaten met het westen? Juist deze schimmigheid als het gaat om doelwitten en doelstellingen onderscheidt het nationale islamitisch geweld van zijn internationale evenknie.

 

 

Dit artikel is een bewerking van een hoofdstuk uit het recent verschenen boek van Maurits Berger, Sharia. Islam tussen recht en politiek (Boom Uitgeverij, 2006).

 

 



[1] Na zes jaar van een gespannen vrede tussen Israël en Hizbollah, trachtte Israël in de zomer van 2006 met hevige bombardementen een eind te maken aan de militaire aanwezigheid van Hizbollah in Libanon. Een staakt-het-vuren kwam slechts tot stand toen partijen zich hadden gecommitteerd aan een Resolutie van de VN Veiligheidsraad waarin onder meer werd gesproken over een sterke internationale troepenmacht aan de Israelisch-Libanese grens, en de ontwapening van Hizbollah.