Pluralisme, democratie en politieke kennis

Hans Blokland

Pluralisme, democratie en politieke kennis: ontwikkelingen in de moderne tijd. Een rehabilitatie van de politiek.

Koninklijke Van Gorcum Assen 2005.

ISBN: 90-232-4092-8

 

 

Een rehabilitatie van de politiek?

 

Door Arnold Poelman, werkzaam bij ministerie van Binnenlandse Zaken en Gemeenteraadslid Krimpen aan den IJssel

 

 

Zoals elke wetenschap heeft ook de politieke wetenschap haar eigen coryfeeën. Wie politieke wetenschappen studeert of heeft gestudeerd komt zonder enige twijfel in aanraking met de werken van Dahl, Michels, Lindblom, Schumpeter, Easton om maar enkele grote namen te noemen. In het boek van Blokland passeren al deze grootheden de revue, de een wat meer uitgesproken dan de ander. Leidmotiv in het boek van Blokland is een zeer actueel thema wat mijns inziens ook steeds pregnanter wordt in de moderne samenleving. Wat Blokland wil onderzoeken en in kaart brengen zijn de gevolgen van de modernisering voor de mogelijkheid en het vermogen van burgers om gezamenlijk inhoud en richting te geven aan hun samenleving.

Eén vertegenwoordiger krijgt in de zoektocht veel aandacht: de Amerikaan Robert Dahl. Dahl is vooral beroemd geworden met zijn boek 'Who Governs. Democracy and power in an American City'. In dit boek deed Dahl verslag van zijn onderzoek naar de verdeling en uitoefening van macht in de Amerikaanse stad New Haven aan het begin van de jaren zestig.  Dahl is de uitvinder van het pluralisme, een politicologische stroming die de stabiliteit van de westerse democratie verklaart vanuit de hypothese dat in een stabiele democratie rivaliserende groepen toegang tot de besluitvorming hebben en elkaar daarbij ook regelmatig afwisselen. Gebeurt dat niet meer, dan is het ook met de democratie gedaan.

Het boek van Blokland is vooral een overzicht van de voornaamste politicologische stromingen sinds de Tweede Wereldoorlog. Dat varieert van het behavioralisme dat analoog aan de natuurwetenschappen een objectieve waardenvrije politicologie wilde introduceren tot het incrementalisme ( 'het democratisch proces is een stapsgewijs gebeuren') van Charles Lindblom.

Tussen de politicologische discussies vindt in het boek van Blokland nog een andere meer fundamentele discussie plaats over de vraag in hoeverre het mogelijk en ook gewenst is een waardenvrije politicologie na te streven. In hoeverre zijn politieke wetenschappers er mede verantwoordelijk voor dat waarden in het politieke debat zo’n geringe rol lijken te spelen door hun functionalistische benadering? Biedt dit technocratisch functionalisme waarbij de politiek als een managementproces wordt opgevat eigenlijk wel de broodnodige oplossingen in een tijd waarin normatieve politieke theorieën meer dan ooit gewenst zijn? Dahl was aanvankelijk sterk overtuigd van de mogelijkheid van waardenvrije en rationele oplossingen, maar in een latere fase komt hij daar weer op terug. 

In zijn beschrijving van alle varianten van de politicologie biedt dit boek overigens een goede gids alhoewel het soms wat taaie kost is, ook door de gehanteerde terminologie en het jargon.  Des te opvallender en vooral leerzamer zijn de kleine uitstapjes in het boek naar andere concrete onderwerpen zoals de civil society van Tsjechië na het ineenstorten van het IJzeren Gordijn. Het blijkt helemaal niet zo eenvoudig om in Tsjechië een samenleving tot stand te brengen waarin de klassieke normatieve en sociologische onderdelen van een stabiele democratie aanwezig zijn. Democratie vergt onderhoud en vooral een democratische gezindheid en mentaliteit. Even instructief is de excursie naar het netwerk van vader en zoon Bush in de Verenigde Staten en hun banden met de olie-industrie. In dat opzicht is de Verenigde Staten absoluut niet de modeldemocratie die het pretendeert te zijn.

Het grote manco in het boek is echter de afwezigheid van Blokland zelf. Het lijkt alsof  hij aan de zijlijn staat en als een geïnteresseerd toeschouwer kijkt naar al degene die getracht hebben de westerse democratie en haar mechanismen te verklaren.

Zoals ik al in het begin opmerkte is het Leidmotiv van de studie mede onderzoek te doen naar mogelijkheden van burgers om hun eigen omgeving nog gestalte te kunnen geven: een rehabilitatie van de politiek. In een tijdperk van globalisering een alleszins relevante vraag. Illustreert de gang van zaken rond Nedcar immers niet heel treffend dat kwesties als werkgelegenheid niet meer  tot het domein van de nationale overheid behoren maar dat deze aangelegenheden elders worden besloten? Wat rest er nog aan invloed van nationale overheden op sociaal-economische ontwikkelingen?

Blokland citeert in het laatste hoofdstuk wel Robert Lane (‘The loss of happiness in market democracies’) die dezelfde onderdompeling in materiële welvaart onderkent als een wezenlijke tekortkoming van hedendaagse democratieën. Marktdemocratieën missen volgens Lane het vermogen hun eigen hedonistische tekortkomingen te repareren. Mede als gevolg hiervan blijft het vertrouwen van burgers in nationale overheden dalen en lijkt het einde hiervan nog niet in zicht. Uiteraard is dat een zorgwekkende ontwikkeling waar zeker niet luchthartig over kan worden gedaan. En zijn de marktdemocratieën met hun fixatie op materiële groei niet doorgeschoten in consumentistisch hedonisme? Lane verwacht het echter weer van kunstenaars en andere ‘freischwebende Intelligenz’ die ons een andere koers zullen bieden. Dat overtuigt echter allerminst en bovendien is zoiets al eens geprobeerd in de jaren zestig.

Het blijven vooral ook oplossingen van anderen die Blokland presenteert zonder daarbij zelf positie te kiezen. Je blijft dan ook na lezing van het boek met het gevoel zitten dat de westerse democratie er niet best voorstaat en dat Blokland zelf ook geen antwoord weet te geven op het Leidmotiv van zijn eigen studie. Ook hij erkent dat in een marktdemocratie de schapen tegen de wolven beschermd moeten worden maar daar blijft het dan bij.

Daarmee onderstreept hij impliciet de behoefte aan een blijvende christelijke normatieve bezinning op het non-interventiegedrag dat tegenwoordig zo kenmerkend is voor overheden in westerse democratieën.