Voedselethiek vraagt om landbouwethiek

Voedselethiek vraagt om landbouwethiek[1]

 

Door Henk Jochemsen, directeur van het Prof.dr. G.A. Lindeboom Instituut

 

 

Aandacht voor een bepaald thema in de samenleving betekent meestal dat op dat punt een probleem ervaren wordt. Op het eerste gezicht lijkt het dan ook opmerkelijk dat de laatste jaren veel over voedsel geschreven en gedebatteerd wordt, en er zelfs een nieuwe specialisatie van ethiek is opgekomen, de voedselethiek. Voedsel is in ons deel van de wereld immers geen probleem? Er is genoeg en er is veel keuze. Maar bij nader inzien doen zich met betrekking tot voedsel en landbouw op een viertal punten vragen voor, namelijk met betrekking tot voedselveiligheid, voedselgezondheid, voedselproductie en voedselzekerheid. Ik ga op elk ervan kort in.

 

In de eerste plaats zijn er in de landbouw problemen geweest waarbij voedselveiligheid nadrukkelijk aan de orde was. We kunnen denken aan vlees van BSE-besmette runderen dat voor mensen gevaarlijk zou kunnen zijn (Creuzfeldt Jacob) en aan gevallen waar in het diervoedsel gevaarlijke stoffen werden gevonden die een potentiële bedreiging vormden voor de volksgezondheid. Verder de steeds terugkerende berichten over salmonella besmetting.

In de tweede plaats wordt steeds duidelijker dat voor de rijke landen niet een voedseltekort maar een teveel aan bepaalde soorten voedsel een bedreiging vormt voor de volksgezondheid. Obesitas met in het kielzog ondermeer diabetes en hart- en vaatziekten dreigt epidemische vormen aan te nemen.

In de derde plaats is er meer aandacht gekomen voor de wijze waarop wij ons voedsel produceren. De ‘ruimingen’ van de afgelopen jaren van runderen, varkens en kippen wegens ziekten, en de enorme media-aandacht daarvoor, zullen daaraan hebben bijgedragen. Maar ook de discussies over genetische manipulatie van planten en dieren en over genetisch gemodificeerd voedsel. Kortom, in deze derde vorm van aandacht voor voedselkwaliteit staan bepaalde waarden centraal die in de productie van het voedsel gehonoreerd worden, of juist niet. Waarden als rentmeesterschap, ambachtelijkheid, duurzaamheid, dier- en boervriendelijkheid etc. En hiermee hebben we het over de landbouw.[2] Overigens staat de landbouw ook niet los van de andere twee vormen van voedselkwaliteit, te weten voedselveiligheid en voedsel en levensstijl.

Het vierde probleem ten aanzien van voedsel en landbouw is de voedselzekerheid; dit is de keerzijde van de kans dat voedseltekorten optreden door rampen als droogte en plagen als insecten en ziekten van gewassen. Ook dit is een aspect van duurzame landbouw.

 

Er is dus alle reden om in een bezinning op voedsel en voedselkwaliteit ook aandacht te geven aan de kwaliteit van de landbouw. Daarbij zal in deze bijdrage de aandacht vooral uitgaan naar het derde probleem, de waarden die in de voedselproductie gestalte krijgen. (Dit heeft relaties met de drie andere problemen, maar de ruimte ontbreekt daarop nader in te gaan).

Maar eerst zal ik kort ingaan op de plaats en de betekenis van voedsel voor de mens.

 

Mens en schepping

De betekenis van voedsel voor de mens hangt nauw samen met de speciale positie van de mens in het geheel van de schepping. Terwijl alle andere (biologisch) levende wezens zijn geschapen naar hun aard heeft God de mens geschapen naar Zijn beeld. Dit houdt onder meer in dat de mens een speciale verantwoordelijkheid heeft in het bebouwen en bewaren van de schepping (Gen 2:15).[3] In tegenstelling tot aan de ene kant de dieren en aan de andere de engelen, is de mens het enige wezen dat in zijn eigen bestaan behoort tot de stoffelijke zowel als de geestelijke wereld. Doordat de mens –geschapen als man en vrouw- deel heeft aan beide werelden, is hij in beginsel op unieke wijze in staat gesteld de stoffelijke wereld te verbinden met de geestelijke en zo de schepselen tot hun bestemming te brengen. Dit komt naar voren in het geven van namen aan de dieren (Gen 2:18-20).

 

Voedsel

Een van de manieren waarop de mens, ook al in het paradijs, in zijn bestaan direct met de stoffelijke schepping is verbonden, is het gebruik van voedsel. Wij zijn gewend om over voeding te denken als een geheel van voedingsstoffen als eiwitten, koolhydraten, vetten en verder vitaminen en mineralen e.d. In elk geval bevat voedsel stoffen die ons lichaam nodig heeft voor energie en groei. Dit is op zichzelf juist, maar zegt niet alles. Een christelijk verstaan van de werkelijkheid is minder eenzijdig stoffelijk en chemisch. De werkelijkheid wordt in stand gehouden door God als de Schepper en Onderhouder. Hij draagt alle dingen, Hij schenkt het leven (vgl. Ps. 104). De materiële wereld staat niet op zichzelf, maar is verbonden met en ontvangt haar bestaan vanuit de geestelijke werkelijkheid (Hebr. 1:2). Dit geldt ook voor het voedsel dat is afgeleid van de levende natuur. Het bevat als het ware nog de levenskracht die God als Schepper in de levende wezens heeft gelegd. Eten betekent in de bijbel zich verbinden met, in zich opnemen. Het wordt ook in symbolische zin gebruikt voor iets geestelijk tot zich nemen. Paulus duidt het eten van manna en het drinken uit de rots door het volk Israël in de woestijn als een geestelijke verbondenheid met de Christus (1 Cor. 10:1-5). Denk verder aan het boekje dat Johannes opat (Openbaring 10:8-11), en aan het Avondmaal waarin een letterlijk tot zich nemen van brood en wijn verbonden wordt met het geestelijk ‘eten en drinken’ van het vlees en bloed van de Here Jezus (Joh. 6:32-59). En bij dit alles gaat het mijns inziens om meer dan alleen maar ‘bij wijze van spreken’ (vgl. ook 1 Cor. 10:14-22). In dit verstaan van mens en schepping geeft voedsel de mens niet alleen bepaalde moleculen op zichzelf, maar daarin tevens een verbondenheid met de schepping inclusief de geestelijke kant daarvan.  Zo is eten ook verbinding met die dragende geestelijke werkelijkheid. Kortom, eten is meer dan moleculen tot zich nemen, het is omgang met de geschapen – en gevallen - werkelijkheid zoals God die onderhoudt en draagt.

Misschien is dit voor sommigen een wat vreemde benadering. Om misverstanden te voorkomen, voeg ik eraan toe dat ik bepaald niet terug wil naar een soort van magische interpretatie van de werkelijkheid, waarin de mens probeert de geestelijke wereld ten eigen bate te manipuleren. Ik probeer een geestelijk verstaan van de werkelijkheid te verwoorden waarvan het magische een pervertering is die op negatieve wijze naar dat geestelijke verstaan verwijst (die is er namelijk de vooronderstelling van). 

 

Voedsel en landbouw

In het licht van deze opvatting van leven en voedsel zal duidelijk zijn dat het niet om het even is hoe we dat voedsel produceren. De Schrift laat zien dat het ingaan tegen Gods normen niet alleen ongerechtigheid is voor God, maar altijd ook kwalijke gevolgen heeft voor het menselijke leven en samenleven. Het ligt daarom voor de hand dat voedsel dat geproduceerd wordt op een wijze die geen recht doet aan Gods normen voor de schepping ook aan kwaliteit inboet, en dit ook in heel concrete zin van gezondheid voor mensen.

Tegen deze achtergrond wil ik nu proberen iets naar voren te brengen van die normen van God voor voedselproductie in de landbouw. En dan niet als ‘losse’ normen maar als een visie op de landbouw als praktijk. Daarbij ga ik uit van de gedachte dat niet alleen voor de fysieke wereld maar ook voor de sociale werkelijkheid bepaalde normen gelden. De sociale werkelijkheid is maar niet een volledig willekeurig historisch gegroeid, sociaal geconstrueerd geheel van verbanden, organisaties en instituties. Daarin manifesteert zich op enigerlei wijze een geheel van normen (normativiteit) die voor die werkelijkheid geldt, omdat God die werkelijkheid op een bepaalde manier, volgens een bepaalde ordening gemaakt heeft.[4] Op positieve wijze toont zich dat waar het leven opbloeit omdat men die normen honoreert, bijvoorbeeld in huwelijk en gezin. Op negatieve wijze blijkt dat waar mensen die normen juist overtreden, bijvoorbeeld in de verstoringen die optreden als een bedrijf financiële winst als enig doel en norm hanteert. Hier zij overigens aan toegevoegd dat die normativiteit die voor een bepaald sociaal verband geldt niet zomaar is af te lezen, noch uit de bijbel (al geeft die wel onmisbare aanwijzingen), noch uit de sociale werkelijkheid. Dit vereist persoonlijke en gemeenschappelijke studie, bezinning en Geestelijke leiding en het resultaat blijft feilbaar mensenwerk.

Wat ik nu in het vervolg van deze bijdrage wil doen, is de normativiteit van de landbouw op het spoor komen.

 

Hoe het niet moet

We zagen dat normen zich op negatieve wijze tonen in de problemen die opduiken als mensen zich daar niet aan houden. Ook bestudering van de problemen van de huidige reguliere landbouw kan dus helpen om de normativiteit die voor de landbouw geldt in het vizier te krijgen. Wat zijn die problemen en wat zijn de achterliggende normatieve keuzes?[5]

Kenmerken van de moderne reguliere landbouw zijn mechanisatie, rationalisatie, schaalvergroting, intensivering en specialisatie. Gevolgen zijn: een sterke verlaging van de prijzen van landbouwproducten (in termen van koopkracht), zowel voor de boer als voor de consument, overproductie in sommige delen van de wereld, milieuproblematiek (vermesting, verspreiding gifstoffen door bestrijding van plagen) en verlies van maatschappelijk draagvlak voor bepaalde dieronvriendelijke productiemethoden (als legbatterijen en kistkalveren) en afwenteling van kosten op boer, milieu en ontwikkelingslanden. Overigens wordt al vele jaren gewerkt aan het tegengaan van deze problemen, deels ook met succes. Toch blijven er geweldige spanningen bestaan tussen rendabel boeren en ethisch verantwoord boeren.

Welke opvatting over de werkelijkheid en welke ethische waarden vormen de achtergrond van deze ontwikkeling?[6] Het is een opvatting

waarin de werkelijkheid vooral gezien wordt als een geheel van grondstoffen en energieën, die we kunnen gebruiken naar ons inzicht en voor ons nut. Dus een nuttigheidsdenken waarin de dingen geen waarde en betekenis hebben afgezien van hun nut voor ons als mensen en van de waarde die wij als mensen, die de samenleving, eraan wil toekennen. Hiermee samen hangt een materialistische opvatting van levende organismen als ingewikkelde machines die wij via ingrepen ‘beter’ kunnen laten functioneren, dit wil zeggen, meer van gewenste producten kunnen laten voorbrengen.

Terzijde zij opgemerkt dat de genetische manipulatie van gewassen en dieren in feite op dit waardepatroon voortborduurt. Dit betekent mijns inziens dat die techniek mogelijk wel bepaalde nadelige consequenties van de huidige landbouw kan verminderen, maar dat die op zichzelf geen werkelijk ethisch-verantwoorde en duurzame landbouw zal brengen.[7]

Een cultuurhistorische en ethische wortel van de problemen in de landbouw wordt dus gevormd door een werkelijkheidsopvatting waarin de bruikbaarheid en het nut voor de mens het dominante perspectief is. Dit wijst erop dat in een ethisch verantwoorde landbouw ook meer oog dient te bestaan voor de eigenheid van de schepselen en de begrensde draagkracht van de natuurlijke omgeving. In een genormeerde landbouw zal daarvoor duidelijk wel plaats zijn. Van een dergelijk genormeerde landbouw geef ik nu een schets zonder, vanwege het bestek van dit artikel, ieder element hiervan expliciet te verantwoorden.

 

Primair proces

Het agrarisch bedrijf kan worden gezien als een vervlechting van een primair proces en een institutioneel kader.

Het primaire proces in het agrarische bedrijf is landbouw in engere zin. Dit betreft de omgang met de levende natuur, gericht op het voortbrengen, zoals de Engelsen dat dan kort zeggen ‘food and fiber’: voor de mens essentiële levensvoorwaarden. ‘Fiber’ heeft dan betrekking op materialen als katoen, wol, vlas en zijde die belangrijke grondstoffen zijn voor kleding en andere toepassingen. (Aan de agrarische productie van biomassa ten behoeve van brandstof voor verbrandingsmotoren ga ik nu voorbij. Dat zou qua product verder afstaan van de mens dan ‘food and fiber’, maar niet qua gebruik van de levende natuur als productiemiddel). Tegelijk met dat agrarisch productieproces is de boer ook bezig met het beheer en de inrichting van ‘de groene ruimte’. Deze kan naast of in de plaats van die agrarische productie ook andere doeleinden dienen bijvoorbeeld recreatie, instandhouding van een bepaald natuurlijk milieu een bepaalde biodiversiteit. Omdat het hierbij gaat om de natuurlijke leefomgeving van mensen is het niet om het even hoe die ‘groene ruimte’ wordt beheerd.

Vanwege deze karakteristieken van het primaire proces van de landbouw dient mijns inziens ‘zorg’ als de centrale ethische waarde ervan gezien worden. Onder ‘zorg’ versta ik in dit verband die ethische overtuiging dat het schepsel ook een eigen, van menselijk nut onafhankelijke waarde heeft, waaraan recht gedaan dient te worden. Dit sluit gebruik van het schepsel allerminst uit, maar vraagt wel een genormeerd gebruik.

Technieken die in dit primaire proces gebruikt worden, moeten dan ook niet alleen, of eenzijdig productiegestuurd, maar ook zorggestuurd ingezet worden. In termen van de deugdenethiek kunnen we ook zeggen dat zich in dat primaire proces met name deugden als respect (voor het schepsel), geduld, volharding, aandachtigheid, inventiviteit en gevoel voor timing, gestalte dienen te krijgen.

 

Institutioneel kader

Het primaire proces (het voortbrengen van ‘food and fiber’) is vervlochten met een institutioneel kader.

Dit betreft de juridische en bedrijfsmatige kant van de agrarische praktijk. Dan gaat het over eigendom en leningen, pacht, prijzen voor producten, over quota en vergunningen, over concurrentie en internationale regelingen en verhoudingen, over het feit dat het bedrijf ook een inkomen moet opleveren voor de boer en zijn gezin. Dan hebben we het ook over de wettelijke vereisten voor omgang met dier en gewas en over de economische eis van rentabiliteit. En dat is warempel geen eenvoudige zaak voor de boeren van vandaag. Zoals gezegd: een deel van de kosten van onze goedkope agrarische producten wordt afgewenteld op de boerenstand en op de natuur. Daarin manifesteert zich een ethische spanning van onze hedendaagse landbouw. Maar dit institutionele kader heeft in de agrarische praktijk een legitieme plaats. Belangrijke deugden in dit verband zijn rechtvaardigheid (typisch ook een deugd en een waarde voor het publieke bestuur), zorgvuldigheid, doelmatigheid en ondernemingschap.

Van groot belang is nu de verhouding tussen het primaire proces van de landbouw en dit institutionele kader. Mijns inziens moet uitgegaan worden van het primaire proces en dient het institutionele kader dat primaire proces met zijn eigen normativiteit waarin ‘zorg’ centraal staat, te faciliteren en niet te exploiteren. Een manier om de ontwikkelingen in de landbouw van de laatste decennia te beschrijven is dat het primaire proces meer en meer is geëxploiteerd, door de waarden die in het institutionele kader centraal staan, prioriteit te geven. Hier ligt natuurlijk ook een belangrijke taak voor de overheden op allerlei niveaus, zeker ook op Europees niveau.

 

Zorgethisch-verantwoorde landbouw

Wat betekent een dergelijke ‘zorgethische’ benadering van de landbouw nu voor een normatieve visie op het agrarisch bedrijf waarmee het landbouwbeleid zou moeten rekenen? Ik formuleer slechts kort enkele hoofdkenmerken.[8]

a) Het agrarisch bedrijf wordt gezien als een samenhangend systeem, met gewas en bodem als subsystemen, met een natuurlijke, begrensde ‘draagkracht’;

b) Voor de bevordering van groei en bestrijding van plagen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van biologische en  agronomische methoden (gemengde teelt, wisselteelt, symbiosen, biologische bestrijding etc.).

c) In het beleid en de bedrijfsvoering wordt optimaal rekening gehouden met lokale agronomische omstandigheden; dit in tegenstelling tot de ‘industriële’ landbouw die juist standaardisering van dieren, gewassen en bedrijfsvoering vraagt;

d) De boer met zijn kennis van de lokale situatie en zijn bedrijf vormt het uitgangspunt van het beleid;

e) De agrarische sector handhaaft dan wel bevordert de biodiversiteit en bodemkwaliteit;

f) Het (internationale) beleid geeft prioriteit aan regionale (soms nationale grenzen overschrijdend) voedselproductie, boven grootschalige verbouw voor export.

 

Deze kenmerken vereisen natuurlijk nadere uitwerking voordat ze in beleid vertaald kunnen worden. Zonder daarbij te vervallen in blauwdrukken die aan de diversiteit van situaties en praktijken geen recht kan doen. In de genoemde literatuur worden daartoe goede aanzetten gegeven. Doel van deze bijdrage  was duidelijk te maken dat een bezinning op voedselethiek niet heen kan om een bezinning op de voedselproductie en dat ethische normen hiervoor niet een willekeurig lijstje zijn van al dan niet politiek correcte wenselijkheden, maar samenhangen met elkaar en met de aard van het agrarische bedrijf. In een dergelijke bedrijfsvoering zullen naar mijn overtuiging ook de andere, in het begin genoemde problemen met betrekking tot voedselproductie, hanteerbaar worden.

 

 



[1] Dit artikel past in het project ‘Biotechnologie in de landbouw’ , een samenwerkingsproject van het Instituut voor CultuurEthiek, de wetenschappelijke instituten van het CDA, de SGP en de ChristenUnie, en het Christelijk Ecologisch Netwerk, dat financiële steun ontving van de Noaber foundation. 

[2] Aan de eveneens belangrijke tak van de visserij waar vergelijkbare problemen spelen, ga ik nu voorbij.

[3] Zie ook: H. Jochemsen. Scheppingsbeheer als eredienst. In: R.M.M. Berns (red). Om het beheer van de schepping. Marnix van St Aldegonde St., 1990, p.35-56.

[4] Zie hierover bijvoorbeeld A.M. Wolters. Schepping zonder grens. Amsterdam: Buijten en Schipperheijn, 1988.

[5] Hier slechts een korte schets; voor uitvoeriger bespreking zie C. van Bruchem. Landbouw van vooruitgangsstreven naar gerechtigheid. Marnix van St Aldegonde St., 1991; C. van Bruchem, C. Visser (red.) Boeren voor morgen. Landbouwbeleid en christelijke politiek. Mr. Groen van Prinsterer Stichting, 2004; zie ook G.C. van den Berg (eindred.) De boer als rentmeester. Gangbare, geïntegreerde en biologische landbouwmethoden in bijbels licht bezien. Groen, 1998.

[6] Zie hierover E. Schuurman. Geloven in wetenschap en techniek – hoop voor de toekomst. Reeks verantwoording dl. 15. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn, 1998.

[7] Zie hierover uitvoerig H. Jochemsen (red.) Toetsen en begrenzen. Groen van Prinsterer Stichting, 2000.

[8] Zie noot 3 en ook: D.J. Evans, R.J. Vos, K.P. Wright (Eds.) Biblical holism and agriculture. Cultivating our roots. Pasadena (Ca): William Carey Library, 2003, voor waardevolle inzichten in de normen die de landbouwsector zou moeten honoreren.