Voeding als brandstof, onbedorven natuur, cultuur en gesprek

Voeding als brandstof, onbedorven natuur, cultuur en gesprek.

De implicaties van voeding voor de filosofie

 

Door Michiel Korthals, Hoogleraar Toegepaste Filosofie, Wageningen Universiteit

 

 

Varkens en kippen die nauwelijks kunnen bewegen, grootschalige slachtingen van dieren bij dierziekten omdat dat goedkoper zou zijn, voortdurend schandalen over gezondheidsbedreigende stoffen zoals dioxine in het eten, en genetische modificatie van planten en dieren: dit zijn maar een paar van de grote ethische problemen die de moderne consumenten bestormen. Hierbij een poging de slechts langzaam op gang komende ethische reflectie aan te zwengelen.

 

Filosofische blindheid voor voeding

Voeding, eten en landbouw zijn de afgelopen 2500 jaar door de Westerse filosofie veronachtzaamd. In de Griekse oudheid, 2500 jaar geleden, vonden filosofen als Socrates, Plato en Aristoteles eten maar een onbelangrijk en oninteressant onderwerp. Socrates, één van de uitvinders van het woord symposium, letterlijk: drinkgelag, vond het lichaam een kerker, en meende dat mensen naar afsterving ervan moeten streven. Alleen varkens zouden van eten en drinken genieten. Socrates stelt in Phaidon: “Een filosoof verlost in tegenstelling tot andere mensen zijn ziel zoveel mogelijk van het contact met het lichaam” [i]. En verderop in deze dialoog beweert hij: “De filosofie neemt de ziel onder haar hoede en troost zachtjes en probeert te bevrijden van het lichaam door hem er op te wijzen dat het onderzoek via de ogen vol bedrog is, net als dat via de oren en de andere zintuigen” [ii]. Maar Socrates is ronduit hypocriet; want hij doet uitvoerig mee aan drink- en spreekgelagen van zijn vrienden en stond er om bekend dat hij alle anderen onderuit dronk.

Met de moderne tijd raakt die exclusieve gerichtheid op de geest en de verachting van het lichaam op de achtergrond, en zijn eten en landbouw oninteressant vanwege de gerichtheid van de filosofen op het kennen en veroveren van de natuur. Vanaf ongeveer 1600 ligt de nadruk op het veroverende kennen van natuurverschijnselen en het maken van blijvende dingen, zoals machines, huizen en bruggen. Landbouw en voedselproduktie leiden tot voedsel dat na het eten verdwijnt. De gerespecteerde filosofische tegenbeweging vanaf Rousseau verheerlijkt de wilde natuur, niet de bewerkte natuur. De drie conceptuele perspectieven tezamen, het veroverende kennen, het duurzame maken en de utopie van de wilde natuur, liggen er aan ten grondslag dat de meeste filosofen geen interesse hebben in zoiets ogenschijnlijk vluchtigs als landbouw en eten, zoiets onduidelijks als bewerkte natuur en zoiets futiels als het verzorgen en onderhouden van lichamen via koken en samen eten.

 

Dilemma’s van voeding

Niettemin, landbouw, voedselproduktie en de verzorging van mensen is een complex en moeilijk gebied, met allerlei uiterst urgente problemen, zoals een miljard hongerenden, evenveel mensen met overgewicht, milieuvernietiging, en uitbuiting van arme boeren; er wordt in dit gebied vreselijk huisgehouden. De articulatie van dit gebied vereist heel andere denkkaders dan de gebruikelijke in de filosofie en de ethiek. Niet de veroverende en beheersende mens en de wilde natuur staat hierbij voorop, maar de tuinman, die de natuur onderhoudt en wiedt. Uitgangspunt kan niet de eenzame mens zijn, maar de mens die voor anderen en zichzelf kookt. Ethisch uitgangspunt kan moeilijk de individuele autonome mens zijn die eenzaam op de markt zijn levensmiddelen kiest, maar de collectief autonome mens die met anderen ter verbetering van levenskwaliteit natuur en lichamen onderhoudt. De complexiteit van deze nieuwe filosofische en ethische uitgangspunten komt tot uitdrukking in de vele dilemma’s van voedselproduktie en consumptie die de afgelopen dertig jaar door allerlei maatschappelijke groeperingen ter sprake gebracht zijn gebracht

Een hele serie van dilemma’s rond voeding is verbonden met de thematiek van eten en gegeten worden. Opdat we kunnen eten en daarmee blijven voortbestaan, wordt het leven van veel levende wezens (planten en dieren) beëindigd; eten en doden hangen nauw en intrinsiek samen. Een niet eerder gepubliceerd gedicht van de Vlaamse dichter Iubré gebaseerd op het veertiende-eeuwse huishoudboek Tollemache Book of Secrets geeft dat mooi aan: 

 

Geweld in de keuken

snij de geschoten dieren in stukken

haal die kalkoen uit elkaar

pureer de fijngestampte appel fijn

duw die vis stevig door de gehaktmolen

breek de hertehaas in tweeën

rooster de paprika zwart

hak het achterste van de gans

sla die wilde eend mals

verbrijzel de pepers

snij de graten los van de voorn

verwijder de vleugels van de patrijs

steek het lemmet diep in de ossehaas

 

Met de eigenlijke productie van voeding hangen allerlei dilemma’s samen. Zo worden in verband met milieu- en gezondheidseffecten steeds hogere eisen aan voeding gesteld; daarmee zal voedsel in toenemende mate bewerkt moeten worden, terwijl anderzijds veel consumenten juist natuurlijk en onbewerkt voedsel verlangen. De bewerking van grondstoffen onder meer in verband met eisen van volksgezondheid betekent dat de verstedelijking van landbouw in fabrieken onvermijdelijk is en dat grondgebruik (zoals in de extensieve veehouderij) minder belangrijk wordt. Hierbij is dus een conflict tussen milieu- en volksgezondheidseisen en kwesties van esthetische waardering van het landschap. Vanuit milieuoogpunt kunnen varkens-, kippen- en koeienflats misschien positief zijn, vanuit het perspectief van landschappelijke schoonheid valt hier wel wat op af te dingen.

Ook rond moderne biotechnologie is er een groot aantal dilemma’s. Met behulp van moderne biotechnologie (genetische modificatie) kunnen gewassen en landbouwhuisdieren zo worden veranderd dat het milieu er ten zeerste door wordt verbeterd. Bijvoorbeeld koeien en varkens kunnen genetisch zo worden gemodificeerd dat het houden van deze dieren geen of veel minder milieuproblemen oplevert. Tegelijkertijd kunnen deze technieken het welzijn van de betreffende dieren aantasten en zien velen ze als een bedreiging van de intrinsieke waarde van dieren en planten. Voor al deze dilemma’s geldt dat ze knellend zijn, en dat ze een uitdaging vormen voor de voedselethiek om een oplossing te vinden, die nooit definitief zal zijn; er zullen altijd verliezende partijen zijn.

 

Voeding als brandstof, als onbedorven natuur, als cultuur en als gesprek

In de filosofie en ethiek van voeding zijn ten minste vier centrale benaderingen van deze dilemma’s in voedselethiek te onderscheiden, die ieder verschillende ethische problemen signaleren en verantwoordelijkheden toewijzen. Het zijn de liberale ethiek, de natuurethiek, de waardenethiek en de deliberatieve ethiek. Ze kunnen met vier respectievelijke metaforen worden aangegeven. In de eerste metafoor wordt voeding als brandstof gezien, in de tweede wordt voeding als iets natuurlijks opgevat, in de derde als culturele identiteit en in de vierde wordt voeding opgevat als verhaal en gesprek.

 

1. Voeding als brandstof. In de liberale ethiek wordt voeding gezien als een neutraal, instrumenteel goed, als middel tot leven en de voedselproduktie opgevat als auto- of bouwindustrie. De ethiek van John Rawls is de basis van deze opvatting, Volgens hem is rechtvaardigheid ‘fairness’, en het moet gelijke kansen garanderen voor iedere conceptie van het goede leven die de principes van rechtvaardigheid respecteert. De basisinstituties en het openbare beleid mogen geen enkele inhoudelijke opvatting van het goede leven (‘comprehensive doctrine of life’) bevoordelen [iii]. Primaire goederen behelzen niet een conceptie van het goede leven. Essentieel voor iedere burger van de maatschappij zijn de ‘social primary goods’ die iedereen nodig heeft, ongeacht de levensbeschouwelijke voorkeuren, zoals politiebescherming, onderwijs, en gezondheidszorg.Voeding is net als gezondheid neutraal goed, rechtvaardig te verdelen. Van belang zijn de kwantitatieve aspecten, zoals aantallen calorieën, hoeveelheden vitamines en mineralen. Moderne biotechnologie kan gezondmakende ingrediënten leveren [iv]. De culturele verschillen in voeding, zowel wat boerenstijlen als wat smaakstijlen betreft, worden onbelangrijk geacht. ‘Ik heb honger’ betekent zoiets als ‘Mijn benzinemeter staat op rood’; het is een constatering van een stand van zaken, een beschrijving van een feit. De ethische kwesties die in dit liberale perspectief ter sprake komen betreffen de rechtvaardige verdeling van voeding en van landbouwgronden, en of deze verdeling beter via markt of via overheid tot stand gebracht kan worden. Voeding dient in voldoende mate aanwezig te zijn, zodat de bevolking zich aan haar eigenlijke taken, zoals werken, slapen en genieten van vrije tijd, kan wijden. Het hongerprobleem is een probleem van te weinig produktie of slechte distributie, niet een probleem van de kwaliteit van de produktie. Deze liberale stijl is de dominante stijl van de Nederlandse overheid. Volgens de brochures van het voedingscentrum moet je tellen en wegen, en wordt over plezier en samen eten niet gerept. Ook in de nieuwere door de voedingsindustrie op gang gezette beweging van gezondheidsvoeding en functionele voeding staan de waarde ‘gezondheid’ en het tellen en wegen centraal[v] [vi]. Fastfood is het type voedsel dat hierbij het beste past.

2. Voeding als onbedorven natuur. Zoals al aangegeven, is het heersende paradigma van kennen en beheersen van de natuur niet onaangevochten gebleken. Vanaf Rousseau[vii] (circa 1750) is er in de filosofie een sterke onderstroom van verering van de natuur, van nadruk op de tekorten van de menselijke rede en van respect voor in de natuur zich afspelende processen. De natuur wordt in deze opvatting als goed en gezond gezien, en mensen moeten er vooral voor zorgen dat de natuur haar gang kan gaan[viii]. In de natuur- en milieuethiek is dit paradigma aangevuld met de opvatting van de mens als deelnemer aan de natuur in plaats van als heerser over de natuur. Biotechnologie en andere moderne innovaties zijn even zovele rampen[ix]. Deze stroming grijpt ook vaak terug op Nietzsche, die in zijn cultuurkritiek de Dionysische natuurverheerlijking stelt tegenover de Apollinische natuuronderdrukking[x]. Ethisch gezien ligt hierbij veel nadruk op individualistische waarden en het stileren van een natuurlijke individuele levensstijl. ‘Ik heb honger’ betekent dat jouw natuur zich laat horen: ‘je eet wat je bent’. Deze benadering komt men vaak tegen in de advertenties van de voedingsindustrie waarin ‘natuurlijk’ als gezond wordt aangeprezen. Biologische en biologisch-dynamische voeding staat het dichtst bij deze benadering.

3. Voeding als culturele identiteit. In deze benadering is voeding een essentieel cultureel goed, afhankelijk van de betreffende gemeenschap. De eigen culturele waarden, die terugverwijzen naar complexe historische processen, worden als enig juiste gezien. In veel culturen is deze benadering dominant. Rijst wordt bijvoorbeeld in Japan nog steeds zwaar gesubsidieerd, want het behoort tot de nationale identiteit, hoewel Japan allang niet meer een belangrijke rijstproducent is[xi]. De Franse en Italiaanse voedingsculturen hebben eveneens belangrijke elementen van deze benadering. De nadruk op traditie impliceert dat rekening wordt gehouden met de historisch verworven vaardigheden van boeren en hun kennis en inschatting van de mogelijkheden van de door hen bewerkte grond. ‘Ik heb honger’ betekent ‘we moeten samen eten’; er geldt: ‘je bent wat wij eten’ en wat je eet is afhankelijk van cultuur waarin je bent opgegroeid. De visie op het Goede Leven die in de gemeenschap heerst is dominant, en eventuele rechtvaardigheidsoverwegingen zijn daar aan ondergeschikt. Deze positie is dus het spiegelbeeld van de opvatting van John Rawls. Niet de rechtvaardige verdeling van het voedsel staat voorop, maar de kwaliteit: het goede voedsel, gedefinieerd door het cultureel bepaalde goede leven. Bij deze benadering past de kritiek op de druk van organisaties als World Trade Organisation ten gunste van bulkgewassen zoals maïs, graan en sojabonen, waardoor de historisch gegroeide teelt van plaatselijke gewassen wordt weggedrukt. Slowfood is een organisatie die zich wereldwijd inzet voor lokale productie.

4. Voeding als gesprek. Volgens de vierde, deliberatieve opvatting hebben alle voorafgaande benaderingen wel iets relevants te zeggen en dat is precies het probleem, want het maakt duidelijk dat voeding een betwist, multi-interpretabel goed is, dat door verschillende groepen boeren, producenten en consumenten afhankelijk van hun leefstijl volgens verschillende boeren- en voedingsstijlen wordt vormgegeven. De deliberatieve opvatting vertrekt bij het bestaan van verschillende onverzoenlijke opvattingen van wat goede voeding is, en probeert van daaruit vreedzame coëxistentie te bewerkstelligen[xii]. Deze benadering probeert recht te doen aan het idee van rechtvaardigheid uit de voeding-als-brandstof-benadering, ziet minder natuurlijke voeding of bewerkte voeding en technologie niet bij voorbaat als slechter dan de natuur (voeding als natuur), en houdt rekening met de verdringing van belangrijke lokale gewassen door de wereldmarkt (voeding als cultuur). De coëxistentie van voedingsstijlen dient zich af te spelen binnen een dynamisch raamwerk van standaards voor dierenwelzijn, fair trade, duurzaamheid, gezondheid, en toegankelijkheid[xiii]. De coëxistentie wordt teweeggebracht door deliberaties die kunnen gaan over meer technische kwesties tot politieke en kunstzinnige benaderingen. Van belang is het driedelige onderscheid tussen input, proces en output van een deliberatie. In de input gaat het om vragen als ‘ Wordt iedereen gehoord?’ (Recht op voice[xiv]), ‘Wie bepaalt de agenda?’. Bij het proces gaat het om vragen als ‘Gaat het er eerlijk aan toe?’, ‘ Is het proces transparant?’ en ‘Is de relevante informatie toegankelijk?’. Bij de output gelden vragen als: ‘Wordt het resultaat van de deliberatie inderdaad gebruikt door de partijen of bleef het een dode letter?’

            In de deliberatieve opvatting betekent: ‘Ik heb honger’, of ‘Ik heb zin in x’, niet een beschrijving van een stand van zaken in de werkelijkheid. Deze zin heeft een andere structuur dan: ‘Deze auto heeft geen benzine’ of ‘ Deze auto heeft diesel nodig’. Uiting geven aan honger, of aangeven dat men trek in x heeft, is niet het constateren van een defect, maar een toeschrijving van een toestand aan jezelf op basis van gekozen waarden en normen[xv]. Respect voor de voedselkeuze van iemand is de onmiddellijke implicatie van respect voor de betreffende persoon en impliceert zelf weer respect voor de betreffende voeding en boeren/produktiestijlen.

            Het impliceert dat honger niet dient te worden bestreden door puur en alleen produktieverhoging en distributieverbetering; de oorzaak van honger in de wereld is niet alleen de ongelijke verdeling, maar het feit dat door de bulkgewassen de lokale, beproefde gewassen worden verdreven. Honger is te wijten aan zowel agronomische als sociale en culturele factoren.

 

Conclusie

De drie ethische benaderingen, voeding als brandstof, als onbedorven natuur, en als cultuur hebben ieder een belangrijk punt, en daarom wil de vierde benadering, voeding als gesprek, daar constructief en kritisch op ingaan. Iedereen heeft belang bij veilig en gezond voedsel dat op een fatsoenlijke manier is geproduceerd, met respect voor plant, dier en mens. Dat is het gelijk van de eerste benadering, van voeding als brandstof en de liberale ethiek van Rawls. Maar de andere benaderingen vragen terecht aandacht voor de kwaliteit van voeding en de risico’s van bewerking. Geen van deze benaderingen richten zich expliciet op de mogelijkheden en onmogelijkheden van coëxistentie van leefstijlen. In dit essay heb ik daarom ten slotte een pleidooi gehouden voor een deliberatieve ethiek en politiek die de kwalitatief verschillende opvattingen over voedingsstijlen in vruchtbare dialoog bij elkaar brengt. Deze deliberatieve benadering heeft ook verreikende implicaties voor de ethiek en de filosofie in het algemeen, want de exclusieve nadruk op het denken, kennen en veroveren van de natuur is ontoereikend gebleken. Verzorging van lichamen door plezierig samen drinken en eten is evenzeer een grondtrek van het menselijk bestaan.

            De geschetste deliberatieve benadering biedt een vruchtbaar perspectief om het voedingsbeleid van de meeste Europese naties van de afgelopen decades kritisch te beschouwen. De algemene consensus over voeding uit de jaren vijftig over voeding als brandstof, die de huidige regels rond veiligheid en gezondheid bepaalt, blijkt immers zo langzamerhand slechts één opvatting te zijn, die andere opvattingen naast zich moet dulden, hoewel ze nog steeds dominant is in de voedingssector (overheid-, bedrijfsleven en consumentenorganisaties). Zeker, de Nederlandse overheid is in toenemende mate bezig haar voedselbeleid te wijzigen, en wil meer aandacht besteden aan andere vormen van landbouw en voedingsproductie. Mijns inziens zou ze onpartijdig dienen te zijn ten opzichte van bepaalde opvattingen rond voeding. Onpartijdigheid betekent hier iedere enigszins uitgekristalliseerde voedingsstijl gelegenheid geven tot toegang tot de markt, mits die zich houdt aan de wettelijk overeengekomen regels van veiligheid, gezondheid en aan morele waarden zoals dierenwelzijn, fair trade en milieu. Bovendien, als blijkt, dat bepaalde voedingsgewoonten en -stijlen nog niet zijn doorgedrongen in het voedingssysteem, maar wel kunnen rekenen op aanzienlijker aanhang dan gerepresenteerd in het voedselsysteem, dan is hier een achterstand (op basis van het recht op toegang), die met bepaalde voorkeursmaatregelen ongedaan kan worden gemaakt. Dit betekent niet een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel, want er zijn antidiscriminerende maatregelen mogelijk die de toegang tot markten van dergelijke voedingsstijlen vergemakkelijken en die bekendheid en afname regelen. Dit zijn maatregelen die juist dienen om gelijkheid tussen subculturen te bevorderen, in dit geval met betrekking tot het recht op entree op markten.

            Internationaal gezien impliceert deze opvatting dat honger niet bestreden dient te worden door puur en alleen produktieverhoging. De sterke nadruk op hogere opbrengsten houdt in, dat alleen kwantitatieve overwegingen tellen, en culturele, sociale en ecologische factoren buiten beschouwing blijven. Indien voeding en landbouw inderdaad niet-neutrale, cultureel en sociaal betwiste goederen zijn, dan dient wereldhonger niet te worden bestreden door produktieverhoging, maar door een breed palet van zowel agronomische als sociale en culture factoren, die zorgdragen voor versterking van de capaciteiten van lokale bevolkingsgroepen.

 



[i] Plato (2003), Sokrates’ leven en dood, Salamander, p. 196

[ii] Idem, op. cit, p. 229

[iii] Rawls, J. (1972). A Theory of Justice, Cambridge (Mass), Harvard University Press, p. 194

[iv] Miller, H., 1999, The Real Curse of Frankenfood, Nature Biology, vol. 17, Feb. 1999, p. 113

[v] Roberfroid, M. B. (2002), Functional Foods, British Journal of Nutrition, 87, 2, 139-143

[vi] Mepham, B. a.o. (1999). Novel Foods, London: Ethical Council

[vii] Rousseau, J.J. (1959). Oeuvres Completes, Paris: Gallimard/Pléiade

[viii] Curtin, Deane W. en Lisa M. Heldke (Eds.) (1992). Cooking, Eating, Thinking: Transformative Philosophies of Food, Bloomington: Indiana University Press

[ix] Kneen, B. (1999). Farmageddon. Food and the Culture of Biotechnology. Gabriola: New Society

[x] F. Nietzsche, Die Geburt der Tragödie, idem, Werke, 1973, Bd 1, Darmstadt, p. 24

[xi] Ohnuki-Tierney, E. (1993). Rice as Self, Princeton University Press

[xii] Habermas, J. (1992). Faktizität and Geltung. Beiträge zur Diskurstheorie des Rechts and des demokratischen Rechtsstaats, Frankfurt AM: Suhrkamp

[xiii] Korthals, M. (2006), Voor het eten, Meppel: Boom

[xiv] Hirschman, A.E. (1970). Exit, voice and loyalty. Responses to decline in Firms, Organizations, and States. Cambridge, MA: Harvard University Press

[xv] Korthals, M., 1993, Filosofie en intersubjectiviteit, Samson