Verschil moet er zijn

 

 

Verschil moet er zijn

 

Door Eimert van Middelkoop, lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie en tevens lid van het curatorium van het WI.

 

 

In de Grondwet van 1972 (artikel 4) was een fundamenteel beginsel van recht en bestuur geformuleerd, namelijk dat alle mensen gelijke aanspraak hebben op bescherming van persoon en goederen. Dat was een duidelijke opdracht aan de overheid. Burgers zijn voor de wet gelijk, maar de overheid kan zich geroepen weten zwakke burgers extra te helpen, zodat hun ongelijkheid in vergelijking met anderen wordt verzacht. Het was en is een constitutionele opvatting, die zich zeer wel verdraagt met de christelijke politieke moraliteit waarin de overheid een schild voor de zwakken moet zijn.

 

Doorgeschoten gelijkheidsdenken

Met de algehele grondwetsherziening van 1983 heeft het gelijkheidsbeginsel een veel meer doctrinaire formulering gekregen. Het befaamde en beruchte artikel 1 poneert nu dat burgers in gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat discriminatie op een aantal gronden (godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook) niet is toegestaan. Het eerste lid, gelijke behandeling in gelijke gevallen, trapt een open deur in zonder aan te geven welke criteria mogen gelden om vast te stellen wat gelijkheid in concreto is.

Lastig was ook dat de regering destijds geen definitie kon geven van het begrip ‘discriminatie’ uit het tweede lid. In de politieke werkelijkheid van de jaren daarna kwam het er in feite op neer dat de inhoud van het discriminatiebegrip werd bepaald door wat een maatschappelijke meerderheid ervan vond en nog vaker wat een zich emanciperende en luid klagende minderheid ervan vond. De felle discussies in de jaren ’70 over de reikwijdte van artikel 1 Grondwet mondde uit in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), waarin een gelijkheidsethos aan de samenleving werd voorgehouden of op straffe van verlies aan subsidie werd opgelegd. Het was geen aangename discussie, zeker niet voor de christelijke politieke en maatschappelijke actie, die voortdurend werd geconfronteerd met de vraag of het wel geoorloofd mocht zijn dat – karikaturaal – een homoseksuele onderwijzer op de School met den Bijbel op grond van zijn praxis mocht worden ontslagen. In dat debat kwamen verschillende zaken samen. Allereerst het gelijkheidsbeginsel, maar vervolgens ook de agressie van feministen en homogroepen, die hun gewenste normaliteit van de daken schreeuwden en tenslotte een toen nog venijnig secularisatieproces. De AWGB werd ook nog eens opgesierd met een Commissie Gelijke Behandeling, “een one issue-organisatie met monomane trekken”.

 

Verschil moet er zijn

Deze formulering ontleen ik aan een nogal opzienbarend rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur, de adviesraad van de regering voor vraagstukken van openbaar bestuur en de democratische rechtsstaat, getiteld Verschil moet er zijn. Er is onmiskenbaar enige moed voor nodig om kritiek uit te oefenen op de vorm waarin het gelijkheidsbeginsel is gegoten. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook hier Pim Fortuyn enig pionierswerk heeft verricht met zijn radicale pleidooi artikel 1 Grondwet af te schaffen, maar dat kostte hem toen nog wel de kop als lijsttrekker van Leefbaar Nederland.

Hoewel het jammer is dat de ROB zich niet heeft gewaagd aan een voorstel tot herschrijving van artikel 1 Grondwet verdient het waardering dat de Raad om ruimte vraagt voor regelgeving en bestuur om minder onder het juk van de gelijkheid door te gaan. Dat verdient steun. In onze politieke filosofie heeft het gelijkheidsbeginsel zijn legitieme plaats als medevormgevend aan een rechtvaardige maatschappij. Maar het behoort evenzeer tot de christelijke levensbeschouwing dat de vrijheid in en van de maatschappij een hoog goed is en daar ging de AWGB bepaald aan voorbij. Een grondovertuiging is ook dat God de mensen heeft geschapen met ongelijke talenten en dat de diversiteit van het samenleven gebaat is met het erkennen van die ongelijkheid en het benutten ervan. Een overheid mag dat niet geforceerd nivelleren al heeft zij wel als taak ongelijkheden, die ertoe leiden dat burgers maatschappelijk worden gemarginaliseerd of zelfs uitgesloten, tegen te gaan.

Door de ChristenUnie kan dit ROB-advies dan ook met welwillendheid worden begroet. Al moet worden erkend dat de AWGB, ondanks haar libertijnse doctrinaire uitgangspunten, in de praktijk van de laatste twintig jaar opmerkelijk vaak en soms onverwacht juist weer bescherming bood aan opvattingen en gedragingen van de orthodox-christelijke minderheid.

 

Decentraliseren is differentiëren

De ROB is natuurlijk minder geïnteresseerd in een discussie over doctrines, maar meer in de effecten van het gelijkheidsdenken op de praktijk van regelgeving en bestuur. Zo noemt hij dat denken “welhaast obsessief” waar het een rol speelt in de bestuurlijke verhouding tussen rijksoverheid en gemeenten. Hij kapittelt de praktijk waarin de beleidsuitvoering, het voorzieningniveau en de lastendruk in gemeenten overal hetzelfde moet zijn. Decentraliseren is differentiëren, zo merkt de Raad snedig op. Met die tik op onze bestuurlijke vingers kan ik best instemmen, maar uit eigen parlementaire ervaring weet ik hoe lastig het kan zijn een gewenste beleidsvrijheid en dus de acceptatie van vormen van ongelijkheid overeind te houden tegen de zeer Hollandse kritiek dat ongelijkheid toch al gauw onrechtvaardig is. In ons rechtvaardigheidsgevoel zit de overtuiging van ‘gelijke monniken gelijke kappen’ goed ingebakken en dat is bepaald geen gebrek aan sociale beschaving.

Het voorbeeld, de ROB noemt het ook, was en is de Wet voorzieningen gehandicapten, waarbij de wetgever een forse beleidsvrijheid had gedecentraliseerd naar gemeenten. Op dat moment gaat, wat ik zou willen noemen ‘de wet van de naijver’, werken: aan gemeenten waar men slecht met de wet omgaat wordt de goede praktijk van andere gemeenten voorgehouden en wordt vervolgens aan de wetgever gevraagd in te grijpen. Het gevolg is dan natuurlijk een vorm van wettelijke recentralisatie. Exit de vrijheid van de gemeentelijke overheden! Iets daarvan zagen we onlangs ook in de wijze waarop de Tweede Kamer, kennelijk evenzeer beducht voor een teveel aan vrijheid die zou kunnen leiden tot vormen van ongelijkheid, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning amendeerde.

 

De Rotterdamse aanpak

Een overconcentratie op het beginsel van de gelijkheid kan ook betekenen dat de uitvoerende macht wordt gehinderd in het doelgericht aanpakken van sociale problemen. Het voorbeeld daarvan is de wens van het Rotterdamse gemeentebestuur enkele jaren geleden om de bevoegdheid te krijgen tijdelijk de instroom van nieuwe bewoners met een sociaal-economisch zwakke positie in probleemwijken tegen te houden. In feite gaat het dan om een (tijdelijk) verbod van vestiging van sommige burgers, vermoedelijk veelal van allochtone herkomst, en dus om een evident geval van ongelijke behandeling. Met Rotterdam vond het kabinet, met onder meer de steun van de fracties van de ChristenUnie in beide Kamers, dat een dergelijke ongelijkheid gerechtvaardigd kan zijn met het oog op het hogere doel van het verbeteren van het leefklimaat in deze wijken. Het was een onsympathieke maatregel, die evenwel noodzakelijk en gerechtvaardigd was. Zelfs de PvdA-fracties in beide Kamers kwamen tot dat oordeel!

Met deze nieuwe wet, de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, was als het ware de ban gebroken en kan de ROB daar nu op voortborduren. Ik vind dat winst. Het is immers geen goede zaak om bestuurlijk te sterven in de schoonheid van het gekoesterde gelijkheidsbeginsel met gelijktijdige onmacht iets te doen, hoe onconventioneel ook, aan de reële problemen waarmee bestuurders worden geconfronteerd. Tenminste, zolang maar het besef levend blijft dat men halt moet houden wanneer een ongelijke behandeling krenkend voor categorieën burgers wordt. Dat dit bij de Rotterdamse aanpak niet geheel is uit te sluiten valt moeilijk te ontkennen. De wetgever moet daarom via een tijdige evaluatie de vinger aan de pols houden.

 

Een Zwolse aanpak

Een ander fraai voorbeeld van het minder obsessief, maar meer doelgericht en effectief, omgaan met het gelijkheidsbeginsel zijn de regels voor woningtoewijzing van de gemeente Zwolle, waarbij aan ambtenaren vergaande discretionaire bevoegdheden zijn gegeven om te bepalen of iemand voor een woning in aanmerking kan komen. Beslismacht ter zake is gegeven aan een team van een wijkagent, een opbouwwerker en een medewerker van een woningcorporatie, dat zelfs het recht heeft te bepalen dat “de zonen van mevrouw A. een eigen woning kregen op voorwaarde dat zij niet meer dan één liter bier per dag zouden drinken”. De ROB concludeert: “Niet de regels, maar de problemen van de wijk(bewoners) stonden centraal”. Het is een voorbeeld dat enerzijds de doelgerichtheid van deze nieuwe benadering laat zien, maar tevens de schaduwzijden in termen van ambtelijke bemoeiing en verlies van privacy. Maar het accentueert ook de toegenomen verantwoordelijkheid van lokale bestuurders. Daarvoor is enige durf nodig, maar ook het vertrouwen in die bestuurders. Het komt mij voor dat wij dat in ons land wel aankunnen. Met dank aan de steunverlening van de ROB.