Dynamiek in islamitisch activisme

Dynamiek in islamitisch activisme

 

Door Geert Jan Spijker

 

 

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) haalt de laatste jaren flink de publiciteit. Eerst met rapporten over waarden en normen en recent weer met publicaties over de islam. Met name over Dynamiek in islamitisch activisme was veel te doen. Dat rapport zoekt naar ‘aanknopingspunten voor democratisering en verbetering van mensenrechten’.

 

Drie niveaus van onderzoek

De achtergrond van het rapport is het toenemende islamitisch activisme de laatste decennia. Hiermee bedoelt de WRR de groeiende betekenis van de islam als politieke factor. Niet zelden heeft dit activisme geleid tot geweld, zoals we weten. Is er echter meer te vertellen over dit islamitisch activisme dan de gewelddadige tendensen? Zijn er misschien mogelijkheden om de islam te verenigen met de westerse democratische rechtsstaat? Met deze vraagstelling kiest de Raad voor een constructieve aanpak. De nadruk ligt op de kansen die er zijn. Dat verdient lof. We zijn meer gebaat met een rapport dat de mogelijkheden onder ogen ziet dan een waarin alleen bedreigingen worden geconstateerd en waarin verschillen worden uitvergroot. 

De verhouding tussen islamitisch activisme en democratie en mensenrechten is onderzocht op drie niveaus: denken, bewegingen en recht.

 

1. Het islamitisch-politieke denken

Veel islamitische denkers verzetten zich tegen principes die essentieel zijn voor de democratische rechtsstaat. We moeten hierbij denken aan de scheiding van kerk en staat, de godsdienstvrijheid en de democratie. Toch zijn er naast deze beeldbepalende opvattingen ook andere geluiden te horen. Steeds meer denkers keren zich tegen het letterlijk interpreteren van de aloude islamitische bronnen. Deze vernieuwende denkers – met “grote potentiële relevantie” - gaan op zoek naar de geest van die bronnen. Theoretisch gezien is het dus niet onmogelijk islam en democratie in een staat te combineren. “Het vóórkomen van denkers die juist een positieve relatie leggen tussen islam, democratie en mensenrechten weerlegt die vermeende principiële onverenigbaarheid.”(p.54) Beleid in westerse landen zou zich erop moeten richten dit te stimuleren. Hiermee is echter zeker niet gezegd dat er al op korte termijn beleidssuccessen geboekt zullen worden...

 

2. Islamitische-politieke bewegingen

Ook op dit meer praktische niveau valt een grote verscheidenheid en dynamiek te zien. De bestaande terroristische groeperingen zijn uiteraard een bedreiging voor democratie en mensenrechten. Maar zij zijn niet de enige bewegingen (al halen zij wel het meest de media). Er zijn talloze maatschappelijke organisaties in moslimlanden die op andere manieren invloed proberen uit te oefenen en politieke stelsels proberen te veranderen. Zeker als deze bewegingen zich gaan oriënteren op het politieke domein valt er een tendens tot matiging en politiek pragmatisme waar te nemen. Ook hier liggen dus kansen. 

 

3.  Islamitisch recht

De sharia staat regelmatig in het nieuws. Maar wat er met ‘de sharia’ bedoeld wordt, is nogal onduidelijk. Dat blijkt uit andere artikelen in deze DenkWijzer, maar ook uit de WRR-publicatie. Er zijn per land grote verschillen in de op de sharia gebaseerde regels en ook in de toepassing ervan. Er staan soms erg zware straffen op bijvoorbeeld geloofsafval, geloofsverkondigingen door niet-moslims en onzedelijke culturele gedragingen. Ook kan er van een effectieve rechtsstaat vaak niet gesproken worden. Veel islamitische staten hebben plurale rechtssystemen waardoor de rechtszekerheid klein is. Toch is het rapport ook hier hoopvol. Het signaleert bijvoorbeeld een ontwikkeling in de richting van ‘islamitische mensenrechten’. Deze zijn niet ‘universeel’, zoals de westerse pretentie. Wel vindt een geleidelijke toenadering tussen beide soorten plaats. In Marokko bijvoorbeeld is de positie van de vrouw een stuk verbeterd onder de vlag van de sharia. Het westen zou meer oog moeten krijgen voor dit soort ontwikkelingen. Dan zou het niet meer louter vijandig (hoeven) staan ten opzichte van de islamitische wet in het bijzonder en de islamitische religie in het algemeen. 

 

Verscheidenheid en voorzichtigheid

Wat uit het rapport telkens weer naar voren komt, is de diversiteit van de islam. De islam bestaat niet, de sharia bestaat niet, etc. Uit die verscheidenheid probeert de Raad de lichtpuntjes en kansen aan te grijpen. Het is immers zinvoller om na te gaan onder welke omstandigheden en op welke plaatsen islamitisch activisme kansen creëert. Op een heel voorzichtige manier – met veel formuleringen als ‘er zijn nog veel onzekerheden’ en ‘op korte termijn moeten we nog niet te veel verwachten’ – wijst ze Europese staten op de kansen die benut moeten worden. De WRR pleit nadrukkelijk voor een actieve en vooral een constructieve opstelling van Nederland en de EU-lidstaten. Zij moeten bijvoorbeeld islamitische bewegingen in moslimlanden niet langer op voorhand uitsluiten als mogelijke gesprekspartners.

Het westen moet de islam ook onderkennen als potentieel constructieve factor voor de ontwikkeling van moslimlanden: verandering van democratie en recht moet primair van binnenuit komen en het westen kan bepaalde ontwikkelingen ondersteunen. 

Daarnaast moet het westen aansluiten bij processen in moslimlanden zelf. De westerse wereld moet dus niet de ‘definitiemacht’ aan zichzelf toekennen waar het gaat om democratie en mensenrechten. Dat werkt contraproductief. Serieuze hervormingen verdienen steun, ook als ze plaatsvinden in termen van het islamitisch vertoog en in de context van de sharia (zie het eerdere voorbeeld over Marokko).  

 

De WRR kiest dus de weg van de hoop. Is die weg realistisch of eerder naïef? De auteurs van het rapport zijn zich er wel degelijk van bewust dat het ook anders kan uitpakken. Tegelijk willen ze wel bekijken of er mogelijkheden tot verbetering zijn. Maar van “politieke windows of opportunity voor het oplossen van de grote conflicten is vooralsnog geen sprake.”(p.161)

 

Commentaar

Het WRR heeft een interessant en onmiskenbaar constructief rapport gepubliceerd. Uiteraard zijn er vragen bij te stellen. Het rapport juicht bijvoorbeeld een ondogmatische islam toe. Een islam waarin op niet-letterlijke wijze met koran en andere bronnen wordt omgegaan verdient veruit de voorkeur. Dit is ergens begrijpelijk, maar noopt ook tot voorzichtigheid. Mag een nationale overheid zich bemoeien met het ‘verlichten’ van religie? Hoe hard mag een overheid meewerken aan een Europese islam? Het gevaar bestaat dat daarin bijvoorbeeld op liberale wijze wordt gehamerd op religie als privé-zaak. De prominente islamitische denker Tariq Ramadan heeft dat goed begrepen (p.184). Volgens hem moet de islam juist in de Europese publieke ruimte tot wasdom komen. Daar moeten moslims leren omgaan met pluraliteit en dialoog. Moslims moeten daarnaast hun zelfdefinitie als minderheid verlaten. Als ze dat doen dan verlaten ze namelijk ook de buitensluiting van de omringende samenleving. Moslims moeten het Westen niet zien als vijand, maar als thuis.  

 

Daarnaast is het voor niet-moslims van belang, dat ze proberen te ontkomen aan het vormen en bekritiseren van een al te gemakkelijke pamflet-islam. Tegen de tendens tot sjabloondenken levert het WRR-rapport een mooie bijdrage. Mede door de kennisbasis in de samenleving te verbreden en ook de positieve aspecten van de islam te zien kunnen we een mogelijk negatieve spiraalwerking doorbreken.

Dit is echter geen gemakkelijke weg. Zeker nu onder niet-moslims een bijna net zo grote verscheidenheid bestaat als onder moslims. Niet iedereen stond te juichen toen het WRR-rapport verscheen. Afshin Ellian bijvoorbeeld vond het rapport een politiek pamflet (‘Politieke charlatanerie’, NRC Handelsblad 16 april 2006). Ook anderen betwijfelen of we hoopvol moeten zijn. De islam kent geen scheiding tussen wereldlijk en seculier recht, geen godsdienstvrijheid, etc. De meerderheid van de moslims in Nederland steunt dan nu wel de democratische rechtsorde, maar is die steun niet slechts voorwaardelijk? Wordt de sharia straks ingevoerd als moslims ooit in de meerderheid zijn in Nederland? Dan komt misschien de ware aard van de islam naar voren en komt de bescherming van minderheden op de tocht te staan.

 

Slot

Het probleem blijft inderdaad staan dat de Islam geen lange traditie heeft in het doordenken van de verhouding van de islam tot een seculiere omgeving. Maar alleen door er op deze manier aan te werken, komen we echt verder. Het is duidelijk dat we nog een lange weg te gaan hebben, maar de WRR heeft zinvolle bijdrage geleverd.